In memoriam ds. Jacob Wieman
In de nacht van zondag 8 op maandag 9 juli ging uit dit aardse leven heen Jacob Wieman. Enkele dagen daarvoor was hij teruggekeerd uit het Academische Ziekenhuis in Leiden, waar hij een aantal zware onderzoeken had moeten ondergaan. Na zijn thuiskomst verslechterde zijn gezondheidstoestand zodanig, dat hij in het ziekenhuis in zijn woonplaats Zwijndrecht moest worden opgenomen. Hier is hij ook overleden. Hij heeft de leeftijd van 76 jaar mogen bereiken. Een arbeidzaam leven in dienst van het evangelie werd afgesloten. Op jeugdige leeftijd wist hij zich geroepen tot het predikantschap en leerde hij zijn eigen wil los te laten om die van zijn Meester te volgen. Zijn opleiding ontving hij goeddeels in de oorlogsjaren. Onder vaak niet gemakkelijke omstandigheden. Ook het onderricht kon om dezelfde reden niet optimaal verantwoord gegeven worden. Dit alles heeft zijn liefde tot en kennis van de grondtalen niet gehinderd. Bij zijn gang naar het ziekenhuis in Leiden, nam hij behalve een bijbel en een puzzelboek, ook enkele afzonderlijke bijbelboeken mee in het Hebreeuws, alsmede een Hebreeuwse grammatica. In zijn jonge jaren, maar dan ook verder gedurende een lange reeks van jaren daarna was ds. Jac. Vermaas zijn leermeester en vaderlijke vriend geweest. Met veel waardering en dankbaarheid maakte hij in later jaren hiervan gewag. In 1948 deed hij zijn intrede in Hoog-Blokland. Daarna heeft hij steeds grote gemeenten gediend, te weten de gemeenten van Oudewater, Nunspeet, Alblasserdam, Vlaardingen en Bodegraven. De prediking en de voorbereiding daarvan namen in zijn leven een grote plaats in. Nauwgezet en zorgvuldig bereidde hij zijn preken voor. Er lag een grondige exegese aan ten grondslag. Daarbij had hij oog voor het detail. Gewetensvol ging hij ook in dit opzicht bij de voorbereiding van zijn preken te werk. Zoals later bij de uitgave van een aantal van zijn preken door iemand werd opgemerkt: 'Geen voorval of voorbeeld daarin aangehaald of het is tot in detail nagespeurd of hetgeen gezegd gaat worden door en door betrouwbaar is'. Soms nam men als buitenstaander iets van zijn manier van werken waar. Als hij worstelde om de zin der Schrift te verstaan, of als hij vroeg naar de herkomst en betekenis van een bepaald beeld of bepaalde vergelijking. Wat mij opviel in zijn prediking was de bevindelijke gloed die erover lag en die velen, van oud tot jong, zal hebben aangesproken. Hij wist wat er omging in het hart van een mens. Ook van de mens die door de Geest van God was aangeraakt. Daar is de vreugde van het geloof in de God des heils, maar daar is ook twijfel, strijd en aanvechting. Dit laatste was hemzelf niet vreemd en heeft hem tot het einde van zijn leven op het Woord van God teruggeworpen.
Niet lang voor zijn heengaan noemde hij de tekst waarmee dominee Vermaas hem ergens in het ambt bevestigd had: '...opdat wij zouden een ieder mens volmaakt stellen in Christus Jezus', Col. 1: 28. Doelend op de keuze van de tekst zei hij met een brede, voor hem karakteristieke glimlach 'typisch Vermaas!'. Maar het was ook kenmerkend voor hem en zijn prediking.
Een bijzondere plaats in zijn hart had de jeugd. Als hij zelf naar de kerk ging, waardeerde hij het zeer als 'de man op de kansel' in de prediking de kinderen erbij betrok. Soms door een eenvoudig voorbeeld, soms door hen in de preek een vraag te stellen. Menig predikant zucht als het gaat om de catechisaties en heeft er moeite mee om de aansluiting bij de leefwereld van de jongeren te vinden. Voor collega Wieman was het omgaan met de jongeren een vreugde. In de tijd dat hij in Alblasserdam stond kwam er op zondagavond een groep jongeren in de pastorie om samen met hem en zijn vrouw over de geestelijke dingen te spreken. Aan de catechisaties in Vlaardingen - midden in de randstad - bewaarde hij in later jaren nog de beste herinneringen. In zijn emeritaatsperiode was het juist het geven van de catechisaties dat hij node miste. Wanneer hij onder kerkelijk meelevende jongeren in geloofszaken een andere instelling aantrof dan hij zelf voorstond, wist hij er mee om te gaan. Als hij aan wilde geven dat hij bij sommigen van hen een bepaalde diepgang miste, - kort gezegd, dat gevoel nog geen geloof is - zette hij in met de woorden 'alleraardigste jongelui, maar...' en dan kwamen zijn bedenkingen.
Zijn betrokkenheid bij de jeugd laat onverlet dat zijn kracht lag in het bejaardenpastoraat. Na zijn emeritering heeft hij in dit opzicht nog veel arbeid verricht. En wel in IJsselstein en Ridderkerk (Singelkerk), later alleen in Ridderkerk. Zo heeft hij gedurende een tiental jaren ontelbaar veel bezoeken afgelegd. Van deze maakte hij schriftelijk melding, vaak met korte Latijnse uitdrukkingen. Als iemand enigszins lang van stof was, heette hij (of zij!) te lijden aan 'loquacitas', (= breedsprakigheid). Als een gesprek geen nieuwe gezichtspunten had opgeleverd was het: 'nihil novi'. Met grote dankbaarheid denk ik nog aan de goede verstandhouding die er was. In collega Wieman is een veelzijdige en begaafde collega heengegaan. Iemand van de oude stempel. Iemand die voluit hervormd-gereformeerd wenste te zijn zonder het geheel van de kerk uit het oog te verliezen. Ook iemand die hoofd- en bijzaken wist te onderscheiden. Een irenische instelling kenmerkte hem. Een voorbeeld voor anderen. Toch mogen wij niet in de mens blijven steken. Ook hij was iemand die het van de genade van God moest hebben. En die zich dat ook bewust was. Van deze genade getuigde hij in de prediking. Aan het slot van een preek die hij eens in Alblasserdam hield, zei hij: 'De aanbieding van de genade is welgemeend. De Heere houdt niets achter, wanneer Hij zegt: en die dorst heeft, kome en die wil neme het water des levens om niet. Wendt u naar Mij toe, wordt behouden, alle gij einden der aarde, want Ik ben God en niemand meer. En wij mogen weten: er is een gebed, dat altijd wordt verhoord, en wel het gebed: bekeer mij, zo zal ik bekeerd zijn, en vergeef mij al mijn zonden. Straks zal blijken dat geen traan tevergeefs geschreid was, als al Zijn werken Hem zullen loven en de duisternis geweken zal zijn. Dan zal er geen nacht zijn. Want de Heere zal zijn alles en in allen. Tot in eeuwigheid '. De Heere geve mevrouw Wieman, de kinderen en kleinkinderen uit deze troost van het evangelie en uit dit perspectief te leven. Treurend, maar niet als zij die geen hoop hebben.
P. H. VAN HARTEN, RIDDERKERK
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 juli 2001
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 juli 2001
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's