De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Zondaar en schepsel in  contextuele prediking

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Zondaar en schepsel in contextuele prediking

DE MENS ALS ZONDAAR OF ALS SCHEPSEL? [L]

9 minuten leestijd

De mens als zondaar en als schepsel is een thematiek die regelmatig opduikt in de kerkelijke kolommen. In uier artikelen willen we aandacht schenken aan deze thematiek en weI allereerst over deze thematiek in de prediking, waarbij ik als hoorder uan uele preken iets door wilgeuen. Het tweede en derde artikel zijn uan de hand uan ds. H. G. de Graaff en zal uooral ingaan op deze thematiek in het pastoraat. Ten slotte een arti ouer mogelijke gevolgen van het 'niet goed in je vel zitten'.

Het mensbeeld in de catechismus, omschreven als 'onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad' heeft velen geprikkeld. In het licht hiervan speelt de uitspraak dat de mens een 'wegwerpelijk kleed' is nog regelmatig in mijn gedachten als ik denk aan preken van vroeger. Niet dat ik deze preken als deprimerend ervaren heb, nee, dat niet, maar toch... de uitspraak zweeft nog steeds tussen mijn twee oren en hield mij weer even bezig toen ik overdacht wat ik in dit artikel zou schrijven. Ik ontmoet in mijn werk regelmatig mensen die worstelen met gevoelens van waardeloosheid en die zichzelf, wanneer ze in een dip zitten, een 'wegwerpelijk kleed' vinden. Nu zal de bijbelvaste lezer zeggen dat er in de Bijbel niet staat dat de mens een 'wegwerpelijk kleed' is (maandstondelijk kleed, Korte Verklaring), maar dat al onze 'vermeende gerechtigheden' als een wegwerpelijk kleed zijn. Dit werpt natuurlijk een ander licht op deze tekst in Jesaja 64 : 6, namelijk dat al onze plichtmatige goede werken, waarin geen warm hart klopt voor God, bij Hem niet in tel zijn. 'Het volk eert Mij met de lippen, maar hun hart is verre van Mij' (Jesaja 29 : 13). Toch hangt deze uitspraak, de mens als 'wegwerpelijk kleed' nog steeds - los van de context - in mijn geheugen. Nu ben ik geen afhankelijke persoonlijkheid die de neiging heeft hiervan depressief te worden. De uitspraak kan los van de context een eigen leven gaan leiden als we in een situatie komen dat er sprake is van depressiviteit.

De mens als zondaar is een radicale werkelijkheid

De kwestie die ik in dit artikel aan de orde wil stellen, is op welke wijze de ra dicaliteit van het zondaar-zijn aan de orde gesteld kan worden in de prediking. Met Kohlbrugge vind ik het nodig het mensbeeld uit de catechismus op een beurijdende manier aan de orde te stellen. Kohlbrugge schrijft ergens dat het 'geneigd zijn tot het kwade' juist iets bevrijdends heeft omdat er dan niets van ons bij hoeft om zalig te worden. Het loslaten van de diepe historische, maar ook actuele noties over de totale verlorenheid van de mens is voor mij een heilloze weg. Als we dit ontkennen, raken we de diepte van het heil in Christus kwijt tegen de achtergrond van ons zondig bestaan. Een prediking waarin God op het hoogst verheerlijkt wordt en de mens - onbekwaam tot enig zaligmakend goed - ontdekt wordt aan zijn eigen-gerechtigde zonden, is bijbels-gereformeerd. Toch hoeft in deze prediking de mens niet aangemerkt te worden als een 'wegwerpelijk kleed', nutteloos en waardeloos. Kortgeleden hoorde ik het verhaal van een meisje van zeventien jaar in wie de Heere met Zijn Geest rijk werkt. Ze getuigde van de diepe liefde voor Christus en wat genade voor haar betekent. In de prediking hoorde ze echter regelmatig zeggen dat ze iemand is die altijd God tegenstaat, die Hem ten diepste haatte en er alleen maar op uit was God uit haar leven te bannen. Ze raakte hierdoor in verwarring omdat dit juist niet het geval was, ze had de Heere juist zo hartelijk lief. Ze wist van zonde en schuld, maar ook van de liefdeband met Christus die in haar leven gestalte gekregen had. Ook was ze juist zo blij dat ze haar gaven had mogen ontdekken en die in de gemeente mocht inzetten. Het stemde haar dankbaar dat de Heere haar wilde gebruiken in Zijn dienst. Staat ze nu in - dienst als een corrupte, snode zondaar die onbetrouwbaar is of als een gelovige die haar van God geschonken gaven mag aanwenden tot de eer van Zijn Naam? De kwestie is gesteld: mag in de prediking op een lukrake en geïsoleerde manier gesproken worden over de mens als 'totaal corrupt'? De eenzijdige doordenking van de mens als zondaar heeft namelijk als uiterste consequentie dat deze mens er op gericht is iedereen een loer te draaien en dat deze mens zich niet in de wereld mag bevinden omdat hij terstond over- kel loopt naar het kamp van de vijand. Bederfwerend zout mag je dan niet zijn, want dat geeft te veel risico voor aanpassing. De vraag is of het helpt om / steeds de woorden 'van nature' te gebruiken om de juiste nuance aan te brengen.

