Uit de pers
Literaire christenen
In het christelijk literair tijdschrift Liter (mei 2001 nummer 17) staat een bijdrage te lezen van Arie Maasland waarboven staat: Kritische vragen aan literaire christenen. Samengevat stelt hij het volgende aan de orde: christelijke liefhebbers van literatuur bezinnen zich te weinig op de gevaarlijke en schadelijke aspecten van de moderne literatuur, recensenten hebben te weinig oog voor de vraag of een literaire tekst wel genoeg de eer van God bedoelt, christen-auteurs getuigen te weinig van de hoop die in hen is en christen-critici hebben te veel voorliefde voor teksten met een dubbele bodem. Het komt op de al veel eerder aan de orde gestelde vraag neer: mag een christen zich wel inlaten met moderne literatuur, met boeken die geschreven zijn vanuit een niet-christelijke levensovertuiging? In het Nederlands Dagblad ontstond een korte kettingreactie op dit artikel van mensen die of beroepsmatig of uit belangstelling geregeld kennisnemen van (moderne) literatuur. Uit één ervan, volgens mijn waarneming tegelijk de laatste, in het ND van 18 juli 2001, wil ik een aantal opmerkingen citeren en wel uit de bijdrage van neerlandicus Dick de Lange:
'De thema's in de huidige literatuur weerspiegelen de problematiek uan de moderne niet-gelovige mens in onze samenleving: - Autoriteit, gezag en normen worden slechts erkend voorzover ze als voordelig ervaren worden. - Het bestaan is onderhevig aan een fundamentele zinloosheid. - Omdat nu de mens zelf in de eerste linie staat - vroeger erkende hij een God boven zich - zoekt hij heroriëntatie en eist me hierom volstrekte individuele vrijheid. Er is sprake van een nieuw type mens: de experimenterende mens. - De mens onder de "lege hemel" leeft eenzaam. - Leven en dood hebben een ander perspectief. Willem Frederik Hermans zegt ergens: We hebben ons er bij neer te leggen, dat het leven een reis is die met een mislukking eindigt. Ik denk dan ook dat het voor christenen voldoende is om in onze maatschappij te jünctioneren alleen maar vanuit de algemene gedachte dat deze wereld in zonde en ellende gedompeld is. Dat beeld uerdient nauwkeuriger ingevuld te worden. Wie zich nooit gerealiseerd heeft, wat er • wegvalt wanneer iemand het geloof in een Schepper van al het bestaande verliest of mist, kan nooit begrijpen waarom men bijv. komt tot zo'n fanatiek streven naar een aardse heilstaat waarin welvaart en geluk samengaan. Als alles om je heen tóch zinloos is, wat zul je je dan nog om normen en waarden bekommeren? In het onderwijs moeten de thema's die onze geseculariseerde samenleving beheersen, aan de hand van de moderne literatuur besproken én geanalyseerd worden. Daarbij behoort ook het vaststellen van het grondprobleem van deze samenleving: de dwaling dat het leven existentieel zinloos is.'
De vraag die ook nu weer op tafel kwam, luidt: waarom zijn er zo weinig christelijke auteurs die een zeker literair niveau halen? Daarop reageert De Lange als volgt:
'Laten we de stelling dat er weinig christelijke schrijvers van niveau zijn, gemakshalve even als juist aanvaarden. Misschien kan het volgende een aanzet tot een antwoord zijn. Wie tevreden is met het leven dat hij leidt, zal hoogstwaarschijnlijk geen literatuur gaan schrijven. Heel veel literatuur wordt namelijk geschreven vanuit een persoonlijk ervaren tekort. Daarbij jünctioneert literatuur dus als compensatiemiddel. Een gelovig mens die in afhankelijkheid v Gods liefde en genade leeft, kan ook zonder dergelijke compensatie leven. Dat verklaart waarom niet iedere christen die literatuur zou kunnen schrijven, dat ook inderdaad doet.
Zelfs diegenen onder de christen-auteurs die schrijuen omdat ze zich tot getuigen geroepen weten, kennen niét altijd het scheppen van literatuur als bittere noodzaak om met het leven en met het eigen verleden klaar te k de men. AI gauw prikt dan het lezerspubliek door zulk geschrijf heen en noemt het onecht, opgelegd, zoetsappig. Wat maakte Herman Brood, de woestlevende junk, musicus, schilder, schrijver die nie meer verder wilde leuen, voor velen zo herkenbaar? Zijn wanhopig zoeken van een weg door dit leuen van chaos en zinloosheid. Er wordt van W. F. Hermans verteld, dat hij zich alleen bezighield met het schrijven van literatuur als hij een periode van geestelijke niet depressie doormaakte. Schrijven als therap
En blijkbaar is er dan nog een groot lezersvolk dat behoefte heeft aan zulke producten. Blijkbaar grijpt men vaak naar literatuur uit behoefte aan herkenning en zelfbevestiging.
