De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Zo ik niet had geloofd... [8]

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Zo ik niet had geloofd... [8]

10 minuten leestijd

Zoals ik een vorig keer schreef, geeft het geloof liefde voor de kerk. En als ik 'kerk' schrijf, bedoel ik de gehele kerk. Want de gehele kerk is een gestalte van het lichaam van Christus. Wij hebben de kerk lief in dagen dat het haar voor de wind gaat, doch niet minder in dagen waarin er ruwe stormen over haar gaan en zij veel averij oploopt. Nooit is er een oorzaak om de kerk te verlaten en afscheid van haar te nemen, behalve als de Heere Zelf er het signaal voor zou geven. Maar anders moeten wij altijd trouw onze plaats in de kerk innemen. Hoe meer geloof, hoe meer liefde voor de kerk. Ik kan ook zeggen: hoe meer geloof, hoe meer hoop er is voor de kerk. Wat zeker is: wij schrijven de kerk niet af zoals velen buiten haar doen, maar soms ook velen in de kerk zelf. Nooit moet door iemand van ons vergeten worden dat de Heere ons in de kerk veel gegeven heeft. Hij heeft ons in haar zelfs meer geschonken dan wij ooit aan haar kunnen geven. Samenvattend: wij houden ons aan het woord van Calvijn die dit op zijn beurt van de kerkvaders overgenomen heeft: 'Wie God tot zijn Vader heeft, heeft de kerk tot zijn moeder'. En let wel: moeder laten wij nooit in de steek. Met al de vezels van ons bestaan zijn wij aan haar gebonden. Zo ook aan de kerk, zelfs al worden wij wel eens in haar teleurgesteld. Wanneer dit het geval is, moeten wij niet vergeten wat een bekende dichteres zegt: 'De kerk; dat zijn wij'.

Liefde tot de gemeente

Het geloof geeft liefde tot de kerk, maar niet minder tot de gemeente waarin men van Godswege een plaats heeft gekregen. Dit laatste moeten wij vasthouden. Wij hebben elkaar niet gezocht, doch de Heere heeft ons bij elkaar gebracht. Met welk doel? Met geen ander doel dan dat wij een gemeenschap zullen vormen en tot Zijn eer zullen leven.

Dat de gemeente een hechte gemeenschap is, is helaas niet altijd te horen en te zien. Wat zich in de samenleving voltrekt, is ook in de gemeente op te merken. In de samenleving is er sprake van individualisering. Men is er alleen voor zichzelf; men denkt alleen aan zichzelf. Het gevolg is dat de inzet voor gemeenschap gering is, of wat nog erger is: afwezig is!

Hetzelfde ziet men in de gemeente. Ik geef een concreet voorbeeld. In deze maanden worden er weer jongeren en ouderen gezocht die zich in het nieuwe seizoen willen inzetten voor het werk onder de jongeren. Wat is het moeilijk om ze te vinden. De een voert deze oorzaak aan, een ander voert weer iets anders aan. Het gevolg is dat er in het nieuwe seizoen clubs niet kunnen worden gehouden bij gebrek aan leiding. Er wordt onder ons wel eens gezegd dat de jongeren straks de fakkels van ons als ouderen moeten overnemen. Maar hoe zullen zij dit kunnen doen als wij als ouderen ons niet ingezet hebben om onze jongeren te vormen en toe te rusten?