Mens als schepsel, zondaar en gelovige

Dat de mens niet alleen een zondaar is, maar ook een schepsel is met goede gaven versierd, blijkt duidelijk uit de Schrift. Dr. J. van Eek heeft in zijn boek 'God, mens, medemens. Humanitas in de theologie uan Caluijn' aangetoond dat Calvijn ook nuances aanbrengt als hij het heeft over de mens als zondaar. Ds. H. G. de Graaf heeft dit ook duidelijk aan de orde gesteld in zijn boek 'Onbekwaam tot enig goed. De plaats uan de totale verdorvenheid in prediking en pas toraat'.

Dr. J. W. van Pelt schrijft in zijn dissertatie over 'Pastoraat in trinitarisch perspectief dat het mens-zijn als schepsel, zondaar en gelovige af te leiden is uit de Triniteit. Vanuit God de Vader mag de mens als schepsel benaderd worden (schepselmatig perspectief), vanuit de Zoon de mens als zondaar (soteriologisch perspectief) en vanuit de H. Geest de mens als gelovige (vernieuwingsperspectief). Deze drieslag, de mens als schepsel, zondaar en gelovige geeft evenwichtige aanzetten voor een mensbeeld dat in de prediking, maar ook in het pastoraat aandacht mag krijgen. Als het gaat over de mens die de waarheid in ongerechtigheid ten onder houdt (Rom. 1:18) en die niet wil dat God koning in zijn leven is, gaat het over de mens als zondaar. Deze mens heeft in het zalig worden niets anders dan 'lege briefjes in te brengen'. Genade is dan ook 100% van Gods kant. Als het gaat over de mens als schepsel mag hij waardevol zijn in de ogen van God en zijn van God geschonken gaven ontplooien. Als het gaat over de mens als gelovige gaat het over iemand die wil leven naar Gods wil. Bij deze mens is het zondaar-zijn niet uitgebannen (het goede dat hij wil, doet hij niet (Rom. 7 : 19)). Ook in het proces van heiliging is de gelovige 100% aangewezen op de genade van God in Christus, maar hij is geen hater van God in alles, want hij kent een nieuw levensbeginsel. Ook bij het schepsel-zijn is het zondaar-zijn niet uitgebannen. Gelovigen kunnen ook hun gaven aanwenden in een verkeerde richting en zichzelf niet de moeite waard vinden om hun leven in Gods dienst te zetten. We blijven worstelen met de gebrokenheid van de zonde, maar als wij het zondaar-zijn laten samenvallen met het schepsel-zijn en gelovig-zijn komt er verwarring. Onderscheid in de prediking is van groot belang. Een mens geneigd tot het kwade? Waar hebben we het dan over? Over wie hebben we het dan en in welke situatie? Prediking in trinitarisch perspectief brengt nuances aan tussen de mens als schepsel, zondaar en gelovige en gooit niet alles over de 'wegwerpelijke' boeg.

