De 'Socratische oorlog'
Wat een Frans romannetje zoal niet teweeg kan brengen! In 1767 schreef de literator en filosoofjean Franfois Marmontel zijn Belisaire. Deze zoon uan de Verlichting, een beschermeling uan Voltaire, maakte de Oost-Romeinse ueldheer Belisarius (c. 500-567) en zijn droeuig leuenslot tot het model uan de mens uan de Verlichting. Belisarius, die door zijn onrechtvaardige behandeling een blinde bedelaar was geworden, heeft in Marmontelsjtctie meer licht gehad over God en deugd, dan de anderen in zijn dagen. En in dat licht uerkondigt Belisarius (Marmontel) dat hij vast gelooft dat de moraa uan de mens niet uerbonden is met een bepaalde religie. De deugd van de mens is universeel, en de zaligheid van alle deugdzame mensen is geen vraag, of ze nu ch zijn of heiden. Het Godsbeeld dat daarbij past - God is eenvoudig het goed dat de mensen navolgen - moet elke onverdraagzaamheid uitsluiten. De Belisaire was in verlichte Frankrijk van vlak voor de Revolutie de aanleiding tot een/el debat waarbij theologie en politiek in verzet kwamen tegen deze liberale en libertijnse relatiuering uan de waarde uan de christelijke religie. Het onlosmakelijke uerband tussen religie en moraal was onopgeefbaar, zo stelde men tegenover Marmontels pleidooi voor een onvoorwaardelijke tolerantie.
Wat in Frankrijk speelde, kreeg een directe weerslag in ons land. De Belisaire werd vertaald en uitgegeven, en trok binnen korte tijd grote aandacht onder de bewonderaars van de Verlichting. Het boekje werd de aanzet tot een felle polemiek, die geheel in de bombastische geest van de tweede helft van de achttiende eeuw de 'Socratische oorlog' werd genoemd. Rechtzinnige voormannen van de Gereformeerde kerk, die als heersende kerk ook grote politieke invloed had, keerden zich met grote heftigheid tegen de nieuwlichters. Die trokken op hun beurt even fel van leer tegen de 'onverdraagzaamheid' die zij in kerk en samenleving meenden aan de kaak te moeten stellen. Ernestine van der Wall, hoogleraar kerkgeschiedenis in Leiden, fungeert in een korte monografie in de Leidse historische 'Zeven Provinciën Reeks' als 'oorlogsverslaggever' van dit voor velen waarschijnlijk onbekend conflict dat de gemoederen in het Nederland van de achttiende eeuw zo hevig in beroering heeft gebracht. Een groot aantal pamfletten en geschriften, in alle ernst en soms vol satire, werd als munitie gebruikt. Een centra- Ie vraag in deze strijd om tolerantie en ware deugd was of de heiden Socrates wel in de hemel kon zijn.
Is Socrates in de hemel?
Hoe is het mogelijk dat een heiden, al is hij nog zo deugdzaam, samen met al de heiligen in Gods hemelse heerlijkheid thuis zou zijn? De gedachte dat er 'zalige heidenen' mogelijk zijn is op zich geen nieuwe. Van der Wall gaat daar in haar studie, die zich strikt beperkt tot het debat in de achttiende eeuw, niet op in. Maar bekend is dat bijvoorbeeld de reformator Zwingli naast Abraham, Jakob en David en alle heiligen ook klassieken als bijv. Hercules, Theseus en Socrates in de hemelse heerlijkheid opgenomen zag. Bij alle vragen die er ook naar Zwingli toe kunnen zijn over deze opmerkelijke gedachte, toch is de 'zaligheid' van de heidenen in de geest van de Verlichting van een totaal ander karakter dan bij deze reformator. Bij Zwingli was deze opvatting een strikt theologisch bepaalde. Zwingli ging niet uit van de deugdzaamheid van de heidenen, op grond waarvan hij hen de zaligheid toebedacht. Hij liet alles afhangen van de Goddelijke verkiezing. Er is geen echt geloof zonder verkiezing, maar er kan wel sprake zijn van Goddelijke verkiezing, zonder dat er geloof aan het licht komt. Hij zette de kleine kinderen van het verbond, voordat ze tot geloof gekomen zijn, en de heidenen, voordat het Evangelie bij hen aan het licht kwam, op één lijn. Dit betekent echter in geen geval dat er zaligheid zou zijn buiten Christus om. De verkiezing, dat is ten diepste Christus, in Wie God verlorenen zalig maakt. God is vrij om in Zijn verkiezing ook heidenen daarin te