De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

GROEN VAN PRINSTERER

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

GROEN VAN PRINSTERER

Een vurig belijder in veelzijdige dienst van het Evangelie

10 minuten leestijd

'De overheersende trek in het moderne leuen is om de Natie los te maken van het Evangelie, los te maken van het godsdienstig geloof. Men gaat zover, dat men beweert, dat het een bevrijding en een voorwaarde voor levensgeluk en zelfontplooiiing is (...). Weet echter, wat gij, moderne politici, bereikt zult hebben als gij uw droombeelden ten volle zult hebben verwerkelijkt! Gij zult dan voor U zien voorzover men dan nog van Naties kan spreken, die volkomen ontwricht zijn, verworden tot een willoze schare, tot massa's, tot onaanspreekbare menigten, tot samenklonteringen van geestloze individuen, tot losse atomen, tot stof dat modder geworden is. Gij zult dan te maken hebben met onregeerbare horden. (...)'

Hier lijkt een hedendaags doemprofeet aan het woord te zijn, die zich richt tegen al wat paars heet in de politiek; tegen allen, die het een bevrijding achten om de samenleving in wetgeving los te maken van het Evangelie. Hier is echter Groen van Prinsterer aan het woord, de grote historicus, staatsman en vooral Evangeliebelijder op een conferentie van de Evangelische Alliantie in Amsterdam in 1867. Groen was toen lichamelijk al zeer verzwakt, maar geestelijk ongebroken. Nog geen eeuw later is het visioen van Groen werkelijkheid geworden in Europa, schrijft dr. W. Aalders n. a. v. dit woord van Groen in de bundel Vonken uan heilig vuur, die ter gelegenheid van zijn tweehonderdste geboortedag (21 augustus 1801) werd uitgegeven. De bundel werd ten doop gehouden in de gebouwen van de Tweede Kamer, toen daar een borstbeeld van Groen werd onthuld.

Groen had echter in een brief aan mevr. J. L. van Essen in zijn dagen al geschreven 'thans feitelijk' al 'in een godsdienstloze staat' te leven. Nochtans bleef hij Nederland zien in het licht van zijn historie en trad met kracht op tegen het nieuwe-tijdsdenken, dat zich in de Franse Revolutie van Europa had meester gemaakt onder de leuze: vrijheid, gelijkheid en broederschap.

Actueel

Ooit zei het CHU-kamerlid freule Wttewaall van Stoetwegen in een interview met G. Puchinger (1968), dat Groen de huidige generatie 'niets' meer heeft te zeggen. Daarin vergiste zij zich. Ook vandaag is er, zegt de redactie van de bundel, nog 'een brede kring van onder meer historici, journalisten, theologen en politici, die, al denken zij niet op alle punten gelijk, gemeen hebben dat zij zich geïnspireerd weten door het gedachtegoed van Groen van Prinsterer'. 'Tegen de revolutie het Evangelie', was zijn devies, tegen de vrijgeesterij de heilzame normen van het Woord Gods.

Groen was zelf niet altijd een echte Evangeliebelijder geweest. In 1828 - Groen was toen 27 jaar - karakteriseerde hij zichzelf nog als 'een liberaal christen'. In zijn autobiografie schreef hij: 'Ook ik heb lange tijd tot de vrijzinnigen behoord: opgevoed in liberale dampkring, vooral op de Academie. De geschriften van Rousseau heb ik verslonden'. Maar het jaar 1829 werd voor hem een beslissend keerpunt. In een brief schreef hij toen: 'Dat geloof, waardoor men een nieuw schepsel wordt, waardoor men zich volkomen bevredigd en gerust en gelukkig voelt, reeds op aarde zalig, - dat geloof bezit ik niet, althans in nog zo geringe mate, dat ik mijzelf er nog bijna onbewust van ben'. Hij hoopte en bad, dat door Gods genade zijn louter verstandelijke en historische overtuiging 'een wezenlijke toe-eigening moge zijn'. Als door een blikstemstraal getroffen Naties, had hij het satanische van de Revolutie gezien. Aalders schrijft, dat hij vooral 'door vertrouwelijke omgang met ingeleide christenen' het persoonlijke geloof en daardoor de eeuw van de Reformatie 'en de zielsuitingen van de Nederlandse geloofshelden in het martelaarstijdperk' leerde verstaan. Daarbij werd Willem van Oranje zijn man: 'Dat Willem mijn man is geworden, acht ik de grootste onder alle ontelbare zegeningen van mijn God'. Daarom zei hij ook in zijn toespraak tot de Evangelische Alliantie, toen hij over de roeping van de christenen sprak: 'Wij zullen ervoor nodig hebben een vonk van dat heilige vuur, dat brandde in het hart van de Prins van Oranje en dat hem tegen zijn vriend Marnix van St. Aldegonde in een uur van mistroostigheid deed zeggen: ...Laten wij het maar verdragen Aldegonde, dat men ons vertreedt, als wij maar kunnen dienstig zijn aan Gods Kerk'.

