Boekbespreking
piek van Arkel, » Voor ons de zondvloed. Een onderzwk haar de ontwikkelingen in de doopliturgie aan de hand van het zondvloedgebed, " Uhg. Boe^gjjcentrum, Zoetenneer 200i\
Als^fste wetensaugpelijke piratëcatie vap, heOTRTI (International Reformed TftwSgP cal Institute) verscheen deze dissertatie van de hand van de hervormde predikant te Voorthuizen (Ichthuskerk). Hij doet in zijn boek verslag van een onder- k zoek naar de hedendaagse liturgische ontwikkelingen, waarbij hij zowel naar het veld van de oecumene kijkt als naar dat van de gereformeerde traditie. Om zijn onderzoek ik ver- concreet te maken kiest hij voor een bepaald onderdeel van de liturgie, namelijk dat van de doop en dan nog in het bijzonder voor het zondvloedgebed. De spits van z vraagstelling raakt de verhouding kerk en Israël, waarbij die van besnijdenis en doop - bepalend is.
Het boek bestaat na een Inleiding uit zes hoofdstukken, waarna bijlagen volgen. In het eerste hoofdstuk bespreekt Van Arkel de geschiedenis van het zondvloedgebed in de doopliturgie. Het komt voor in Luthers Taufbüchlein van 1523 en bij L. Judae, ook in 1523. Het verschil tussen beiden is dat Luther in het zondvloedgebed ook spreekt over de doop van Jezus in de Jordaan. L. Judae heeft dat gedeelte weggelaten. In deze vorm is het overgenomen door Zwingli, Olevianus en Datheen. Vandaar dat de Jordaan- Passus ook niet voorkomt in ons klassiekgereformeerd doopformulier. De reden waarom het in de gereformeerde traditie niet voorkomt zal wel zijn dat men bevreesd was voor 'waterwijding'. Nu verschenen in het recente verleden de Proeven uan Eredienst, ook voor doop en belijdenis (3). Daarin is de passage van de doop van Jezus in de Jordaan wel weer opgenomen. Men rond het een verminking dat het was weggelaten. De vraag van Van Arkel is of dit punt niet te maken heeft met de verhouding tussen Israël en de kerk, tussen het Oude en het Nieuwe Verbond, tussen schepping en verbond. In hoofdstuk 2 gaat Van Arkel dan ook in op de theologie van het verbond. Het is een historisch stuk, waarin aan de orde komt hoe Luther, Melanchthon, Zwingli, Bullinger en Calvijn over het verbond gedacht hebben. We vinden er veel waardevol en interessant materiaal in, waarbij meteen de vraag rijst, waarom de gereformeerde traditie na Calvijn niet aan de orde komt (denk aan Coccejus). Van Arkel gaat zelf door naar Bartfa en constateert een verschil tussen Barth en de gereformeerde traditie dat met name naar voren komt in zijn doopleer. Barth plaatst de doop in de ethiek (K.D. IV. 4). Het is de doop van volwassenen. De lijn naar het verbond met Israël is verlaten. Bij Israël ging het om een natuurlijk volk, bij de kerk om een geloofsgemeenschap. Van Arkel betreurt deze ontwikkeling. Liever ziet hij vanuit het kruis ijn van Christus de diepe eenheid tussen Oude en Nieuwe Verbond, zodat vanuit de parallellie besnijdenis-doop de kinderdoop van kracht blijft.
In hoofdstuk 3 bespreekt de auteur de wijze waarop gebeurtenissen uit het Oude Testament een typologie vormen voor de doop. Aan de orde komen de oervloed, de zondvloed, de uittocht. Het gaat steeds om oordeel en redding in het water. In Christus is sprake van vervulling, zonder de band met Israël te verliezen. Wanneer dit kader wordt aangehouden kan de uitdrukking dat de doop in de plaats van de besnijdenis is gekomen gehandhaafd worden. Dan blijft de besnijdenis klinken en is er sprake van parallellie tussen besnijdenis van kinderen en doop van kinderen. In het volgende hoofdstuk keert Van Arkel weer terug naar de hedendaagse ontwikkelingen in de doopliturgie. Naast het LIMArapport van 1982 komt de Proeve v.d. eredienst 3, doop en belijdenis weer aan de orde. In deze liturgie staat het Paasnachtmodel centraal. D.w.z. de volwassendoop is primair (Barth), de kinderdoop secundair. In plaats van het verbond gaat het om de gelovende gemeente.