besluiten. En de goedheid van die heidenen is daarom enkel en alleen aan Zijn verkiezende liefde te danken. De gedachten van de achttiende-eeuwse verlichte denkers, die Van der Wall in haar studie aan het woord laat, zijn van totaal andere aard. Al gaat het over hetzelfde onderwerp, de hemelse zaligheid van heidenen, in de geest van de Verlichting is nu de antropologie het uitgangspunt. Sinds de 'verlichte' omkering heeft plaatsgevonden, en God alleen bij de gratie van het licht l van de mens Zijn goedheid kan bewijzen, is het voor verlichte geesten on- risten denkbaar dat wat mensen als moreel goed en deugdzaam beschouwen, niet gedekt het zou worden door de goede God. Hoewel Van de Wall er niet op ingaat, is haar studie een duidelijke illustratie van het grote verschil tussen de theocentrische manier van denken van de Reformatie, en het subjectivistische mens-centrale denken van de Verlichting. Jezus en Socrates staan daarbij eigenlijk op één lijn. Zij bedoelden beiden de deugd, en daarom zijn ze beiden uit God. Wie kan in een verlichte tijd nu beweren, dat er maar één weg tot de zaligheid is? Alles wat goed en deugdzaam is, van welke religieuze oorsprong ook, past bij God. Of moet het eigenlijk andersom worden gezegd? God past zich aan bij alles wat deugdelijk is? Die vraag komt boven bij het kennis nemen van de bewonderaars van deze verlichte tolerantie.
Felle polemiek
Uiteraard kon deze 'nieuwlichterij' niet onweersproken blijven. De woordvoerder van alles wat hiertegen opkwam was de Rotterdamse predikant Petrus Hofstede. Van der Wall tekent hem als een kenmerkende vertegenwoordiger van het kerkelijke en politieke establishment van zijn dagen. Behorend tot de orthodoxe middenstroom van de heersende kerk, een onverhulde orangist, een zelfverzekerde, zelfs enigszins arrogante kerkleider, zo komt hij in zijn polemische stijl over. Hij wierp zich op als verdediger van de gereformeerde leer. Een bevindelijke 'voetiaan' zal hij zeker niet geweest zijn. Lezers van dit blad, die uit deze periode van de kerkgeschiedenis meer vertrouwd zijn met de vertegenwoordigers van de Nadere Reformatie, zullen Hofstede nauwelijks kennen, of het moest zijn als tegenstander van Theodorus van der Groe, in een twist over het recht van beroeping in Rotterdam. We zouden hem in de verhoudingen van nu misschien een conservatieve middenorthodoxe predikant kunnen noemen. Hij nam het op tegen zijn plaatselijke remonstrantse collega Nozeman. Deze duidelijke aanhanger van de verlichting en groot liefhebber van de natuurlijke historie - hij was o.a. verzamelaar van vlinders en insecten - had zijn lof voor de Belisaire niet onder stoelen of banken gestoken. Dat hij het voorwerp werd van Hofstedes aanval, zal wellicht ook te maken hebben gehad met de kerkelijke verhoudingen binnen Rotterdam. Hofstede schaart zijn tegenstander bij de vrijzinnige remonstranten, die onderscheiden moeten worden van de 'remonstranten van de vijf artikelen' (van Arminius voor alle duidelijkheid!). Met die laatsten zouden de gereformeerden wellicht in de toekomst nog wel 'samen op weg' kunnen gaan, maar zolang er nog zulke ergerlijke vrijdenkers als Nozeman waren, die zelfs een heiden als Socrates een plaatsje in de hemel bood op grond van diens eigen deugd, zou dat zeker niet zo makkelijk doorgaan. En wat de deugd van Socrates betreft, daar viel nog wel het een en ander op af te dingen. Was dit toonbeeld van deugd eigenlijk niet een 'sodomiet', een 'knapenschender' van het laagste allooi? Op deze wijze werden de pennen wel heel scherp gemaakt. Nozeman en zijn aanhangers meenden uiteraard dat ze de eer van Socrates moesten redden. Maar, zo vond Hofstede, wie dacht hij wel dat hij was, door zich te keren tegen een vertegenwoordiger van de heersende kerk? Hofstede had duidelijk niet veel last van bescheidenheid, zoals blijken mag uit het volgende citaat: 'Ik daar en tegen behoor, gelyk men gewoon is te spreken, tot de publieke Kerk, bekleed met den luister, de achtbaarheid, en bescherming van Staaf.
