Alle weer is Gods weer
Als er niets meer is om over te praten hebben we altijd het weer nog. Zo zou het kunnen lijken dat, nu er in vakantietijd weinig aan de orde is, het weer een welkom thema is Wat wordt er in vakantietijd immers niet over het weer gepraat. 'Hoe was het weer'? de steevaste vraag aan hen die van vakantie terugkeerden. En het is dan toch maar mooiste als het mooi weer is geweest. De diepere oorzaak voor het schrijven van dit artikel is een andere. Alle weer is God weer, luidt een gezegde. Of het altijd ook zo beleefd wordt?
Nieuws
Het weer haalt vooral het nieuws wanneer er grotere of kleinere rampen mee gepaard gaan: machtige stormen, die vernielingen aanrichten in de natuur of mensenlevens kosten, overstromingen die het leven ontwrichten, sneeuwlawines, die dorpen bedelven, langdurige regenval die de oogst bederft of grote droogte die de gewassen niet tot ontplooiing doet komen. Gaan we zo ook in de kerk niet met het weer om? Bij rampen of dreigende rampen tengevolge van krachten in de natuur is er (terecht) de voorbede. Wanneer rampen echt grootschalig zijn wordt steevast de vraag gesteld hoe we Gods Hand hierin hebben te zien. Regen en droogte zijn toch ook - zegt Zondag 10 van de Heidelberger, hoewel bij velen aangevochten - van Gods Vaderlijke hand? Hoeveel preken zijn er niet bewaard uit de loop der tijden, waarin specifieke noden vanwege natuurrampen als sprake Gods aan de orde werden gesteld, terwijl er soms in verband daarmee specifieke bidstonden werden uitgeschreven?
Aangevochten
Nu is de overtuiging dat alle weer Gods weer is, dat wil zeggen dat hij Zijn Hand in de weersgesteldheid heeft, bepaald geen algemene overtuiging meer, zelfs niet in de kerk. De natuur wordt als van eigen aard beschouwd, gehoorzamend aan eigen wetmatigheden. In de zestiger jaren ontstond grote deining in de Hervormde Kerk toen de synode had opgeroepen tot gebed in verband met een periode van grote droogte en prof. dr. P. Smits - de Leidse hoogleraar die ook de verzoening door voldoening loochende - een artikel in het vrijzinnige blad Kerk en Wereld schreef onder de titel 'Synodale afsmeking der goden'. Hij kon de oproep wel beamen als het ging om solidariteit met de boeren. Maar verder was zijn commentaar: 'De natuur is vol verschrikkingen en gaat haar eigen natuurlijke weg. Maar de kerk heeft zich nog niet gesynchroniseerd aan de feitelijke stand van de ontwikkeling der mensheid in maatschappij en cultuur'.
Voor wie louter bij het verstand te rade gaat, leek hij gelijk te hebben. De natuur volgt wetmatigheden. Zo, dat het weer in zekere zin te voorspellen is, op wetenschappelijke gronden bij metereologische instituten of door acht te geven op verschijnselen in de natuur zelf, op grond waarvan soms de meest ongeoefende mensen weten welk weer er op komst is. Bliksem en donder zijn wetenschappelijk te verklaren, evenals windrichtingen en waterstromen en de komst of het uitblijven van regen. Maar daarmee is bepaald niet alles ge- . zegd. Want alle weer is Gods weer, omdat is ook de natuurwetten van Hem het zijn en door niemand te 'verklaren' zijn. Hij liet Zijn schepping ook niet s als een uurwerk aflopen maar houdt er de hand in door de natuurwetten in te schakelen in Zijn plan met mens en wereld.
Zo hebben grote natuurwetenschappers de wetmatigheden in de natuur beleefd. Anders, want uit Gods Hand, dan de hedendaagse grote natuurwetenschapper Stephen Hawking, die op zoek is naar de ene grote wetmatigheid, die in de plaats van God komt.
Stilte
Wie echter Gods Hand in de natuur belijdt, belijdt wel dat alle weer Gods weer is, het 'mooie' en het 'slechte' weer. Elia mocht op een bepaald moment zelfs ervaren dat God niet was in de storm maar in het suizen van een zachte stilte.
