Boekbespreking
Anton Houtepen, Theologen op zoek naar God - Twintig portretten van katholieke theologen uit de tweede helft van de 20e eeuw. Uitgave Meinema, Zoetermeer, 241 pag., ƒ37.50
Een overzicht van de theologiegeschiedenis biedt interessante lectuur op eigen historische afstand worden lijnen en ontwikkelingen duidelijker en verschaffen inzicht in de actuele situatie. Houtepen biedt een overzicht over de ontwikkelingen in de katholieke theologie sinds 1950. Als leidraad van de theologische ontwikkelingen kiest hij de godsvraag. 'Welke richtingwijzende, ons thans aansprekende en mogelijk oecumenisch vruchtbare theologische ontwerpen treffen we in de tweede helft van de 20e eeuw aan onder rooms-katholieke theologen, die zich hebben gebogen over de vraag hoe God te denken valt? ' Houtepen ziet rond 1950 een ingrijpende verandering optreden in de theologiebeoefening. Dat wordt in zijn kerk gemarkeerd door Vaticanum II (1962-1965). 'Aggiornamento' wordt in die dagen het trefwoord: het bij de tijd brengen van geloof en kerk. Het schept voor theologen ruimte die tevoren ongekend was. Het concilie rekent af met starre denkschema's van de neo-scholastiek en laat de krampachtige afweerhouding tegen de idealen van de Verlichting los. Als er in de tijd na Vaticanum II toch heftig verzet komt tegen nieuwe ontwerpen van theologisch denken en er binnen sommige vleugels in de kerk krachtig op de rem getrapt wordt, dan komt dat volgens Houtepen omdat men de metamorfose van het Godsgeloof zelf als gevolg van een veranderend mens- en wereldbeeld niet onderkent in samenhang met andere, vooral niet-westerse, benaderingen van het Godsgeheim. Houtepen verdeelt zijn boek in drie delen: denkers binnen de Europese cultuur (Karl Rahner, Hans Urs von Balthasar, Henri de Lubac, Marie-Dominique Chenu, Hans Küng, Piet Schoonenberg, Edward Schillebeeckx en lohann Baptist Metz). In een tweede onderdeel noemt hij denkers uit de nieuwe werelden van Latijns-Amerika, Afrika en Azië (Leonardo Boff, Engelbert Mveng, Aloysius Pieris en Raymundo Panikkar). Dan is er nog een derde en laatste deel dat aandacht geeft aan denkers uit de context van het postmoderne denken, gekenmerkt door pluralisme, fragmentarisering en ideologiekritiek (Paul Knitter, Jean- Luc Marion, Louis-Marie Chauvet, Jacques Pohier, David Tracy, Mary Daly, Tine Halkes en Raymund Schwager).
Steeds wordt van al deze denkers een korte biografie gegeven met een overzicht van hun belangrijkste publicaties. Het boeiende van Houtepens methode is dat van iedere denker kort en bondig het theologisch kader wordt vermeld waarbinnen de betreffende persoon heeft getheologiseerd. En ook wordt haar of zijn specifieke context genoemd die een rol speelde bij de vraagstelling. Ook wordt van ieder kort samengevat de betekenis gegeven van zijn of haar bijdrage. En er wordt literatuur vermeld die verscheen óver de persoon en zijn werk. Houtepen besluit zijn studie met een korte terugblik en stelt de vraag: wat heeft een halve eeuw theologie ons nu gebracht? Hij vindt op z'n minst dit: dat we over God behoedzaam en terughoudend moeten spreken. Er is een nieuw soort 'negatieve theologie' ontstaan. Theologie die weet hoe het in elk geval niet en niet meer moet. Van de oude dogmatiek blijft daarbij nauwelijks meer iets overeind staan. Dat zal duidelijk zijn. Wat hij aan het begin van zijn boek al zegt, herhaalt hij nogmaals aan het eind: nooit eerder in de geschiedenis, behalve wellicht in de vroege kerk, is er in korte tijd zo'n ingrijpende verandering van het Godsbeeld opgetreden. Te danken aan de godsdienstkritiek na de Verlichting, een nieuwe omgang met de Schriften, een herlezing van de theologiegeschiedenis, een luisteren naar de religieuze ervaring van mensen in zes continenten én van gelovigen uit andere religieuze tradities. Vanuit reformatorisch standpunt zijn er de nodige vragen te stellen: is het kritisch tegenover van de Godsopenbaring vervat in de Schriften niet geheel weggespoeld door zozeer uit te gaan van wat er aan religieus besef en uitingen daarvan aangetroffen wordt in de wijde mensenwereld. Anderzijds zijn er ook indrukmakende pogingen om heel dicht bij het levensgevoel van de mens van vandaag te komen, zodat bij hen in ieder geval niet geldt wat ons nogal eens verweten is: jullie bedenken vragen bij antwoorden die je zelf al had geformuleerd in je dogmatiek.