De heersende kerk
Wie deze laatste uitspraak van Hofstede leest, kan zich niet aan de indruk onttrekken dat het feit dat de Gereformeerde kerk de heersende kerk was in de Nederlanden kennelijk aanleiding gaf tot een arrogantie, waarvoor men zich zelfs niet schaamde. In ieder geval kon een dergelijke houding bij de
tegenstanders uiteraard niet zonder repercussies blijven. De 'Socratische oorlog' was met de persoonlijke polemiek van Hofstede en Nozeman nog lang niet afgelopen, maar ging een nieuwe richting in, toen de bevoorrechte positie van de gereformeerden onder vuur kwam te liggen. De religieuze tolerantie, die in het gedachtegoed van de Verlichting zo sterk werd bepleit botste op de heersende positie van de gereformeerde religie, die in de kerk en door de overheid gehandhaafd werd. Ds. J. Barueth, die volgens Van der Wall waarschijnlijk de auteur was van een boek dat onder de titel De advocaet der vaderlandsche kerk werd uitg geven, bleek een krachtig pleitbezorger te zijn voor de gedachte dat - gezien de historie van het vaderland - de gereformeerde kerk de ene nationale bevoorrechte kerk moest zijn en blijven. Barueth schaarde zich hiermee in het kamp van Hofstede. Hij wilde een krachtig voorstander van gewetensvrijheid zijn, maar dat betekende geenszins dat daarmee alle religieuze groeperingen het recht zouden moeten krijgen van openbare godsdienstoefening. Van der Wall noemt hem een vertegenwoordiger van het 'gereformeerd Oranjegeloof pur sang'. Daar richtten allen die zich daarmee niet konden verenigen, theologische en politiek verlichte vrijdenkers, op hun beurt weer al hun pijlen op. Van venijnige satire (Betje Wolff) tot kerkhistorische argumentatie (o.a. de liberaalgereformeerde Hendrik Calkoen), de e- verlichte liberalen probeerden met allerlei redeneringen aan te tonen dat de pretentie van de heersende kerk geen recht kende, en ook historisch geen been had om op te staan. Uiteindelijk hebben de laatsten de tijd meegekregen, toen in de Revolutie de scheiding van kerk en staat werd gerealiseerd, en de overwinning van de 'toleranten' uiteraard volop werd gevierd, door het de 'intoleranten' van het oude bewind zo moeilijk mogelijk te maken. Aan het einde van haar studie toont Van der Wall aan dat het verzet tegen de verlichte en liberale opvattingen, die in 1795 de overhand lijken gekregen te hebben, toch veel taaier is geweest. In de negentiende eeuw blijkt het geding tussen pleitbezorgers van het 'nieuwe geloof en de verdedigers van het 'oude' nog lang niet over. De conservatieve krachten, in kerk en staat, waren nog zeker niet uitgeschakeld. De 'Socratische oorlog' duurde in zekere zin nog voort. De conclusie van deze boeiende monografie is dat de vragen die in de eeuw der Verlichting werden opgeworpen hun actualiteit nog niet hebben verloren. Inderdaad, wie deze studie over een periode die meer dan twee eeuwen achter ons ligt leest, in het licht van de discussie van onze 'postmoderne' tijd over religieuze tolerantie, over religie en moraal, kan wel de bijbelse verzuchting slaken: 'Er is niets nieuws onder de zon'. Deze monografie bevestigt op boeiende wijze de waarde van de bestudering van het verleden voor het verstaan van het heden. Ze nodigt ook uit om de argumenten uit beider kamp nader kritisch te onderzoeken. Zo is ze een waardevolle bijdrage tot het debat, dat ook nu nog niet is afgerond.
M. A. VAN DEN BERG
N.a.v. Socrates in de hemel? Een achttiende-eeuwse polemiek over deugd, verdraagzaamheid en de vaderlandse kerk door Ernestine van der Wal, Hilversum, uitg. Verloren, 2000, 92 pag., ƒ 26, 44.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 september 2001
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 september 2001
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's