De vraag is of we niet eerder geneigd zijn om tot God te bidden wanneer er nood-weer is dan dat we Hem danken wanneer er fraai weer is. Deze weken was er dagenlang zulk een fraai zomerweer, dat de stilte soms hoorbaar was, dat bomen roerloos stonden en er sprake was van het suizen van zachte stilte, terwijl van tijd tot tijd ook een zachte regen neerdaalde. Wanneer er sprake is van een zomer zonder zon of een winter zonder vorst is de commentaar al snel, dat ons klimaat - onder invloed van allerlei ontwikkelingen in de dampkring - van slag is of aan grote verandering onderhevig is. Als er echter weer fraaie zomerweer is, is er geen krant die daarvan gewag maakt en doen we er in de gemeente voor Gods Aangezicht ook het zwijgen toe. Dan is het als bij de tien melaatsen: 'waar zijn de negen? ', die terug hadden moeten komen om te danken maar het niet deden.
Wat kan de natuur spreken in haar van God gegeven schoonheid, juist als de zomer om de dorpen bloeit, om een dichtregel van Gerrit Achterberg aan te halen. Ida Gerhardt dichtte 'Een liedje van het water':
Ik lag de lieve lange dag Tussen het bloeiend jluitekruid; Er zweefde een liedje voor mij uit, Nu hoort naar wat ik zingen mag:
Wie nooit de lieve lange dag Bij 't spiegelklare water lag, zijn uur is kort, zijn vreugd heeft uit, want nimmer zag hij wat ik zag tussen het bloeiendjluitekruid.
Wie naar het klare water gaat Hem zullen de ogen open gaan, Want zeker zal hij hier verstaan, geknield tussen wat groeit en leeft, hoe God het schoonste zingen geeft bij water, bloeiend kruid en riet om niet!
Belijdend
Alleen wie God uit Zijn Woord kent en Zijn scheppende hand in de natuur belijdt, zal Zijn wonderen in de natuur ontdekken. Geknield tussen wat groeit en leeft, schreef Gerhardt. Zo is de vakantiebeleving van 'mooi weer' de beste ervaring. Luisteren naar de stilte. Zou dat ervan komen wanneer mensen
in vakantietijd rij aan rij, rug aan rug soms zitten? De kerkdienst mag dan ook een plek zijn om met het fraaie weer en de stilte van de natuur voor Gods Aangezicht te komen.
Uw goedheid kroont de jaargetijden, waar Hij Zijn voetstap zet, daar zal het al ten zegen dijen (...) De heuvels steken blijde toppen Met lachend groen omhoog (...) Uw eer klimt uit het stof, Zij zingen, Uwen naam ten prijze, Uw goedheid en Uw lof.
In onze hightech-, snelweg-, hoogbouw- en lawaaicultuur raakt de mens steeds meer vervreemd van de schepping als gave van God. Maar Zijn stem is zowel in de stilte als in 'het bruisen van de grote wateren', waarvan de Schepper zowel de golven opzweept als ook weer tot bedaren brengt. De zee heeft hier haar eigen goddelijke sprake. Ooit toefde ik aan de boulevard langs de zee ergens in den vreemde, toen een (kennelijk) aan de spraak te horen Katwijks echtpaar me passeerde. Hij tot haar: maar vrouwtje, hoor je dan niet dat de zee spréékt?
Ik sluit af met het fraaie, bekende gedicht van Nicolaas Beets, De Moerbeitoppen ruischten:
'De moerbeitoppen ruischten'; God ging voorbij; Neen, niet voorbij, hij toefde; Hij wist wat ik behoefde, En sprak tot mij;
Sprak tot mij in den stillen, Den stillen nacht; Gedachten, die mij kwelden, Vervolgden en ontstelden, Verdreef hij zacht -
Hij liet zijn vrede dalen Op ziel en zin; 'k Voelde in zijn vaderarmen Mij koestren en beschermen, En sluimerde in.
Den morgen, die mij wekte Begroette ik blij. Ik had zoo zacht geslapen, En Gij, mijn Schild en Wapen, Waart nog nabij.
Zou er ooit een dankstond zijn gehouden voor een 'mooie', stille zomer?
v.D.G.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 augustus 2001
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 augustus 2001
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's