J. MAASLAND
Just van Es, Anders dan wij denken. Over ironie en betrekkelijkheid in geloof, Uitg. Meinema, Zoetermeer 2000, 124 blz., ƒ 29,90.
De schrijver is synodaal-gereformeerd predikant, en pakt met dit boek als ik het goed zie de draad weer op waar hij hem in zijn proefschrift had laten liggen. Dat proefschrift dateert alweer uit 1979, en eindigde met een hoofdstuk over het metaforisch karakter van ons spreken over God. Dit nieuwe boekje gaat verder door op deze thematiek, maar stelt intussen een ander begrip centraal, nl. dat van de ironie. Onder ironie verstaat Van Es dat iemand met opzet iets zegt, wat precies tegengesteld is aan wat hij of zij bedoelt. Bijvoorbeeld: 'Wat ben jij een held!', tegen iemand die net met de staart tussen de benen gevlucht is. Van Es laat zien dat dit type taalgebruik een grote rol speelt in de evangelieën. Hij wijst bijv. op het opschrift dat men boven het kruis van Christus spijkerde: 'Koning der loden'. Dat was duidelijk ironisch bedoeld, want men hield Christus juist niet voor een koning. Maar degene die het evangelie van meet af aan gelezen heeft weet intussen beter: Christus' koningschap is niet van deze wereld! In Zijn Koninkrijk zijn de rollen omgedraaid. Daarom is het inderdaad deze uitgeworpen kruiseling die de enige ware koning is! Eigenlijk is hier dus sprake van een dubbele ironie. De soldaten met hun simpele ironie zijn zelf het slachtoffer van de ironie van de evangelist. Want zij spreken ongewild de waarheid met hun ironisch bedoelde opschrift. Prachtig Iaat Van Es in een doorgaande lezing van het Johannesevangelie zien, hoe dit soort patronen daar overal aan te treffen zijn. Ook het bekende 'Wien zoekt Gij? ' in hfdst. 18 bijv. heeft meerdere lagen, en alle dominees die deze vraag in de lijdenstijd doorvertalen naar de vraag wie hun gemeenteleden nu eigenlijk zoeken, vergeestelijken de tekst niet maar hebben vanuit Johannes gezien juist groot gelijk... Zo laat Van Es allerlei verrassende gegevens en verbanden oplichten, die duidelijk maken op wat voor subtiele manieren lóhannes zijn boodschap kracht verleent.
In een volgend hoofdstuk doet Van Es iets soortgelijks ten aanzien van het Markusevangelie, maar dan weet hij helaas minder te overtuigen. Dat geldt ook enigszins voor de tegenstelling die hij tussen beide evangelieën aanbrengt. Johannes zou zijn ironie vooral gebriiiken om te onderstrepen dat we in Jezus werkelijk met God van doen hebben. Marcus daarentegen zou het veel meer doen om die boodschap juist te relativeren, en ons ervan te doordringen dat we vooral niet moeten denken het geheimenis van het evangelie begrepen te hebben. Ook al probeert Van Es beiden recht te doen, bij 'zijn' Marcus voelt hij zich duidelijk veel beter thuis dan bij lóhannes. Nog lastiger wordt het wanneer hij in de slothoofdstukken hedendaagse metafoortheorieën (die hij overigens helder uidegt) nogal kritiekloos overneemt, om van daaruit te concluderen dat God er helemaal niet is buiten de metaforen waarin wij over hem denken (91). Dat slaat door, volgt helemaal niet uit het voorafgaande, en doet bovendien tekort aan het bijbels gegeven dat God Zich geopenbaard heeft. In ander verband wees drs. P. J. Vergunst er onlangs op, hoezeer het in bepaalde kringen mode is geworden te benadrukken dat het in het geloof gaat om een geheimenis waarover je eigenlijk vrijwel niets kunt zeggen. Hij voegde daar terecht aan toe, dat men daarbij voorbijgaat aan het feit dat dit geheimenis ons volgens het NT in Christus nu juist geopenbaard is. Dat punt komt ook in dit boekje tekort, en daarom eindigt het wat mij betreft onbevredigend. Mijn advies is daarom: laten we onze winst doen met de mooie dingen die Van Es schrijft over het Johannes-evangelie, en de rest maar overslaan of vergeten.
G. v. D. BRINK, BILTHOVEN
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 juli 2001
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 juli 2001
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's