'Onder [preek] stoelen en [orgel]banken..' [3]
DE EREDIENST
In dit slotartikel staan we stil bij het samenspel tussen predikant en organist - een samenspel uan afstemmen, instemmen en samenstemmen, dat we niet onder stoelen ojbanken kunnen steken. Geldt ook uan hen niet: 'Indien er tu? ee uan u zullen samenstemmen op de aarde...? ' (Mat. 18 : 19)
[INDIEN ER TWEE SAMENSTEMMEN OP DE AARDE...]
Het behoeft nauwelijks toelichting dat een goede samenwerking - of om het in meer muzikale termen uit te drukken: een samenstemmen - tussen predikant en organist voor het samenkomen van de gemeente in de eredienst van het hoogste gewicht is. Beiden hebben - nog afgezien van de koster, die vooral zorg draagt voor de 'ambiance' van een open en ('s winters) warm kerkgebouw - een belangrijke stem in te brengen in het geheel van de eredienst.
De prediker doet dat met de adem van zijn mond, de organist met de adem van de orgelpijpen. En beiden worden (als het goed is) geleid door de Heilige Geest. Al mag gezegd worden, dat de prediking van het Woord ver uitgaat boven de klanken van het orgel. Waar het orgel middellijkerwijs vertolking en uitdrukking van het beleden en bevindelijk beleefde geloof is, daar werkt de prediking het geloof zelf.
Naast de vele gaven, deugden en kwaliteiten, waarvoor predikant en organist ieder in het bijzonder op zijn eigen vakgebied geschoold en bekwaam toegerust is, is het geen overbodige luxe, wanneer beiden - vooral ten aanzien van de eredienst - goed op elkaar afgestemd en ingespeeld zijn.
De Schrift als uitgangspunt
Je hoeft nog geen liefhebber van Johann Sebastian Bach te zijn, om toch in zijn geest - die gekenmerkt wordt door een steile en diepe afhankelijkheid van het Woord van God - de gemeentezang in relatie te brengen tot de prediking. Beiden - predikant én organist - dienen de psalmen (en geestelijke liederen), die in de eredienst een plaats krijgen te laten zijn als resonantie, als weerklank van het gepredikte woord, en als spiegel voor (niet zelden ook uan) de ziel.
De predikant dient in de keuze van de te zingen psalmverzen nauwgezet rekening te houden met het karakter en de stijl van het lied. Omgekeerd evenredig dient ook het orgelspel te worden afgestemd op de inhoud en stijl van de prediking.
Bij een preek over bijvoorbeeld Psalm 51 (Davids belijdenis van zijn zonde, en zijn ootmoed voor God) past geen al te uitbundig spel. Terwijl bij een belijdenisdienst, of doopdienst, of een dienst op hoogtijdagen (Kerst, Pasen, Pinksteren) het orgel zeker 'de blijde toon' mag zetten.
Kastje, spiegeltje, lampje
In technisch opzicht is de plaats van het orgel in de kerkruimte uitermate
belangrijk voor het contact (of de afstand) tussen predikant en organist. Er zijn kerken - met name die ge- / bouwd zijn in de tweede helft van de vorige (lees: 20e) eeuw - waaruit blijkt, dat kerkenraden meer gevoel hebben gekregen voor de liturgie, en met name ook voor de geëigende plaats van kansel en orgel in de kerkruimte. Een organist zal persoonlijk méér betrokken worden bij wat er om en nabij de kansel gebeurt, wanneer het orgel zich eveneens vóór in de kerk - nabij de kansel - bevindt.
Veel (hervormde) dorpskerken hebben doorgaans het orgel op de balustrade, met de speeltafel aan de zijkant. Hierbij heeft de organist niet alleen goed zicht op de gemeente, maar ook op de kansel (al heeft de predikant daarbij niet altijd hetzelfde zicht op het orgel).
Soms is de afstand niet groter dan 10 tot 15 meter, zodat oogcontact met de predikant heel goed mogelijk is. Dat is vooral prettig wanneer het niet geheel duidelijk is, of een gastpredikant bijvoorbeeld wél of geen samenvatting van de wet geeft. Oogcontact is ook prettig bij de viering van het Heilig Avondmaal, zodat de organist weet wanneer 'de tafel gereed is' en hij zijn naspel (of anderszins) kan beëindigen.