Postmodern leven, uitdaging voor de mens als schepsel

- In deze postmoderne tijd zien we de voltooiing van de God-is-dood-gedachte uitlopen in het ervaren van de zinloosheid van het bestaan. De trieste werkelijkheid die Nietszche en Dostojewski schilderden in hun boeken liet echter nog een worsteling zien. Als minister Borst vindt dat ouderen die levensmoe zijn zich wel 'te pletter vervelen', maar zich helaas niet 'dood mogen vervelen' is dit geen worsteling

meer met de zinloosheid van het bestaan, maar een erkenning hiervan. De enige oplossing zou dan zijn een zelfmoordpil. De mens als schepsel wordt hier een 'wegwerpelijk kleed', waarbij God als Schepper wordt aangetast. Euthanasie is een gevolg van het legaliseren van de mens als zinloos wezen, maar niet een erkenning van een barmhartige dood van een schepsel. Het ruimen van runderen is ook geen bewijs van eerbied voor Gods goede schepping. Hoeveel jongeren - ook onder ons - worstelen niet met hun identiteit en hebben sterke gevoelens van waardeloos-zijn? Hoeveel jongeren worstelen niet met hun lichaam omdat ze moeilijk kunnen omgaan met hun grenzen als het gaat om seksualiteit? Hulpverleners, pastores en docenten hebben hun handen vol aan problemen tengevolge van het ervaren van zinloosheid. Hoeveel mensen gebruiken niet verkeerde dorstlessers vanuit hun gevoel van waardeloosheid en houwen gebroken bakken uit (Jer. 2 : 13, Larry Crabb, Van binnenuit). De mens als waardevol schepsel is eenonderwerp dat vooral in deze postmoderne tijd aan de orde dient te komen in de prediking. Postmoderniteit is naast een bedreiging ook een uitdaging voor de prediking. Mensen zijn niet 'wegwerpelijk', runderen, schapen e.d. zijn niet 'wegwerpelijk'. Gods schepping mag, ondanks de invloed van de zonde oplichten in deze aardse werkelijkheid op een manier dat we er vreugde aan kunnen beleven. Het is waar, in Christus zijn we een nieuw schepsel, op de nieuwe aarde zal er geen nihilistische uitspraak van minister Borst meer klinken. Christus is dan alles in allen. Van Lodenstein dichtte al dat het hier beneden niet is. De vraag is waar het in deze zinsnede over gaat. Hier beneden is namelijk wel Gods schepping en het koninkrijk Gods begon op aarde. Het schepsel zucht, laat dat waar zijn. Dit zuchten is aansporing om de dingen te zoeken die boven zijn (Kol. 3:2). Psalm 8 en 139 echter getuigen van het waardevolle van de schepping en het schepsel, tegen de geest van de tijd in. Natuurlijk zijn deze Psalmen ook christologisch te duiden. Wanneer de Heere het als vanzelfsprekend vindt dat we onszelf als schepsel lief mogen hebben (je naaste liefhebben als jezelf) en als Paulus uitroept dat het niet goed is je eigen vlees te haten (Efeze 5 : 29) dan is het ongehoord dat we 'waardeloos' zouden zijn. Prediking waarin het 'wegwerpelijk kleed' in de goede context gezet wordt en waarin de boodschap van God drie-enig gaat oplichten in de zinloosheid, maar ook verlorenheid van ons bestaan is bederfwerend. Weet u nu nog waar het in de prediking over gaat? Weten de predikers nog waar ze het over hebben? Terug naar het meisje van zeventien jaar dat de Heere zo hartelijk vreesde. Een halfuur nadat ik haar vertelde dat ik haar verhaal mee wilde nemen in een artikel in de Waarheidsvriend kwam ze verrukt en verwonderd aanzetten met iets wat ze in de Bijbel gevonden had. Ze vroeg mij dit door te willen geven. Het was uit Jacobus 3. In vers 9 staat dat we met onze tong God en de Vader loven, maar ook mensen kunnen vervloeken die naar de gelijkenis van God gemaakt zijn. Het maakte me stil. Zij had het begrepen.

A. PALS, BLESKENSGRAAF

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 augustus 2001

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Zondaar en schepsel in  contextuele prediking

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 augustus 2001

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's