In de gereformeerde traditie liggen deze dingen anders. In hoofdstuk 5 brengt Van Arkel dit dan ook in in het hedendaags gesprek. In artikel 33 en 34 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis is de kinderdoop primair, gefundeerd op de eenheid van het Oude en Nieuwe Verbond. Bij Calvijn is er vanwege deze eenheid, gefundeerd in Christus, geen vervanging van de kerk door Israël. Laat het verbond ook nu dienst doen als brug tussen kerk en synagoge. In deze visie op het verbond past de Jordaan-Passus niet. Ze staat haaks op de gedachte van de besnijdenis. Het laatste hoofdstuk luidt Vóór ons de zondvloed. Vanuit het tegoed van het Nieuwe Testament richten we vanuit het gedoopt zijn de blik vooruit. Maar dat betekent wel: het dragen van het kruis. De zondvloed ligt niet achter ons, maar vóór ons. Het hele leven is een doop. Er is geen reden tot triomfalisme. Tegen Barth en zijn navolgers zegt hij: gaat het eigenlijk wel om de kerk? Het gaat God toch veelmeer om het volkerenverbond? De tegenstelling tussen schepping en verbond dient overwonnen te worden.
Tot zover de weergave van het boek. Ik heb het met interesse gelezen. Deze studie lijkt me van veel belang in de hedendaagse discussies rondom de kinderdoop, de verhouding kerk en Israël en de verhouding tussen volk en gemeente. Het boek opteert sterk voor de notie van het verbond. Ontdaan van scholastieke verstarring kan het goede diensten bewijzen in het gesprek over de identiteit van de kerk. Verassend vond ik het dat de auteur juist ter wille van de onopgeefbare band tussen de kerk en Israël een pleidooi voert voor de uitdrukking in het doopformulier dat de doop in de plaats Van de belijdenis is gekomen. Het gaat dan niet om het een ten koste van het ander, maar het een als parallel van het ander. Al lezende heb ik ook een aantal vragen bij dit boek genoteerd. Deze vragen hebben er vooral mee te maken dat ik bij bepaalde conclusies net de consistentie zocht en niet vond. Kun je bijvoorbeeld zeggen dat bij Barth het verbond een steeds kleinere plaats speelt? Over Coccejus, Wormser en Hoedemaker is de auteur wel heel snel klaar. Speelt de betekenis van het water als reiniging niet een grotere rol dan in dit boek wordt gesuggereerd? Wat zouden hedendaagse joodse theologen vinden van Calvijns visie op de eenheid van het Oude en Nieuwe Verbond? Moetje ook niet ingaan op de verhouding tussen verbond en kerk? En dan ook: vormt het al of niet voorkomen van de Jordaan-Passus echt het breekpunt als het gaat om de verhouding tussen de kerk en Israël? Als je wilt blijven zeggen dat de doop in de plaats van de besnijdenis is gekomen, moetje dan niet vooral duidelijk maken dat dat uoor de gemeente uit de volkeren geldt. De lezer merkt mijn vragen borrelen spontaan naar boven. Het is te begrijpen. De auteur heeft ook zulke belangrijke en interessante vragen aan de orde gesteld, dat het heel moeilijk is om niet met hem in gesprek te gaan. Ik hoop vooral dat zij die op de lijn van de nieuwe Proeven zitten de inbreng van Van Arkel oppakken. Rest me de schrijver nog van harte te feliciteren met deze bekroning van zijn studie.
W. VERBOOM, WADDINXVEEN
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 augustus 2001
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 augustus 2001
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's