Het laat zich raden, dat in de grotere kerken - met hun volumineuze orgels hoog boven de kansel of ver weg aan het andere einde van de kerk het contact tussen kansel en orgel slechts bestaat uit dat enkele stroomdraadje naar de geluidskast, en dat kleine stukje glas van een spiegel. Organist en predikant zijn in vele kerken niet in staat elkaar te zien. Oogcontact is - vanwege de grote afstand, de plaats of de bouw van het orgel - nauwelijks mogelijk. Het zicht van de organist op gemeente en kansel kan ook nog be-
perkt worden door een rugwerk, of vanwege een zodanige plaatsing van de speeltafel, dat het orgel tussen speelman en gemeente in staat. Een spiegel kan nog enig soelaas bieden. Als predikant zie je op diverse kansels naast de lichtknop ook nog een andere knop. In drukletters (of geschilderd) staat er ORGEL bij geschreven. Dit is het andere draadje, dat de kansel met de organist verbindt, ofschoon zelden meer in praktijk. Aangezien het meestal de koster is, die - als een welhaast volleerd regisseur - licht en geluid bedient van de gehele kerk (inclusief kansel en orgel) heb ik me vaak afgevraagd, wanneer de predikant nog eens op dat - veelal reminiscente - knopje mag drukken. Of het moest, zijn, om een organist erop te attenderen dat hij zich al te zeer in zijn orgelspel heeft verdiept...
Onzichtbare organisten
Ten aanzien van het 'zijn onder de prediking' betreur ik die organisten, die hoog en ver bij de kansel vandaan verblijven en het moeten hebben van het 'geluidskastje aan de muur'. Het zal - dat is tenminste mijn ervaring - voor hen extra concentratie vragen om hun aandacht bij de prediking te houden, zonder zicht op de voorganger. Ze nemen een bepaald eenzame positie in binnen de eredienst - al zijn ze bevoorrecht boven de luisteraars van de kerktelefoon.
Voor zulke 'onzichtbare' organisten zou er - naar mijn inzicht - de mogelijkheid moeten zijn, om gedurende de preek de orgelbank te verlaten en zodanig in de kerk plaats te nemen, dat ook zij zicht op de prediker kunnen hebben. Bij grotere kerken zal dat zeker een kleine 'omwandeling' vergen. Het zien van een spreker maakt het luisteren naar en de betrokkenheid op de prediking eenvoudiger en intenser.
Ik herinner mij de kerkgang in de vakantietijd, als ons gezin 's zondags ter kerke ging in de chr. gereformeerde Gasthuiskerk te Middelburg, met zijn regel hoog boven de muur boven de kansel geplaatst. Aan het begin van de preek kwam de organist langs de trap omlaag, waarbij hij halverwege de muur, rechts van de kansel, in een 'zwaluwnestje' plaatsnam. Wanneer hij op een gegeven ogenblik oprees en weer achter het orgel plaatsnam, kon je ervan verzekerd zijn, dat de predikant binnen een paar minuten aan zijn 'amen' toekwam. Ik heb nog bewondering voor het invoelingsvermogen van die man.
Worp
Velen - die niet verder kwamen dan les van Kees de slager (die van de Voorstraat!) - zijn al blij als zij met de harmonisatie van Worp uit de voeten kunnen. Als gastspreker hoor je al snel, of een organist vrij is in de keuze van literatuur - al dan niet afgewisseld met eigen improvisaties - óf dat hij gebonden is aan de zetting van Worp. In het laatste geval tref je het, wanneer er al enige afwisseling wordt gemaakt door variatie in registers of wisseling van de klavieren. Wanneer dat niet het geval is - en er mochten eens drie of vier verzen uit dezelfde Psalm worden gezongen - of dezelfde psalmmelodie klinkt meerdere keren in een dienst (bijvoorbeeld vóór en na de Wet des Heeren) - dan kun je steevast hetzelfde voor-, tussen- en naspel, alsook eenzelfde zetting verwachten. Het siert de dienst meestal niet bijzonder! De zettingen van Worp zijn - naar mijn mening - zeker te gebruiken door hen die zich pas beginnen te bekwamen in het orgelspel in het algemeen, alsook in de harmonisatie en begeleiding van de gemeentezang in het bijzonder. Al dunkt mij, dat de zettingen van Goudimel - onovertroffen in zijn verfijnde eenvoudigheid en muzikaliteit - verre te prefereren zijn boven de vaak al te simpele zettingen van Worp. De vraag of Worp werkelijk bijdraagt aan een opluistering van de gemeentezang in het bijzonder, of de eredienst in het algemeen, durf ik niet snel bevestigend te beantwoorden. Deze zetting biedt - naar mijn overtuiging - nauwelijks of geen ruimte om op de prediking van het Woord - laat staan op de beleving en bevinding van de gemeente onder dat Woord - in te spelen.
