De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Om te dienen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Om te dienen

9 minuten leestijd

'Een ieder, gelijk hij gave ontvangen heeft, alzo bediene hij die aan de anderen, als goede uitdelers van de menigerlei genade Gods... Indien iemand dient, die diene als uit kracht die God verleent, opdat God in allen geprezen worde door Jezus Christus, Die toekomt de heerlijkheid en de kracht, in alle eeuwigheid. Amen'. [1 Petrus 4 : 10, 11]

Adeldom verplicht. Ook de adeldom van het CSFR-lidmaatschap. Bij iedere installatie van de verenigingsleden wordt al twee generaties lang de van Romeinen 12 voorgehouden, waar Paulus ons aanspoort om heel het christenleven als een offer te wijden aan God. In de Griekse taal prijkt dit woord op de bul die de jonge student ter hand wordt gesteld. Met die zinspreuk is de doelstelling van de vereniging kernachtig verwoord. Ook als wetenschapper staat een christenmens onder het apostolisch vermaan tot dienstbetoon en offerbereidheid. De apostel Petrus is van geen ander gevoelen: 'Ieder diene met zijn gaven de ander...'.

Echt Petrus om zijn appèl in de setting van de Wederkomst te plaatsen. 'Het einde van alle dingen is nabij', schrijft hij vlak daarvoor. Dat klinkt als een alarmsignaal. Ja, maar meer nog als een vreugdekreet. Petrus' woord doet denken aan de roep van een matroos in het kraaiennest: 'Land in zicht'. Nog even, en we meren af. De haven wenkt. De kade wacht. We zijn er bijna. We hebben het tóch gehaald, ondanks zware averij. Vaak dachten we het nooit te halen. Maar God haalde ons erdoor en brengt ons thuis. Zo weet de apostel der hoop het einde in zicht.

Het einde? Wekt dat dan niet de associatie van teloorgang, van ondergang zelfs? Dat kan wezen, maar in Petrus' bedoeling ligt dat pertinent nfet. Het inzet is bepaald geen ondergangsstemming waarin hij verkeert. Integendeel. Het 'einde' (het Griekse: telos) is voor hem veeleer het einddoel, de bestemming waarnaar hij hunkert. We zouden Petrus willen vragen, hoe hij over dat einde zo verrukt kan zijn. Wel, zou hij zeggen, dat woordje 'einde' is mij daarom zo dierbaar, omdat het eens en voorgoed vanaf het kruis heeft geklonken uit de mond van onze Heiland: 'Volbracht, voleindigd'. Heel ons heil is tot een goed einde gebracht. We zien het nog wel niet - net zomin als de stervende Christus het zag - , maar we zien er naar uit. Op goede gronden. We weten het einde nabij, omdat het al is begonnen. De afloop ligt vast. Maak je gereed en wees bereid. Wat doen we in de tussentijd en hoe bereiden we ons voor? Door ons te beklagen over het noodweer dat ons onderweg teisterde? Door te versagen onder de afval van kerkverlating en ontkerstening? Nee. Dat zal ons wel een diepe zorg zijn, maar het moet ons niet verlammen. Wees liever wakker, waakzaam. Raak niet in paniek. Houd koers. Hoe doe je dat? Biddend, liefhebbend, vergevensgezind. En... dienend.

Het is dit trefwoord 'dienen' dat bij gelegenheid van het CSFR-jubileum met nadruk op ons toekomt. Veel heeft de Civitas ons geschonken. Niet alleen om er zelf van te profiteren, maar vooral ook om anderen in het profijt te laten delen. Ieder diene, naar dat hij gave(n) heeft ontvangen, de ander, in alle geledingen van de samenleving. Reikte de CSFR die gaven uit? Nee. Alleen Christus deelt die uit. Maar Hij maakt daarbij gebruik van een scala aan instanties: van gezin, kerk en school en ook van een vereniging waar Zijn gezag wordt erkend.