Nog een voorbeeld

Ik noem nog een ander voorbeeld. Dat heeft ook alles te maken met het feit dat men veel met zichzelf bezig is. De individualisering heeft er althans alles mee te maken. Tegen het einde van dit jaar zullen er weer ouderlingen en diakenen aftreden. Ongetwijfeld zullen er zijn die een twaalfjarige periode er op hebben zitten. Naar de orde van de kerk zullen zij niet terugkeren in de kerkenraad. Hun vacatures zullen vervuld moeten worden. Doorgaans is dit onder ons niet zo'n eenvoudige zaak. Er worden vaak vele vonden gezocht om te bedanken als men geroepen wordt tot het ambt van ouderling, diaken of ouderling-kerkvoogd. Let wel: er kunnen wettige redenen zijn waarom men meent te moeten bedanken. Ik ben van mening dat huiselijke omstandigheden een oorzaak kunnen zijn waarom er wordt gezegd dat men aan de roeping tot het ambt geen gehoor kan geven. Ook kan het wel eens zijn dat men lichamelijk en psychisch niet tegen een ambt is opgewassen en dat men om die reden moet bedanken. Wanneer deze en andere oorzaken aangevoerd worden, mag ik niets zeggen. Echter... is dit altijd wel zo? Speelt toch ook vaak dit niet een rol dat er weinig liefde is voor de gemeente, d.i. de gemeente Gods? Voor van alles en nog wat wordt er tijd gevonden, maar om zich voor een bepaalde tijd op een bijzondere manier beschikbaar te stellen voor de gemeente, daarvoor is geen tijd. Dat is triest, en 't is helemaal triest als men niet alleen de tijd als oorzaak aanvoert om geen ambt te bekleden, maar men ook nog zegt dat er geen roeping is. Ik wil dit in zekere gevallen wel overnemen, maar zeker niet in alle gevallen. Soms verschuilt men er zich wel erg gemakkelijk achter. Niet moet vergeten worden dat de roeping tot het ambt door de gemeente en mitsdien door God niet altijd direct zó helder voor ogen staat. Bij de meeste ambtsdragers is het zo dat hun roeping in de loop van de tijd werd bevestigd. Op welke manier? De Heere hielp ze door grote moeilijkheden heen! Hij schonk wijsheid, terwijl het ze aan alle kanten aan wijsheid ontbrak.

Natuurlijk, het is wel nodig dat er een of ander signaal is als men een ambt gaat bekleden. Maar dat signaal wil niet zeggen dat men het dan altijd al zo zeker weet. Zoals ik schreef: de Heere komt het in de loop van de tijd bevestigen!

Ik wil in dit verband een ervaring doorgeven die ik opdeed toen ik vele jaren geleden vicaris was in Zoetermeer bij ds. G. Boer. Samen gingen wij naar een broeder die verkozen was tot ouderling. Mijn mentor wilde dat ik meeging omdat ik later ook zelf hiermee te maken zou krijgen. Toen op een gegeven moment ds. G. Boer aan de broeder vroeg of hij het ambt zou aanvaarden, begon hij te zuchten. Al zuchtende vertelde hij dat hij waarschijnlijk zou bedanken, want hij had er niets voor om het aan te nemen. Ook voerde hij aan dat hij als hij op huisbezoek moest geen woord zou kunnen zeggen. Nooit ben ik het antwoord van ds. G. Boer vergeten. Hij zei tot de broeder: 'Wat u nu niet hebt, kan de Heere u schenken. Hij wil het ook schenken als u het maar in alles alleen van Hem verwacht.' Ook vertelde hij dat de Heere nooit iets eerder gaf, of wij moesten het werkelijk nodig hebben. Een paar dagen later gaf hij gehoor aan de roeping tot ouderling. En zoals hij mij jaren later vertelde: het heeft hem nooit aan woorden ontbroken. Wanneer het nodig was, ontving hij alles wat hem ontbrak, zelfs mild en overvloedig. Wat heb ik met dit alles willen zeggen? Als wij geroepen worden tot een ambt, moeten wij maar niet te snel daarvoor bedanken. De Heere geeft zoveel in het ambtelijk leven, zoveel goeds, dat men blij is door Hem geroepen te zijn. Ook dit is waar: hoe langer in het ambt, hoe meer liefde tot de gemeente. Ik kan het ook anders zeggen: hoe langer in het ambt, hoe meer liefde tot de gemeente Gods, maar ook bewondering voor de God van de gemeente. Want Hij is trouw; Hij laat niet varen het werk van Zijn handen. Ik sluit dit af met te schrijven: wanneer sommigen onder ons wellicht aan het einde van dit jaar geroepen worden tot een ambt, laten zij dan niet te snel zeggen dat zij daaraan niet beginnen, maar laat het in hun hart worden gevonden: 'Merk op mijn ziel, wat antwoord God u geeft. Hij spreekt gewis tot elk die voor Hem leeft.'