Johan of Johann?
Het orgelspel heeft niet alleen tijdens, maar ook vóór en na het zingen een niet te onderschatten invloed op de gemeente. Nu is elke gemeente heel divers in het waarderen van wat er gespeeld wordt. Er wordt al gauw onderscheid gemaakt: of je bent voor Johan (de Heer) of je bent voor Johann (Sebastian Bach). Laat dit niet al te gemakkelijk over aan het oordeel en de smaak van de gemeente. 'Zoveel hoofden, zoveel zinnen.'
Niet iedereen beheerst de orgelliteratuur, terwijl we ook de gemeente niet moeten onderschatten in wat zij wel of niet weet te waarderen. Een eenvoudig, herkenbaar lied (dat hoeft niet altijd een Psalm te zijn!) kan een meerdere zegen geven op de bediening van het Woord. Je merkt dat, wanneer het volk onder het orgel door de kerk verlaat en je verneemt een eenstemmig, instemmend geneurie.
Anderzijds misstaat het niet om na de dienst van Goede Vrijdag het slotkoraal uit de Matthauspassion - Wir setzen ons mit Tranen nieder - te spelen. Dit kan even stijlvol zijn als een koraal over een bekend lied uit de Lijdenstijd (Bach, Böhm, Buxtehude, Reger, en vele anderen). Wanneer een organist echter de stof niet beheerst, is het aan te raden om zeker geen literatuur te spelen. Wie Bach wil spelen, moet ook Bach kunnen spelen.
Anders ligt het met de vraag, of je een Pasacaglia, Trio, Toccata et Fuga of an derszins kunt spelen - hetzij als inleiding op de dienst (voordat de kerkenraad binnenkomt), of bij het uitgaan van de kerk. Als organist hebben wij ervoor te waken, dat een eredienst niet stilletjes verwordt tot een quasi concert. Het dient tot weinig stichting, wanneer een organist blijk geeft hoe virtuoos hij is en zijn kwaliteiten als speelman ten toon wil spreiden. Als er de gaven zijn, dan mag daar zeker mee gewoekerd worden. Mits de Heere - de Gever van alle gaven - gediend wordt en ermee tot Zijn eer komt. Wij profeteren ten dele. Ook musiceren wij nog maar ten dele. Ieder zij daarom in zijn gemoed hiervan dan ook ten volle verzekerd.
Afstemmen
Wanneer een organist weet waar de prediking over gaat, kan hij zich daar ook terdege op voorbereiden. En dan behoeft het niet altijd een lied uit 'Opwekking' of Johan de Heer te zijn. Er zijn vele geestelijke liederen die bij een bepaald gedeelte van het kerkelijk jaar passen. Er zijn vele vaderlandse liederen die stichten, zoals weergegeven in Valerius' Gedenckklanken.
In de lijdenstijd kunnen de koralen uit de Matthauspassion heel goed worden gebruikt worden. Rondom 4 en 5 mei misstaat het niet om liederen waarin de bevrijding centraal staat te spelen. Sommige voortreffelijk en niet te moeilijk bewerkt door Jan Zwart, Cor Kee ('Merck toch hoe sterdO, Klaas Bolt, Herman van Vliet en vele andere Hollandse componisten. Een lied of koraal kan na de dienst de prediking nog extra onderstrepen, of onze geestelijke bevindingen op een hoger plan weten te brengen. Ook de organist mag in deze zin beseffen een naprediker te zijn.
Dit leidt in sommige gemeente (helaas) tot de vraag, of er door de organist ook andere gezangen en geestelijke liederen mogen worden gespeeld - buiten de Psalmen Davids. Ik meen, dat het instrument ook gebruikt mag worden uit het oogpunt van muzikale kunst - als uiting van cultuur, ad majorem gloriam Dei.
Herstel...
Het is aan te raden, dat zowel de organist als predikant er alles aan doen om wederzijds een goed contact te heb- -ben, dat verder reikt dan het spiegeltje op de orgelgalerij en het psalmbriefje van de zaterdag. Ze hebben elkaar aan te voelen en van binnen uit te kennen, zodat ze geen vreemdelingen voor elkaar zijn. Dit samenstemmen komt de eredienst alleen maar ten goede. Het is een gemak wanneer een predikant gezegend is met een zeker muzikaal invoelingsvermogen. Wanneer onverhoopt iets 'op het orgel' misgaat, kan hij daar ad rem op ingaan. Ik weet uit ervaring hoe gevoelig het ligt wanneer een predikant een organist - die er even niet bij is - moet 'corrigeren'. De organist sluit het zingen van een vers met een zwierig naspel af. Het orgel zwijgt. Terwijl de gemeente klaar zit om ook het tweede opgegeven vers te gaan zingen. Nu zijn er predikanten die het 'maar zo laten'. Ik weet niet of dat juist is.