Voor wie de grote levensstrijd al gestreden is, door de verzoening met God en het van Hem ontvangen leven, verschijnt literatuur meestal in een andere dimensie. Gelukkig de mens die zichzelf herkent in heldere spiegel van het mooiste literaire werk, dat ooit tot ons kwam: de Bijbel, en daar ook de troost uindt die nodig is om te leuen en te steruen.'
Ook al is de discussie die Maasland aanzwengelt al eerder gevoerd, het blijft nodig je zijn vragen te laten stellen als je zelf een verwoed lezer bent van eigentijdse literatuur. Geen enkele tekst is waardevrij. Veel boeken kunnen ongelezen blijven al is het alleen al door het vaak grove taalgebruik en de minderwaardige moraal die erin beschreven staat. Tegelijk blijft het eigentijdse levensgevoel niet een werkelijkheid buiten je, ook al probeer je elke dag een navolger van Christus te zijn en vooral te blijven.
Psalmen en poëzie
Opmerkelijk blijft de voortdurende aandacht ook in onze tijd voor de Psalmen. Het blad Interpretatie (tijdschrift voor bijbelse theologie) biedt een themanummer over de Psalmen (nummer 5, juli 2001). Kortgeleden werd een an symposium gehouden ter nagedachtenis van Dirk Monshouwer. Een aantal bijdragen daarvan is te lezen in deze aflevering, aangevuld met lezenswaardige bijdragen over 'Mystiek in de Psalmen' (Kees Waaijman) en 'De Psalmen in het pastoraat' (Hanneke Meulink-Korf en Aat van Rhijn). Mij trof de bijdrage van Bettine Siertsema over het thema Psalmen uan deze tijd. o- Ze begint haar bijdrage door te zeggen: De psalmen worden beschouwd als de oervorm van poëzie. Drieduizend jaar oud worden ze nog steeds gelezen en gezongen. Ze hebben ook t sterke sporen getrokken in de literatuur. Uiteraard is dat spoor verschillend te waarderen. Vorm en taalgebruik van de psalmen hebben dichters op een idee gebracht. Bij andere dichters roepen de psalmen jeugdherinneringen op. Weemoed klinkt door naar ie. vroomheid en geborgenheid die men zelf intussen is verloren, aldus Siertsema.
'Waar de psalmen als genre genoemd worden in de moderne Nederlandse poëzie, beurt dat meestal in de context van de herinnering aan het ouderlijk huis. Soms ontbreken zelfs het harmonium en de hele noten niet. De dichter heeft de wereld van de steile, die calvinistische vroomheid achter zich gel maar denkt met weemoed terug aan de dubbele geborgenheid van zijn jeugd: de geborgenheid van het kind bij zijn ouders en de geborgenheid van het geloof, dat het hele b staan omvat hield in één groots verband. In de mengeling van afkeer en verlangen uoert ironie de bouentoon. Dergelijke gedichten zijn met name te uinden bij Anton Korteweg enj. Eijkelboom.
VÖX HUMANA
In een klein dijkhuis staat, ziet hij door 't uituergrote raam, het oude orgel bijna naakt.
Over de toetsen ligt een loper. Tussen twee koop'ren kandelaars staat een gezangboek open.
Hij hoort weer het asmatisch steunen: loflied of klaagzang - eender zeurt deze muziek, tot hij die deur snel weer uergrendelt. En toch, 0 mocht hij nog een keer, geknield voor 't orgelfront,
de trappers voor de urouw bewegen die boven hem haar psalmen zong.