Ieder christenmens voorziet Hij in Zijn gemeenschap met gaven. Christus - zo zeiden de reformatoren graag - is ' nooit werkeloos in de zijnen. Hij begiftigt hen met de Heilige Geest. Zo houdt Hij er begaafde mensen op na. Begaafde mensen! Zijn dat knappe koppen, gestudeerde deskundigen, of misschien natuurtalenten? Hoewel dit de gevoelswaarde is die men er doorgaans aan verbindt, is dat toch niet wat de Bijbel ermee bedoelt. Begaafde mensen zijn geen natuurtalenten, maar genadetalenten. Ze leven van het gegeef. Het woord 'begaafd' is afgeleid van 'geven'! Over wat voor slag lieden hebben we het dus als het over begaafde mensen gaat? Over hulpbehoevenden die zijn aangewezen op de gaven die hen worden aangereikt. Een christen is in zichzelf armlastig. Onbeholpen. Maar ongeholpen toch niet. Want u moet maar rekenen dat Christus het liefst daar Zijn intrek neemt waar de armoe het grootst is. Daar kan Hij Zijn vrijgevigheid kwijt. En Hij zegt: 'Hier, verpauperd mensenkind, je zult niets tekort komen'.

Wat reikt Hij ons aan? Charisma(ta). Dit is een woord dat direct verwant is aan charis, genade. Begrijpt u? De gaven ontspringen aan de bron van Gods genade. Een mens die tot dienen is herboren en begiftigd, leeft dus van Gods dienende, genadige goedheid. En die krijgen we nooit in handen. Zoals je het zonlicht niet in een doosje kunt bergen, zo kun je evenmin Gods genade opslaan. Deze bron beheert de Heere Zelf, vrijmachtig. Maar Zijn vrijmacht is dan ook echt genadig en mededeelzaam van aard. Uit genade gaf Hij Zijn Eniggeliefde. Hoe zou Hij ons dan met Hem niet alle dingen schenken? In Christus kreeg Gods genade een gelaat. In Christus ontmoeten we

Gods milde handen en vriendelijke ogen en komt Hij ons tegemoet, om ons verlepte bestaan te drenken met Zijn Geest en leven. 'Wie dorst heeft, die komen tot Mij - zo riep Jezus op het Loofhuttenfeest - en wie in Mij gelooft, stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien.' Dat wil, dacht ik, zeggen dat wie gedronken heeft van de Bron, ook zelf een bron wordt voor anderen.

Kohlbrugge heeft dit eens geïllustreerd met een parabel. 'Zie, daar strijkt een bij neer op de kelk van een bloem. Door een engel uit de hemel is er honing in gelegd. Staat het mij vrij, ervan te drinken? , vraagt het bijtje. Waarop de engel antwoordt: Drink zoveel je maar wilt. Het diertje vraagt: Wat ben ik u schuldig? De engel glimlacht en zegt: Tast toe. Daarvoor ligt het er toch? Maar als je mij een plezier wilt doen, wel, vlieg dan naar het huis hiernaast en leg ook daar wat van de honing neer. Zo werkt dat. Wat ik uit genade aan honing ontving, draag ik verder. Wat ons via prediking en onderricht van de kerk, en via kringwerk, conferenties en gesprekken in verenigingsverband werd toebedeeld, daarvan delen we uit.

'Bedienen' (diakonein) noemt Petrus dat. Welke gaven ons ook zijn geschonken, ze staan alle in het teken van die ene vitale grondtrek van de christelijke gemeente: het dienstbetoon. Wat ons dus te doen staat, zo vlak voor het eind van de reis, is niet louter conserveren, maar veeleer distribueren. Als goede uitdelers van de menigerlei genade(!) Gods. Weet u wat uitdelers zijn? Het Grieks heeft hier: economen. Daarmee bedoelde men oudtijds beheerders, rentmees- • ters. Een veelbetekenend begrip. Rentmeesters waren geen eigen baas. Ze stonden in dienst. Niet in dienst van eigen belangen, maar in dienst van een ander, gewoonlijk een landheer. Voor hem inden ze de pacht. Een verantwoordelijk beroep. Stellig ook niet zonder gezag. Maar hun volmacht was strikt ontleend aan de macht van de landheer. Aan hem waren ze ondergeschikt en rekenschap verschuldigd. De hele opbrengst van de landerijen kwam de landheer toe.