Wanneer de relatie tussen kansel en orgel goed is, mag het lijden dat de predikant zich in een dergelijke situatie rechtstreeks tot de organist wendt en zegt: 'Organist, zullen we vers 3 ook nog maar zingen? !' Het verdient overigens aanbeveling - niet alleen met het oog op de rust en orde van de dienst, maar ook ten aanzien van een zekere gespannenheid bij haast elke organist - om tijdens de dienst zo min mogelijk de opgegeven liturgie te wijzigen, door plotselinge ingevingen.
Sommige speellieden kunnen uitermate gevoelig zijn op 'correcties' tijdens de dienst, wanneer een predikant 'om des tijds wille' een opgegeven psalmvers (die inmiddels op de lessenaar gereed staat) overslaat, waardoor een organist haastig moet bladeren en ook het orgel opnieuw registreren. Soms wordt - door een bepaalde ingeving - een andere psalm opgegeven dan het psalmbriefje vermeldt. Wanneer er een tussenzang wordt gezongen tijdens de preek, verdient het aanbeveling de organist van tevoren op de hoogte te brengen.
Het zal niet altijd voorkomen. Maar als er eens iets voorvalt, is het goed datje als predikant en organist weet, watje aan elkaar hebt. Het is maar net watje van elkaar verdraagt en wat je hebt afgesproken. Houd vrede met alle mensen, maar in het bijzonder met organist en koster. De eredienst wordt grotendeels met hen bepaald.
Psalmbriefje
Vele organisten bereiden zich 's zaterdags voor op de dienst van zondag, terwille van het 'voorbedachte lied'. He is predikanten dan ook aan te raden, om de liturgie (schriftlezing, tekst en psalmen) op zijn laatst zaterdagmorgen gereed te hebben. De organist (of koster) belt de (gast)predikant en vraagt naar de psalmen voor de dienst van komende zondag.
Een enkele keer wordt er ook gevraagd naar de Schriftlezing en de tekst. Voorzover de tekst niet óók bestemd is voor het psalmbord, schuilt hierachter de gedachte, dat een enkele organist zich ook inhoudelijk - inclusief vooren naspelen - op de dienst wil voorbereiden. Eén keer werd ik zelfs verrast, toen een organist mij vroeg: 'Wat wilt u morgen na de dienst graag gespeeld hebben, als amen op uw preek? '
En ja, over psalmbriefjes gesproken: ze zijn er in allerlei soorten, maten, kleuren en handschriften. Dominee, wees zuinig op naar uw organist! Een psalmbriefje is geen doktersrecept. Schrijf leesbaar en duidelijk. En wees erop bedacht, wat voor soort papier u gebruikt. Wat een verschil tussen dat ene 'vodje' met zijn nauwelijks te lezen kriegelige krabbeltjes. Of dat deftige, voorgedrukte ecru perkament, met zijn sierlijk gekrulde handschrift. Uit mijn eerste jaren als organist heb ik een aantal 'jaargangen' bewaard. Het meest opzienbarende was wel dat ene psalmbriefje van een gastpredikant. Het werd mij op een 28e december aangereikt, en had de afmeting van zo'n 5 bij 15 cm. Het bleek een exkassabon van een grote supermarkt, gedateerd 23 december. Aan de hand van de op achterzijde vermelde ingrediënten, kon ik afleiden, welk een abundante kerstmaaltijd er dat jaar bij dominee op tafel stond. A propos, dominee, over psalmbriefjes gesproken. Elk psalmbriefje - 'hoe klein het zij of groot' - heeft nog wel wat blad wit onderaan^ voor een enkel toegevoegd woord.
Wat dacht u van: 'Zegen op het orgelspel', of: 'Sterkte bij ons samenspel'. Of eenvoudigweg: 'Goede dienst toegewensf. Wanneer u - als prediker - zelf zegen mag ontvangen onder de bediening van het Woord, maak dan ook uw organist van die weldaad deelgenoot. -
M. F. VAN BINNENDIJK, VINKEVEEN
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 september 2001
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 september 2001
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's