De vele citaten van Groen, die in het onderhavige boek zijn opgenomen, getuigen van zijn diep in het Evangelie verankerde geloof, met name ook van zijn geloof in het handelen Gods, in de Hand van God in de Historie.

Navolging

Groten als Groen blijven actueel. We mogen vandaag op hun schouders staan. Voor Groen geldt: 'Een staatsman niet, een Evangeliebelijder'. Vanuit zijn diep in het Evangelie gewortelde belijden en geloven was hij ook staatsman, een staatsman ter navolging. Zulke groten zijn ook nooit in één partij of groep te vangen, hun gedachtegoed kan niet eenzijdig worden geclaimed. Daar zijn ze te 'groof voor. In de bundel 'Vonken van heilig vuur" treft men dan ook schrijvers van diverse pluimage aan. Hoewel het boek vanuit SGP-kring is uitgegeven, zijn er ook bijdragen van (als gezegd) dr. W. Aalders, die ooit aan de wieg stond van het CDA-beginselprogram, prof. J. Kamphuis, die met het GPV is verweven (het wetenschappelijk instituut van het GPV draagt ook de naam van Groen) en prof. dr. A. Th. Van Deursen uit de kring van de ChristenUnie. Vooral kerkelijk gezien bestrijken de auteurs een breed palet: van oud-gereformeerd tot confessioneel hervormd, van hervormd tot vrijgemaakt gereformeerd.

Ds. C. Blenk noemt Groen zijn beschermengel. Als student geschiedens kwam hij in Utrecht op de school van de bekende historicus P. Geyl, die in zijn wetenschapsbeoefening methodisch-atheistisch was. Maar in die tijd ging Groen hem boeien, als man van het Reveil, die het voor de Afgescheidenen opnam maar niet met de Afscheiding meeging.

Calvinist?

Intussen blijkt het moeilijk te zijn Groen met zijn theocratische visie historisch te claimen. Hij was zelf geen klakkeloos navolger van wie dan ook, daarvoor was hij te onafhankelijk. Dr. R. Bisschop weet zich gegrepen door 'de innerlijke kracht van zijn visie', waarbij hij van mening is dat hij een zuivere vertegenwoordiger is van 'het klassieke gereformeerde theocratische ideaal, zoals dat sinds de Reformatie in de calvinistische traditie verwoord is'. Waarbij hij dan terecht opmerkt dat Groen geen slaafse volgeling van Calvijn was.

Aalders plaatst hem eerder in de traditie van Luther, met diens Twee-Rijkenleer, gezien Groens aanvaarding van 'de godsdienstloze staat', toen hij in 1862 in het Parlement terugkeerde en daarmee ook 'afstand' nam 'van de calvinistische theocratie, met artikel 36 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis'. Maar het Droit Divirt, het goddeli recht bepaalde wel zijn 'theocratisch rechtsbeginsel', als grondslagvoor de rechtsstaat.

Naar een eigen woord van Groen was hij inderdaad meer Reveilman dan calvinist: 'Ik kom wel voort uit het calvinisme, maar het Reveil is mijn vader'. Van het Reveil zei hij, dat het noch Calvinistisch, noch Luthers, noch Doopsgezind was: 'Het schaarde zich niet om het vaandel der aloude Dordtse orthodoxie; maar om den banier der Hervorming, om het woord Gods'.

Ten aanzien van het omgaan met de gereformeerde belijdenis bezigde hij dan ook het gevleugelde woord 'onbekrompen en ondubbelzinnig'. 'De belijdenis waartoe men geroepen wordt, staat telkens in verband met den aard der tijden, waarin men leeft'. In dat licht bezien dateerde Groen bijvoorbeeld de Dordtse Leerregels, hij achtte deze tijdgebonden. Ik citeer letterlijk:

'Onze vaderen in de zeventiende eeuw hadden volkomen gelijk toen ze de nadruk legden op het dogma der uitverkiezing, dat ze met uiterste nauwkeurigheid onder woorden hadden gebracht. Waarom? Omdat de loochening van de uitverkiezing in dien tijd de schakel was van een logische redenering die eindigde in de voorwaardelijke verzoening (...) En toch kan men er vanaf zien om van de Dordtsche besluiten een voor eiken tijd geldend richtsnoer te maken. Want een waarheid, waarop de Evangelische worsteling zich concentreert, kan van volkomen bijkomstig belang worden, zodra de omstandigheden haar niet meer in verband brengen met de fundamentele waarheid van het Evangelie...'.