Kerkenraad

Ik blijf nog even bij de ambtsdrager. Wanneer het geloof op spankracht is, zal hij veel liefde hebben voor de gemeente en zich daarvoor met ingespannen krachten inzetten. Maar ook in de kerkenraad zal deze liefde, opkomend uit het geloof, hoor- en zichtbaar zijn. Is dat altijd het geval? Helaas is dit niet zo. Er kunnen in een kerkenraad wel eens ambtsdragers zijn die meer zichzelf zoeken dan dat zij oog hebben voor hun medebroeder. Een rapport over kerkenraden liet mij onlangs lezen dat sommige ambtsdragers in de kerkenraad op macht uit zijn. Nu zal dit niet in iedere kerkenraad zo zijn, maar ook al zou dit slechts in één kerkenraad zo zijn, dan zou dit er één te veel zijn. Helaas... het komt zelfs in meer dan één voor. Broeders in een kerkenraad moeten op een geestelijke wijze met elkaar omgaan. Zij moeten er zorg voor dragen dat er geen partijschappen in de gemeente ontstaan. Wanneer zij de gemeente werkelijk liefhebben, zullen zij geen school maken voor zichzelf, maar zullen zij bruidswerver zijn. Allen zullen zij iets hebben van Johannes de Doper die slechts één passie bezat: 'Zie het Lam Gods dat de zonden der wereld wegdraagt'. De Doper maakte geen school voor zichzelf! Integendeel zelfs! Zoals bekend zal zijn, verloor hij zijn leerlingen, raakte hij het ambt kwijt en ten slotte zelfs zijn leven. Het 'Neem mijn leven; laat het Heer, toegewijd zijn aan Uw eer' was in zijn leven realiteit.

Samenvattend: het was hem niet te doen om macht; ook deed hij aan allerlei machtsspelletjes niet mee. Het was hem alleen om Christus te doen. Hij was dienstbaar aan en stelde zich in dienst van Christus,

't Is niet verkeerd als ik stel dat het ambt dat men van Godswege ontvangt en bekleedt niets met macht te maken heeft. Het ambt kent wel gezag, maar dat is altijd gezag dat ontleend is aan het Woord. Liever spreek ik als ik het over het ambt heb, van dienst. Een ambtsdrager is een dienaar van Jezus Christus. Als ambtsdrager is hij er voor de gemeente en dient hij haar met z'n hele hart. Met een variant op het 'Wilhelmus' mag hij tot de gemeente zeggen: 'Uw dienaar t' aller stond'. Wie zo dienaar is in het midden van de gemeente, zal dit ook zijn in de kerkenraad. De voetwassing zal niet alleen op z'n hart gebonden zijn, maar zal ook door hem in de praktijk gebracht worden. Een gemeente mag het als een voorrecht beschouwen wanneer zij zulke ambtsdragers heeft. De Heere zal hun arbeid niet ongezegend laten.

Duidelijk zal zijn dat in een kerkenraad niet alleen ouderlingen en diakenen hun zucht naar macht moeten bedwingen, maar dat dit evenzeer geldt voor de predikant. Voor hem geldt niet minder dat hij op de leerschool van Jezus eigen krachten moet leren verachten. Het moet hem niet te doen zijn om macht, maar veelmeer hierom, dat de Heere Jezus het voor het zeggen heeft in de gemeente, maar ook in de kerkenraad.

Onderlinge liefde

Een volgende keer wil ik het een en ander schrijven over de onderlinge liefde in de gemeente. Dat dit alles te maken heeft met het geloof, zal dan aangetoond worden.

G. S. A. DE KNEGT, BENNEKOM

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 juli 2001

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Zo ik niet had geloofd... [8]

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 juli 2001

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's