Hebt gij Mij lief? [2]
[1 Samuël 18]
De vorige keer heb ik u verteld dat er vijf personen zijn die David liefhadden. Maar die liefde tot hem is zo verschillend. We trokken de lijnen door naar de Heere Jezus, Davids grote Zoon en Heere. Hij is Iemand, voor Wie je of valt of je blijft: je verzetten. Je bent óf voor Hem óf tegen Hem. Neutraal gebied is er niet. De eerste van wie we lezen dat hij van David hield, was koning Saul, maar zijn liefde sloeg om in haat, omdat hij zelf koning wilde blijven en niet toeliet dat David nummer één in zijn leven werd. Hij werd en bleef een vijand van David tot aan zijn laatste ademtocht. Het was liefde op het eerste gezicht, maar niet op de lange baan. Nu de tweede soort mensen en dat zijn de knechten, de dienaren van Saul. In 1 Samuël 18 : 22 staat: 'En al zijn knechten hebben u lief'. Zo ook in vers 5: 'En David was aangenaam in de ogen der knechten van Saul'. Weet u, al die knechten hadden er in het vorige hoofdstuk bijgestaan toen David Goliath versloeg. Ze hadden hun adem ingehouden, toen de jonge herdersjongen tegenover reus Goliath stond. Die soldaten stonden ook beschaamd natuurlijk. Zij hadden de taak Goliath en de vijandige Filistijnen te doden en te overwinnen, en niet een herdersjongen had dat moeten doen. Toen David het hoofd van Goliath omhoog hield, ja toen was de overwinning zeker. Toen was Hij hun held! Zoals je als kind voor het eerst hoort, wat Christus eigenlijk allemaal gedaan heeft, dan is hij jouw held, want Hij heeft overwonnen en is veel sterker dan de duivel! De dienaren hebben David nooit gehaat! Maar ze hebben wel wat anders gedaan, wat eigenlijk net zo gevaarlijk is. We lezen in hoofdstuk 19 : 1 dat Saul woedend werd te midden van al zijn dienaren, die van David hielden. 'We moeten die David grijpen', zei Saul, 'ik wil hem doden!' En wat gebeurde er dan? Niets! En dat is erg, ze hielden allemaal van David en nu is er een kans om te zeggen: 'Saul, daar doen wij niet aan mee, want wij hebben David lief'. Ze konden dat wél doen, want ze deden het ook in hoofdstuk 14 in het geval bij Jonathan, toen namen ze het voor Jonathan op tegen de koning. Nu was er een moment om ervoor uit te komen, dat je David lief hebt en nu houden ze hun mond. Maar... dan kom je wel te staan aan de kant van Saul! Later trekt Saul erop uit om David te vangen en de soldaten gaan mee tot tweemaal toe! Wat een lafaards.
Daar zit een les in: je kunt maar het beste er gelijk voor uitkomen dat je christen bent op school en op het werk en bij de buren. Juist in deze tijd vlak na de vakantie, in je nieuwe schoolgroep of bij je pas begonnen studie of bij verandering van baan. Misschien is het best wel gevaarlijk om dat te zeggen, het kan je offers kosten. Maar als je niets zegt en niets laat merken, dan kom je ongewild aan de kant van de wereld te staan. En voordat je het weet, doe je mee en raak je eraan gewend om aan de kant van de vijand te staan. Helaas, je kunt zeggen de Heere Jezus lief te hebben, maar die liefde moet blijken, moet handen en voeten en een mond krijgen om zich te uiten en zo niet, dan kan die liefde verkouden en voordat je het weet, loop je achter Saul aan te hollen om samen met hem David te grijpen! Maar je loopt dan wel aan de verkeerde kant. Passen wij dan op om onze eerste liefde te verlaten! De derde groep mensen is het volk. Dat lezen we in hoofdstuk 18 : 16. Eigenlijk spreekt dat vanzelf, want David had ze verlost van Goliath. Hier zien we de massa 'gelovigen' in de kerk: iedereen heeft toch Jezus lief, natuurlijk, want Hij heeft overwonnen op Golgotha, dan houdt je toch van Hem? Dat is toch normaal, doodgewoon? (Ach, werd het voor u maar eens buitengewoon!) Hij is toch niet voor niets gestorven?
Wat heb ik daarop aan te merken? Jawel, iedereen hield van Hem, maar niemand had een persoonlijke relatie met David, geen hartelijke en innige liefdesband met hem, geen tere betrekking op hem. Ze bejubelden hem aan de kant van de weg, als hij voorbij kwam, maar niemand gaf hem een hand of wisselde een woord met Hem. Het u; as liefde langs de zijlijn, op een afstand!
Zo kan het zijn met uw liefde tot Christus, wel op een afstand, u vloekt niet, u zegt geen kwaad woord over Hem, u vindt dat Hij veel goede dingen gedaan heeft in Zijn leven hier op aarde, maar u hebt geen persoonlijke genegenheid, geen liefdesrelatie met de Heere. U mist de intimiteit, de vertrouwelijke omgang met Hem. O lezer, wat is dat belangrijk. Voor kerkgangers en kinderen, kerktelefoonluisteraars en lezers, mannen en vrouwen. Het christelijk geloof is geen religie, maar een levende en liefdevolle relatie. Het is niet een aantal plichtplegingen doen zoals elke dag bidden en na de maaltijd bijbellezen en naar de kerk gaan en psalmversjes leren en deelnemen aan het verenigingsleven en naar preken luisteren. Het is meer, het is het zoeken van Zijn aangezicht en het uitstorten van je hart voor Hem, het is een wandelen met Hem, een vertrouwelijk en oprecht omgaan met de Heere. Het is Hem alles vertellen en Hem nergens buitensluiten. Is het uw vreugde met Hem te mogen praten en in Zijn tegenwoordigheid te mogen komen: wat blijdschap smaakt mijn ziel wanneer ik voor U kniel. Luistert u naar Hem en zegt uw hart: spreekt mij van Jezus mijn Heiland, want ik hoor toch zo gaarne Zijn Woord? Bent u persoonlijk en oprecht aan Hem verbonden, verknocht? Kent u iets van die vreugde in Zijn gemeenschap en ook
iets van het verdriet Zijn liefde te moeten missen. Vertelt u uw allerdiepste gevoelens en vragen en problemen en verlangens aan Hem? Ik vraag u niet of u in het verbond bent, maar of u een band hebt met Hem, een tere lief-desband? Of blijft Hij een Heiland, een Held, maar voor u vaag en vreemd en ver weg? U weet veel van Hem, maar u kent Hem niet echt? ! Mag het dan ons gebed zijn, in de aanvang en voortgang van het geestelijke leven: 'Als ik Hem maar kenne/ Hem de mijne (dat is persoonlijk!) weet/ Als mijn hart zich Hem gewenne/ Nimmermeer Zijn trouw vergeet/ Vrees ik niet voor lijden/ Voel slechts deemoed, liefde (1), en verblijden!' Of om het met deze dichtregels te zeggen: 'Schoonste Heer Jezus/ Heer aller sferen/ Zoon van God, Maria's Zoon/ U wil 'k beminnen/ U wil ik eren/ Gij mijner zielevreugd en kroon.'
M. M. VAN CAMPEN, HEDEL
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 augustus 2001
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 augustus 2001
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's