Daarom kon Groen zich ook scherp kritisch uiten ten opzichte van die orthodoxie, die zich verschuilt achter 'het bolwerk' van Dordt en niet in levend rapport stond met de ontwikkelingen in de eigen tijd. Letterlijk schreef hij: 'Er zijn wel fracties, die soms het verwijt van dode orthodoxie verdienen'. En: 'Wat de ongelukkige gedachte betreft om van de canones van Dordrecht het shibboleth van onze tijd te maken... zij heeft bij ons een heftigen tegenstand ontmoet, citeert Blenk.

Hoewel van tijd tot tijd Groen uit de brede kring van de Gereformeerde Gezindte wel tegenspraak ondervond inzake zijn 'onbekrompen' omgang met de belijdenis, is het merkwaardig dat hij toch, tot vandaag, een brede accolade slaat, ook waar men heel anders met Dordt omgaat dan hij deed, ook binnen de orthodoxie, die bij Groen soms onder krititiek stond.

De kerk

Het is met name Blenk, die aandacht vraagt voor de actualiteit van Groen in de huidige kerkelijke onwikkelingen, met name in het SoW-proces, daarbij refererend aan wat ds. L. H. Oosten en ondergetekende over hem schreven. Ook Blenk noemt Groens visie op Dordt en citeert: 'Hetzelfde leerstuk dat toen een waarborg gaf tegen een onware broederlijke eenheid zou nu een struikelblok vormen voor de ware broederljkheid'.

Veelzeggend is het citaat, waarmee Blenk afsluit: 'De kwestie van waarheid en dwaling, leven of dood in de kerk is niet alleen juridisch van aard; zij is bovenal een kwestie van ziekte en herstel. Het lichaam der kerk is ziek: dit organisme moet genezen en dat zonder amputatie.'

Was het daarom dat aan het eind van de negentiende eeuw de hervormde theoloog Hoedemaker later in zijn geding van Kuyper rondom de Doleantie, met zijn nadruk op kerkherstel, ook teruggreep op Groen? Groen zou slechts 'gaan' als hij werd 'weggejaagd'.

Appèl

In een korte aanduiding van wat in een veelzijdige bundel, met bijdragen van in totaal zeventien schrijvers, omgaat, maakt men een selectie en doet men zo menig scribent onrecht. Ik denk aan de bijdragen van prof. dr. A. Th. Van Deursen, 'Omgaan met Groen', van dr. H. Klink, 'Een visionair', van ir. B. J. van der Vlies, 'Spranken die in vuur zetten'. Vele malen komt uiteraard Groens vermaarde boek Ongeloof en revolutie ter sprake, vandaag uiterst actueel vanwege de ten top gevoerde autonomie van de mens, die geen gezag van de Hoogste Autoriteit meer duldt.

Men leze zelf. Op het titelblad staat een sprekend citaat van wijlen ds. H. G. Abma:

'Het zou een heel lief ding waard zijn, wanneer uit eerbied en waardering voor alles wat Groen van Prinsterer heeft betekend en gepresteerd niet aan zijn gedachtenis allerhande eigenzinnige en betweterig lovende woorden werden gespendeerd, doch dat er lang en aandachtig en vruchtbaar naar hem geluisterd werd'.

Aan scholen en instituten werd in de twintigste eeuw nogal eens de naam van Groen verbonden. Groen werd immers - noodgedwongen - ook de kampioen voor het bijzonder onderwijs? ! Of zijn gedachtenis er dan vandaag ook nog in ere is, is de vraag.

Ooit werd ook, op initiatief van ondergetekende, aan de Gereformeerde Sociale Academie, die ruim 25 jaar geleden in Ede werd opgericht, de naam De Vijverberg gegeven, herinnerend aan de Korte Vijverberg in den Haag, waar Groen woonde. Die naam is, vanwege de fusie met Felua, al 25 jaar na datum gesneuveld. Het louter voeren van de naam is echter niet het belangrijkste. In het citaat van Abma is alles gezegd. Mr. D. J. H. van Dijk herinnert in zijn bijdrage aan Ph. J. Hoedemaker, die stelde dat het theocratisch beginsel 'vroeg of laat' actueel zal blijken te zijn. Hij noemt dat een profetisch woord. En Aalders zei, dat het woord van Groen over het losmaken van de natie van het Evangelie, visionair was. Hoedemaker en Groen over kerk in staat hand profetisch in hand! Om over na te denken. Gezien het feit, dat Groen zijn gedachten onwtikkelde na de Franse Revolutie, toen de staat principieel los kwam van het Evangelie, zou hij met zijn theocratische visie allen, die voor hem in het corpus christianum hun theocratische gedachten over kerk en staat ontwikkelden, wel eens in actualiteit kunnen overtreffen.

V.D.G.

N.a.v. mr. D. J. H. van Dijk en mr. G. G. van der Staaij (red.), Vonken van heilig vuur - Groen van Prinsterer tweehonderd jaar, uitgave Groen, Heerenveen, 132 pag, ƒ24.95-

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 juli 2001

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

GROEN VAN PRINSTERER

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 juli 2001

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's