De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De nieuwe openheid in de Gereformeerde Kerken [vrijg.]

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De nieuwe openheid in de Gereformeerde Kerken [vrijg.]

PROF. DR. J. DOUMA KIJKT TERUG EN VOORUIT

11 minuten leestijd

Van 'doorgaande reformatie', in de zin zoals de term gebruikt en toegepast werd, moeten wij afscheid nemen, frank en vrij. Want zij heeft veel gewetens op een wijze gebonden. Dat de vrijgemaakt-gereformeerde zuil, die al aan het afbrokkelen nog verder kan gaan afbrokkelen, hoeft geen verlies te zijn. Wat vrijgemaaktgereformeerd was, zal in de meeste gevallen wel in confessioneel-gereformeerd veranderen. Het is trouwens te hopen dat met deze verandering ook een andere verandering gepaard zal gaan, ... namelijk de kerkelijke vereniging van alle gereformeerde belijdenis in ons Iand'.

Tot deze openhartige uitspraak komt prof. dr. J. Douma in zijn laatste boek Hoe gaan wij uerder? , waarin hij de grote veranderingen van de laatste jaren binnen de Gereformeerde Kerken (vrijg.) aan de orde stelt. Wanneer hij de weg terug beziet, die vanaf de Vrijmaking (1944) is afgelegd, moet worden toegegeven, zegt hij, 'dat we door ons exclusivisme gewetens hebben gebonden met een ondeugdelijk beroep op de Schrift'^ Mensen zijn beschuldigd van ontrouw, waar geen ontrouw was, over schuld is gesproken waar geen schuld was. 'We hebben van broeders en zusters, die weigerden instemming te betuigen met (een bepaalde vorm van) de doorgaande reformatie, gezegd, dat ze de kerk niet meer zagen, de Vrijmaking verloochenden, geen Gideon en Daniël wilden zijn. Etc., etc. En dat alles in de naam van een goddelijk gebod van doorgaande reformatie, dat geen goddelijk gebod was.'

Overigens zegt Douma in zijn Woord vooraf, dat hij al in de zeventigerjaren, toen zijn kerken na de scheuring in 1967 in rustiger vaarwater waren gekomen, al kritischer is komen te staan tegen het eigen recente verleden. Al in een vroeg stadium woog het hem bijvoorbeeld zwaar, dat mensen uit andere kerken wel op het GPV mochten stemmen maar geen lid konden worden.

Ondergetekende kan van die kritische openheid meepraten. In mijn eerste ontmoeting met Douma, in de Gereformeerde Kerk (vrijg) Eindhoven na de verschijning van het Getuigenis in 1973, waarin zes hervormden protesteerden tegen de toenmalige maatschappijkritische theologie, noemde hij mij publiekelijk 'broeder', wat toen bepaald niet gebruikelijk was onder vrijgemaakten ten opzichte van iemand die in een in hun ogen valse kerk verkeerde. Hij voegde er overigens wel de vraag bij wanneer ik 'Babel' zou verlaten, waar alle boodschappen en getuigenisssen te spijt, alles bleef zoals het was. Dat was overigens in lijn met de gebruikelijke commentaren op hervormd gereformeerde publicaties, wanneer daaraan (inhoudelijk waarderend) in de vrijgemaakte pers aandacht werd gegeven: 'dit goede geluid komt helaas uit een valse kerk, die men niet bereid is te verlaten'.

Zorg

Bovenstaand pleidooi van Douma om afstand te namen van de gedachte van 'doorgaande reformatie' en de daarmee verbonden claim op de-ware-kerk van de Gereformeerde Kerken (vrijg), heeft al breed aandacht getrokken. Maar Douma's boek is tweepolig. Hij geeft ook blijk van diepe zorg 'over het verval (cursief van mij, v.d.G.) dat onze kerken bedreigt'. Wanneer de vrijgemaakt-gereformeerde zuil gaat verdwijnen en veel typisch vrijgemaakte organisaties een confessioneel-gereformeerd karakter gaan krijgen, zal er naar de mening van Douma minder sprake zijn van 'wetticisme'. Maar een ander gevaar, namelijk dat van 'het huidige libertinisme', kan wel degelijk van het goede spoor afbrengen. Daarom gaat Douma ook openhartig in op verschuivingen inzake de ethiek die hem zorg baren. Zijn wettische leeropdracht in Kampen was immers is, ethiek. Het gaat dan met name om de zondagsviering, de echtscheiding en de homofilie, zaken die onder maatschappelijke druk staan en ook de kerken (waar niet? ) bedreigen. Zaken waarin Douma zelf overigens een doordachte positie inneemt. Hij ziet in zijn kerken weliswaar continuïteit, maar stelt deze zaken niet voor niets aan de orde.

Eredienst

Wat dan bij Douma vooral een zwaar accent krijgt zijn de ontwikkelingen binnen de eredienst in vrijgemaakt-gereformeerde kring. Ik noem, vooral beschrijvend, drie momenten uit zijn boek. (Ds. J. Maasland ging in zijn Persschouw van veertien dagen geleden daarop al in op een artikel van ds. W. Smouter in deze.)