Zo staat ook een christen als rentmeester zonder reserve ter beschikking van de Landheer. Maar het verrassende is dat zij voor Hem niet innen, maar uitgeven. De Landheer roept Zijn rentmeesters bij zich en zegt: 'Zie je hoe overvloedig Mijn land heeft gedragen? De schuren zijn tot de nok toe geladen. Die weelde wil Ik niet voor Mezelf houden. Die wil Ik kwijt. Deel nu van Mijn goederen, gratis en gul'. Zo is onze Göd. Ziet Hij maar ergens een schamele schooier, een dakloze zwerver, een erbarmelijk schepsel, dan denkt Hij: Daar moet Ik heen! En Hij voegt de daad bij de gedachte en stuurt Zijn economen erop uit. Gods economen zijn dus niet opgeleid om het kapitaal te vermenigvuldigen, maar om het te delen. En ze kijken niet op een gave meer of minder. Waarom zouden ze ook? Ze zijn gul. Ze hebben het van geen vreemde! En de voorraad is 'menigerlei': veel en veelkleurig. Zou dat vooral niet betekenen dat Gods geschenken zó rijk geschakeerd. zijn, dat ze berekend zi op iedere nood, op elke cultuurfase, op welke crisis dan ook? Dat komt doordat ze stuk voor stuk zijn heen gegaan door goede handen. Het zijn gewonde handen, gelittekend met het teken van Zijn gevende liefde. Want de gaven zijn verworven door Hem die de Dienaar en Uitdeler bij uitnemendheid is. Geven, delen, dienen was Zijn devies, Zijn lust en Zijn leven. En het werd Zijn dood. Jezus heet Hij. In Hem is heel Gods menigerlei genade vlees en bloed geworden. Gebroken vlees. Vergoten bloed. Een onbeschrijflijk gunnende liefde bracht Hij op. Toen angst, verlatenheid en pijn Hem kwelden, liet Hij niet af om Zijn leven te geven tot een losprijs voor velen. Ofschoon zij Hem allen verlieten, één Hem verried en een ander Hem verloochende, hield Hij niet op met dienen. Bidden deed Hij voor Zijn vijanden. Verzorgen deed Hij Zijn gebroken moeder, en binnenbrengen die medekruiseling met het moordenaarsgeloof. Vanaf het kruis stromen ons Zijn gaven toe. Daar dan ook geen stap bij vandaan! Een mens wordt er goed bedacht.

Zouden wij als rentmeesters van zo'n goedgeefse Meester dan spaarzaam te werk gaan? Wie bij het kruis vertoeft, zichzelf veroordelend en God rechtvaardigend, en Hem daar in het hart mag zien, die krijgt een royale aard en een kwistige hand. Sedert de dag dat het kruis in de aarde stond geplant en jn Christus eraan stierf, en sinds de derde dag aanbrak, waarop Hij het leven verwierf, delen wij, die met Hem stierven en herrezen, in (en: van) een genade die op de allerarmste is berekend. Hoe delen wij die rijkdom uit? Met wervende woorden en dienende daden. Louter uit kracht die God verleent, telkens weer. Van Hem is de kracht. Ze wordt in onze zwakheid volbracht. Daarom zullen wij met al ons dienstbetoon geen eigen eer inleggen. Dat zou ook wel een grof schandaal zijn: leven van genade, delen van genadegaven, en intussen zelf met de eer gaan strijken. Onverdraaglijk. We léven van genade. En we loven de genade. Opdat in allen Gód geprezen "••"'' wordt door Jezus Christus, Die toekomt (letterlijk vertaald: voor Wie is) de heerlijkheid en de kracht in alle heerlijkheid.

Amen, roept Petrus. Dat is zoiets als: daar houd ik het op, en stem daar maar mee in! Het is een Amen dat ook bij dit jubileum in ons hart mag weerklinken. Aan Christus de glorie. Ere Wie ere toekomt.

A. DE REUVER, DELFT

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 september 2001

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's

Om te dienen

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 september 2001

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's