In dergelijke weemoed-gedichten wordt het psalmzingen steeds gekoppeld aan de moeder. Men had evengoed kunnen verwachten dat ze verbonden zouden worden met een strenge vaderfiguur. Door de associatie met de moeder worden de psalmen in het domein van de intimiteit gebracht en krijgen ze ondanks de ironie uiteindelijk een positieve ding. De psalmen worden symbool voor geborgenheid. Het meest ontroerende voorbeeld is "De moeder het water", een gedicht dat Rutger Kopland schreef naast "De moeder de vrouw" van Martinus Nijhoff. Hoewel hojf zijn moeder in zijn gedichten vaak zingend ten tonele voert, waarbij het vaak om religieuze liedjes gaat, is "De moeder de vrouw" zijn enige gedicht waarin een moederfiguur (een schippersvrouw die hem doe denken aan zijn moeder) ook echt psalmen zingt. Kopland legt daar een ervaring met
zijn eigen moeder tegenaan, waarbij hij sonnetvorm, het metrum, grammaticale constructies en zeljs rijmwoorden overneemt, terwijl hij toch een geheel eigen, zelfstandig gedicht schrijft. Anders dan bij Korteweg e Eijkelboom verlangt niet hijzelf terug naar de vroegere geborgenheid, maar wenst hij die geborgenheid voor zijn dementerende moeder.
DE MOEDER HET WATER
Ik ging naar moeder om haar terug te zi Ik zag een vreemde vrouw. Haar blik w wijd en leeg, als keek zij naar de verre overzijd van een water, niet naar mij. Ik dacht: misschien
- toen ik daar stond op het gazon, pilsje gedronken in de kantine van het verpleeghuis, de tijd ging langzaam in die godvergeten eenzaamheid - misschien zou 't goed zijn als nu Psalmen klonken.
Het was mijn moeder, het lijf e dat daar roerloos stond in 't gras, alleen haar dunne haren bewogen nog een beetje in de wind, als vo
zij over stille waatren naar een oneindig daar en later, haar God. Er is geen God, maar ik b zwoer Hem Zijn belofte na te komen, haar te bew ren.'
'Er wordt niet alleen teruggedacht aan de "psalmen van mijn jeugd", het genre van de psalmen wordt ook nieuw beoefend. Er zijn vele bewerkingen gemaakt die nauw aansluiten bij bepaalde psalmen, maar, die door een persoonlijke toepassing of door een taalgebruik dat de psalm binnen de eigentijdse wereld brengt, als een nieuw gedicht beschouwd zouden kunnen worden', schrijft Siertsema en geeft dan een aantal voorbeelden uit de moderne poëzie.
'Kennelijk passen klacht en smeekbede beter in onze tijd dan de lojzang, want het "de profiindis"-thema komen we veel vaker te gen. Het is geen "angst en nood" die door ziekte of vijanden veroorzaakt is, maar do de ervaring van Gods afwezigheid. He 538 de gedichten van een aangevochten geloof. Zo bijvoorbeeld in een sonnet van Michel van der Plas:
n O besta, besta. Mijn angst en verlangen roepen het onmogelijke naar nacht en niets. (...)
Bekende gedichten van Hans Andreus kunnen hier genoemd worden, zoals "Laatstegedicht" en "Steeds". Hij eindigt zijn "Een psalm" met de noodkreet, de oerschreeuw en van de psalmen:
as Maar wat moetje met dit e lied van tegenzin, deze zich krommende hanepoten, dit wrokkend gestotter?
Beter heb ik niet, maar één keer,
in het tenslotte verstommende woord, hoor mij, Heer.
Het is de geestesgesteldheid meer dan het woordgebruik waardoor de psalmen in Andreus' poëzie zijn te herkennen.'
er Ida Gerhardt stelt vanuit dezelfde wanhoop dezelfde vraag aan de orde in haar gedicht 'De profimdis':
e- 'De mens die waar zijn dode slaapt a- de anderen zachtzinnig weert, opdat de liefste niets geschiedt; en zwijgt, en binnengaat wanneer waar het met bloemen is verfraaid de schroeven worden aangedraaid, - om hem heb ik mij afgevraagd zo lang ik leef, en altijd weer, mij afgevraagd waarom gij niet - wachter, wat is er van de nacht? - komt en uw engelen ontbiedt.
Meer nog dan individuele lotgevallen is het voor velen de Shoah die de vraag naar Gods (niet) ingrijpen oproept. De "Psalm" van Paul Celan uit de bundel Die Niemandsrose (met de regel "Gelobt seist du, Niemand") is daarvan misschien het bekendste voorbeeld, maar niet-Nederlandse poëzie ualt buiten het bestek van dit artikel. Rutger Kopland legt het verband subtiel maar heel -schrijnend in de korte gedichtencyclus "Natzweiler", waarvan het eerste gedicht, met een or verwijzing naar psalm 23, die wel vaker in t zijn poëzie figureert, luidt:
En daar, buiten het prikkeldraad, het uitzicht, zeer liefelijk landschap, even vredig als toen.