1. De liturgie.

De kritiek van de Afgescheidenen op de hervormde gezangbundel heeft ervoor gezorgd, zegt Douma, 'dat het onder ons anderhalve eeuw moest duren voor er naast de psalmen aan een nieuwe omvangrijke bundel gezangen gedacht kon worden'. Douma kan moeilijk bezwaar aantekenen tegen het zingen van gezangen: 'De nieuwtestamentische gemeente wordt immers opgeroepen om in psalmen, lofzangen en geestelijke liederen te spreken' (Ef. 5 : 19). Hoewel hij op deze tekst wat de betekenis betreft niet nader ingaat, trekt hij de conclusie dat het werk van nieuwtestamentische dichters en musici als Luther, Paul Gerhardt, Johannes Eusebius Voet, Willem Barnard en anderen niet ongebruikt mag worden gelaten. Intussen hebben Douma's kerken nu een Gereformeerd Kerkboek, waarin naast de Psalmen (in nieuwe berijming) alle 491 gezangen voorkomen uit het Liedboek van de Interkerkelijke Stichting voor het Kerklied, waarvan er 255 zijn geselecteerd, 'die in onze kerken gezongen mogen worden'. De melodieën vormen echter een probleem apart. Douma vindt het een probleem dat, zoals vroeger bij hervormden, verschillende bundels in gebruik raken: ten slotte elke gemeente haar eigen bundel. Ook laakt hij het, dat er voortdurend wordt getoetst: 'Als we zingen, toetsen we niet, en als we echt toetsen, zingen we niet.'

Speciale aandacht geeft hij aan 'liturgie en de jeugd'. Douma acht het onmogelijk om alle categorieën in de gemeente op hetzelfde niveau aan te spreken: 'De dienst krijgt kinderachtige trekken wanneer alles door kinderen begrepen moet kunnen worden'.

2. Schuldbelijdenis

Douma acht schuldbelijdenis tegenover God in de eredienst van essentieel belang. De gemeente komt op zondag samen voor het aangezicht van de heilige God. Een schuldbelijdenis, die door de synode van Leusden 1999 is geformuleerd acht hij te mager. Hij signaleert ook dat na de lezing van de Tien Geboden, de predikant soms 'onmiddellijk' gaat danken voor de vergeving, die we in Christus bezitten. 'Maar het gaat erom dat we eerst schuld belijden en dan voor de schuldvergeving danken'. Douma is van oordeel dat ook de gebeden nogal eens mank gaan aan die eenzijdigheid: '...men is gauw klaar met het belijden van schuld van de gemeente'.

3. De prediking

Heel uitvoerig gaat Douma in op de prediking. Calvijn vond in elk schriftgedeelte een boodschap voor zijn hoorders. Hij begon niet met de vraag: hoe is de situatie van mijn hoorders? , om daarbij dan vervolgens een tekst te zoeken. Hij ging ervan uit dat het woord van God uit heel de Schrift tot zegen voor de hoorders is. In dit verband spreekt Douma zijn zorg uit over wat door de vakgroep Praktische Theologie aan de vrijgemaakt-gereformeerde Theologische Hogeschool in Kampen in een boekje Preken en horen wordt gezegd 'een eigentijdse gereformeerde preekvisie'. Hij leest daarin dingen die hij moeilijk kan plaatsen in 'een gereformeerd betoog'. In dat boekje worden, naar Douma's oordeel ten onrechte, kerkmensen van vandaag 'aangevochten Godzoekers' genoemd, die in de 'Godsverduistering' van het alledaagse leven staan. Als de gemeente uit Godzoekers bestaat is ze haar missionaire kracht reeds kwijt, zegt hij. Maar de kerk is kerk 'in haar verbond met God', lichaam van Christus.

Het meeste bezwaar heeft Douma echter tegen de gedachte, dat niet alleen de tekst maar ook de hoorder een inhoudsbepalende rol speelt in het preekproces. Het past zijns inziens wel in een moderne maar niet in een gereformeerde homiletiek (handleiding voor predikkunde, v.d.G.) wanneer het 'uitleggen' van een schriftgedeelte wordt verschraald tot, zoals het geschrift stelt, 'het vaststellen van de waarheid van een document uit een ver verleden'. Want in die oude tekst komt het levende woord van God tot ons. Het 'nieuwe woord', waarover de samenstellers van de uitgave 'Preken en horen' spreken, heeft het gevaar in zich toch wat anders te worden dan 'het woord van God'; al realiseert hij zich wel dat daaraan in Kampen (vrijg.) een andere invulling zal worden gegeven dan bij moderne homileten. De inspraak van de hoorder krijgt echter te veel eer.

