De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Globaal bekeken

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Globaal bekeken

6 minuten leestijd

»»jÉf jfü- C. Snoei, emeritus predilkMt^ttcfVeenendaal, ontvingen we Wjfek «fik impressie onder de titel Aan deleggp fik her en der wonen.

'Beste dll^OT, Al langere tijd erger ikjne aan het spreken over de onbepaalde wijze waarop niet alleen binnen, maar ook buiten de kerkfen), over God gesproken wordt. Misschien is het woord "e geren" niet goed. Waarschijnlijk is het meer verontrusting.

Juist rond de gebeurtenissen in de USA komt dit weer extra naar boven. Er wordt veel gesproken over God, God zus en God zo. En he Ijjkt erop dat steeds meer bewust of onbewust gedacht wordt dat elke god een beetje God is. Heel opuallend is dat bij de (on)uitgesproken gelijkstelling tussen de God van de Bijbel en Allah.

Ik denk dat de meeste politici en commentatoren in de media geen idee hebben uan hetgeen omgaat in de moslimwereld, die geheel door de Koran bepaald wordt. Men denkt dat de wijze waarop de Koran het leven in de moslimwereld bepaalt gelijk is aan de wijze waarop het christeljjk geloof dat in Europa doet (deed). Er is een grote en gevaarlijke argeloosheid. De geschiedenis zou ons wijzer gemaakt kunnen heb ben.

Ik denk dat we in de kerk(en) nu meer onomwonden moeten zeggen dat we in de kerk(en) geloven in de God en Vader uan Jezus Christus. Door het feit dat Hij de Vader van Jezus C tus is, is Hij bekend en welomschreven. Dat is het grote onderscheid.

Ik denk dat de wjjze waarop Kraemer over de islam sprak nog eens goed bekeken moet worden. Hij heeft daar een kernachtige brochure overgeschreven. WaarschijnlijkQaat het komende boek van prof. dr. Hanna Kohlbrugge, "De islam aan de deur", ook op die wijze op de problematiek in. Het wordt op 5 oktober a.s. in de Domkerk in Utrecht gepresenteerd. Van de weeromstuit dacht ik nog weer eens na ouer de afwijzing uan de natuurlijke religie door Barth en Miskotte. Moeten we niet zoals Barth tegen het nationaal-socialisme "neen" zei dat thans tegen de oprukkende islam zeggen? We zeggen het tegen het systeem, niet tegen de mensen, die er in gevangen zitten. Hebben we die kracht nog of niet meer? Bij mjjn prakkizeren kwam ik in een boek uan dr. G. G. de Kruif, "Heiden jood en Christen", een studie ouer de theologie uan K. H. Miskotrte, het volgende citaat tegen: "De natuurlijke theologie is niet meer de brug waarover de heiden in de kerk kom maar de loopplank waarouer de christen kerk uerlaat." t Misschien is het meer nodig ons op dit soort zaken te concentreren dan almaar het oude uertrouwde te uerdedigen met mogelijk te weinig aangetoonde releuantie uoor het heden. Zomaar een mijmering.'

U it de recent verschenen bundel met 'Studies over het leven en werk van Philips van Marnix van Sint Aldegonde', getiteld Een intellectuele actiuist (uitgave Verloren, Hilversum, zie Aankondigingen) knipten we 'een verslag van een tafelgesprek van Marnix en de reacties van moderne geleerden daarop':

'Uit augustus 1590 kennen we een verslag dat t, Arend uan Buchell in zijn dagboek heeft opge- de tekend uan een tafelgesprek ten huize uan de Heer uan Brederode, Eerste Edele in de Staten uan Holland, waar ook Marnix bij aanwezig

was. Van Buchell schrijft ouer Marnix (ik citee de vertaling uit het Latijn van Robert Fruin): Hij had ueel te vertellen en, begaafd als hij was met een zeldzame welbespraaktheid, weidde hij metgroote beweeglijkheid uit over allerlei onderwerpen, en vertelde o.a. dat hij gewoon was al de liefhebberijen de menschen ketterijen te noemen, omdat zij wezenlijk ziekten en kwellingen van den geest zijn. En dat hij zelf aanvankelijk de ketterij had gehad om boeken te koopen en te verzamelen, en dat hij, door die ketterij nogal lang in beslag genomen, niets anders had kunnen doen. Dat hij daarop in de k terij van schilderijen vervallen was. En daarop weer met het kweeken en onderzoeken van bloemen en vruchten zich lang had bezig gehouden, waarbij zijn mening varieerde en zijn oordeel wisselde. Dat hij thans vooral in den tuinbouw behagen r r wel zestig. Hij voegde er bij, dat droge en zanderige grond moest gemest worden met een zwaren en vetten mest, zooals koemest, kleigrond daarentegen met een lichte met veel stro erin, paardenmest bijvoorbeeld. Zo zien we Marnix als een man die een rijke bloementuin heeft, maar naar nog veel meer et- bloemen verlangt, die zich zorgen maakt over een mislukte bloemkool- en meloenenteelt, maar die trots is op zijn grote suikerbieten en pompoenen. We weten hoe veelzijdig Marnix geweest, maar deze kant van hem is tot nog to weinig belicht. Fruin die als eerste de betreffende passage van Van Buchell vertaald heeft schepte en in het landleven, en dat hij kweeën van buitengewone grootte en smakelijkheid had en in dit jaar (beet)wortels van wel twintig pond had geteeld en pompoenen van wel vijftig, maar dat hij bij zijn buurman in den tuin er een had gezien van schrijft vervolgens, dat hij bijzonder getroffen is door: dat keuvelen uan den ernstigen christenstaatsman aan de tafel van den liberijnschen Eersten Edele van Holland. Wie zou is e ooit hebben gedacht dat die hooggestemde, zwaar beproefde, sombere figuur, zooals hem ons de geschiedenis vertoont, in het dagelijksche leven op een eenvoudigen getuige als Buchell den indruk gemaakt zou hebben van een bewegelijk en spraakzaam oud heertje [...]. Natuurlijk, de boog kan niet altijd gespannen zijn, zegt Fruin: Doch de aard van 's mans ketterijen, zooals hij ze zelf noemt, verraadt een belangstelling in zuiuer wereldsche zaken, die wij zeker niet bij iemand van zjjn karakter zouden hebben verwacht. [...] Van diergelijke ketterijen hadden wij den aartsketter in de godgeleerdheid althans vrij gedacht. De negentiende-eeuwse wetenschapper Fruin laat hier tussen de regels door merken dat hjj de horticultuur nauwelijks een serieuze bezigheid vindt voor de staatsman en theoloog Marnix.

Van Schelven, de biograaf van Marnix, verwijst ook naar de passage over de grote suikerbieten en pompoenen die Marnix kweekte. Hij citeert uit de daarnet als eerste besproken brief aan Van der Meulen en wijst op een opmerking van Marnix in een brief aan Clusius, dat hij bijna op het foutieve af een heftig minnaar van tuinen en tuinzaken is - "hortorum ac rerum hortensium pene usque ad vitium vehemens amator". Van Schelven geeft in zijn biografe verder geen commentaar op deze hobby van Marnix.'

v.D.G.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 september 2001

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's

Globaal bekeken

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 september 2001

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's