Het zou hen aan niets ontbreken, ze zouden worden neergelegd in dat grazige gras, worden gevoerd aan die rivier van rust,
daar in de verte. Het zou.
En in het tweede gedicht speurt de ik de sters van de barakken en gaskamer af, maar ziet alleen "zwarte spiegeling van verte (...) van vredig landschap, en daarachter, niemand".'
Ten slotte, wie aandacht vraagt voor de relatie tussen de psalmen en de eigentijdse poëzie kan niet om de in de Verenigde Staten woonachtige hematoloog/dichter Leo Vroman heen.
'Men kan niet over nieuwe, eigen psalmen schrijven zonder de naam van Leo Vroman te noemen. Ik elk van zijn laatste drie bundels nam hij veertien psalmen op, waarin "Systeem!" aangeroepen wordt en naast alledaagse ook een wat plechtstatige taal ge zigd wordt die de sfeer van de psalmen o roept. In een virtuoze en speelse vorm stelt Vroman existentiële vragen aan de orde, ove de kosmos, over leven en dood. Het meest in het oog springende verschil met de onpersoonlijke psalmen is natuurlijk dat tussen zijn onpersoonlijke Systeem, dat globaal lijkt samen te vallen met het hele samenstel van natuurwetten, en de antropomorfe God van de psalmen. Maar Systeem blijkt bij nader inzien niet zo erg onpersoonlijk te zijn: het heeft een stem en adem, kan woorden spreken, heeft een wil en een bedoeling en is zeljs eenzaam. De oorspronkelijke psalmen en Vromens aanroepingen tot Systeem hebben gemeen dat beide (soms haast wanhopige) pogingen zijn met Hem/Het in contactte komen.
(Uit Psalm V: Want soms ben ik uit pure nood Uw jongste of zwakste kind en wil zo vreselijk op Uw schoot desnoods de kleine billen bloot bemoederd en bemind (...) Aanvaard mij daarom als een vriend liefst onervaren, onverdiend, maar wetend hoe ik U mis (...) Maar Vroman komt in "Psalm 14", de laatste van de eerste reeks, die hij, hoeveel er ook nog mogen volgen, als het sluitstuk van al zijn psalmen beschouwt, tot de conclusie dat er geen contact mogelijk is. In een impliciete ontkenning van Exodus 33 : 11 (EnjHWH sprak tot Mozes van aangezicht tot aangezicht, zoals iemand spreekt met zijn vriend.) schrijft hij:
Ik zwijg, ik zie U al verdwijnen zonder een zweem van aangezicht: ven- geen huid glanst en geen ogen schijnen, niet in mijn droom, niet in mijn brein en niet in dit gedicht.
Het "verdwijnen zonder een zweem van aangezicht" stort de dichter niet in een grote crisis, het wordt met dezelfde blijmoedigheid aanvaard als waarmee hij de dood accepteert als onontkoombaar en noodzakelijk horend bij het bestaan. Geen wonder dat zijn verdere psalmen geleidelijk meer het karakter van filosofische bespiegelingen krijgen. Daarme raken ze, hoewel de vorm van de aanroeping wel gehandhaafd blijft, steeds verder weg van de oorspronkelijke psalmen.'
Inderdaad, we zijn hier ver weggeraakt bevan de bedoeling van de Psalmen. p Maar het blijft intrigeren hoe dit oude liedboek mensen van deze tijd, die r zeggen niets meer te hebben met de God van de psalmen, toch blijft bezighouden. Is het soms omdat God in gesprek blijft met al Zijn schepselen. Omdat het niet mogelijk is uiteindelijk Hem het zwijgen op te leggen. Alleen al daarom kan het soms zo ontzettend boeien het twistgesprek te vernemen dat God tot op de dag van heden heeft met Zijn schepselen. Fragmenten van dat geding kom je tegen in literatuur die vandaag verschijnt. En als christen voel je je daar niet boven verheven of buiten staan, integendeel.
J. MAASLAND
P.S. Liter en Interpretatie zijn beide uitgaven uan Boekencentrum Uitgevers te Zoetermeer, Postbus 29, 2700 AA Zoetermeer, tel. 079-3615481
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 augustus 2001
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 augustus 2001
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's