De kerk

Ten slotte nog iets over Douma's visie op de kerk. Wanneer ernst wordt gemaakt, zegt hij, met wat generale synodes van de Gereformeerde Kerken (vrijg.) hebben gezegd over de Christelijke Gereformeerde Kerken, namelijk dat 'de ware kerk' ook in deze kerken belichaamd is, kan de geslotenheid van de vrijgemaakt-gereformeerde organisaties niet meer gehandhaafd worden. Hier redeneert Douma van de kerk naar de organisaties toe. Hij is 'zo vrijmoedig te voorspellen dat we met de eenvoudige tegenstelling tussen ware en valse kerken alleen niet uitkomen'. Er zal onderscheid moeten worden gemaakt tussen zuivere en minder zuivere kerken. Hij roept dan verder de vraag op aangaande schuldbelijdenis tegenover de velen die de Gereformeerde Kerken (vrijg.) hebben verlaten, o.a. met en na de scheuring van 1967; behalve vanwege de secularisatie ook vanwege het kerkelijk exclusivisme ('wij zijn de ware kerk', v.d.G.) De kerken, die nu 120.000 leden tellen, hadden tweemaal zo groot kunnen zijn. Daarom blijft Douma ook de Nederlands Gereformeerde Kerken in het vizier houden en spreekt hij nu mild over de Open Brief, die de aanleiding werd tot de scheuring van 1967, toen de buitenverbanders uittraden, de latere Nederlands Gereformeerden.

Wat de Gereformeerde Gemeenten betreft knoopt Douma aan bij de publicaties van prof. dr. ir. J. Blaauwendraad. Daar ziet hij hoop. 'Hebben wij ons niet los moeten maken van Kuypers leer van de veronderstelde wedergeboorte, die ervan uitging dat alle gedoopten voor wedergeboren moesten worden gehouden? En vinden we in de Gereformeerde Gemeenten niet het omgekeerde van die leer, nl. dat alle gedoopten voor onwedergeboren moeten worden gehouden? ' In beide opvattingen wordt tekort gedaan 'aan de duidelijkheid van Gods welgemeende beloften voor alle gedoopten, die allen tot geloof en bekering worden opgeroepen'.

Douma wil een federatie van kerken, waarin ook de Gereformeerde Gemeenten een plaats hebben, maar ook gemeenten die zich niet in het verband van de SoW-kerken - ten onrechte door Douma nog aangeduid als VPKN - willen voegen.

Ten slotte

We lieten in het bovenstaande hoofdzakelijk Douma zelf aan het woord. Ter afsluiting maak ik puntsgewijs nog enkele opmerkingen. 1. Douma's boek is eerlijk, openhartig en moedig. Met zijn loslaten van 'doorgaande reformatie' raakt hij de hartader van de Geref. Kerken (vrijg.) in hun oorspronkelijke identiteit. Hij zal bij 'verstokte' vrijgemaakten niet alom applaus ontvangen, gezien zijn openheid naar kerken en organisaties buiten de vrijgemaakte wereld. Hij betrekt zichzelf echter ten volle in de schuld die hij in zijn kerken aanwijst. 2. Met betrekking tot ontwikkelingen rondom liturgie en prediking stelt Douma zaken aan de orde die niet alleen relevant zijn voor en binnen zijn kerken. De 'inspraak' van de hoorder in preek en liturgie is breder aan de orde. Ik verwijs hier naar de eerder genoemde Persschouw van ds. J. Maasland. 'De boodschap en de kloof' had existentiëler aandacht verdient, ook al heeft Douma alle gelijk van de wereld als hij zegt dat de kerk geen missionaire kracht meer bezit wanneer ze slechts uit 'Godzoekers' bestaat. 3. Als Douma spreekt over schuld vanwege de afgeslotenheid en exclusiviteit van de vrijgemaakte zuil, kan men binnen andere zuilen niet doen alsof de neus bloedt. Zuilen worden afgemeten aan groepskenmerken, aan ijkpunten waaraan allen die er echt toe (willen) behoren, worden afgemeten. Wie zal later de schuld van die exclusiviteit, op grond van leer en groepskenmerken, niet ook moeten belijden? Wie later, elk in eigen kring, waaraan mede leiding werd gegeven, terugziet, zou dat zonder schuldbelijdenis kunnen doen? Op heel concrete punten! 4. Als Douma nu toch, in plaats van het onderscheid tussen ware en valse kerk onderscheid wil gaan maken tussen zuivere en minder zuivere kerk en hij de ware kerk in andere, ook niet meer zo 'zuivere' kerken 'belichaamd' ziet, zou hij uitvoeriger hebben moeten ingaan op de positie van gereformeerden in de SoW-kerken. Want die komen alleen in beeld, voorzover ze zich willen... afscheiden. Met een enkele pennenstreek lijken die kerken te worden afgeschreven. En strookt dat eigenlijk wel met de milde toon van Douma nu over de Open Brief van 1967, waarin toch ook hernieuwde contacten met de Gereformeerde Kerken aan de orde kwamen? Zo komt bij Douma toch de afgescheiden aap uit de kerkelijke mouw. Maar zo kennen we hem ook. Zijn afscheidingsbeginsel loochent hij ook in dit boek niet. Men leze intussen Douma's helder geschreven boek, dat zich als een roman laat lezen.

V.D.G.

N.a.v. dr. J. Douma, Hoe gaan wij verder? , Uitgave Kok, Kampen, 191 pag., ƒ 29.50.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 juli 2001

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

De nieuwe openheid in de Gereformeerde Kerken [vrijg.]

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 juli 2001

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's