Waarom wij nog Nederlanders zijn
DE POLITIEK VAN STADHOUDER-KONING WlLLEM III
'Département des Pays-Bas'
Wat zou er gebeurd zijn als de Zonnekoning, Lodewijk XIV in het jaar 1672 op zijn weg naar de Europese opperheerschappij niet de jonge Willem III als onverzettelijke dwarsligger op zijn weg gevonden had? Wij zouden dan wellicht al eeuwen lang burgers zijn geweest van het Departement des Pays-Bas, een deel van het grote Roomse Frankrijk, en niet inwoners van het in oorsprong protestantse Koninkrijk der Nederlanden. Nu heeft het niet altijd zoveel zin om bij de geschiedenis 'als-dan' vragen te stellen. De loop van de geschiedenis is nu eenmaal zoals het gegaan is. En toch kan het wel eens nuttig zijn om te beseffen wat een onmogelijk wonder ons Nederlandse volksbestaan eigenlijk is. Dat geldt vooral als we het zien in het licht van eeuwen van machtsstrijd in Europa, waarin zoveel grotere staten zoals Spanje, Frankrijk en Engeland elk op hun beurt en soms zelfs gezamenlijk telkens weer pogingen hebben ondernomen om voorgoed een einde te maken aan de politieke en geestelijke vrijheid van de Lage Landen bij de zee. Het 'rampjaar' 1672 staat in het geheugen gegrift van eenieder die nog enig besef heeft van de vaderlandse geschiedenis. Het volk was 'radeloos', de regenten waren 'redeloos', het land leek 'reddeloos' verloren. En juist op dat moment verkreeg een tweeëntwintigjarige jongeman de positie die de regenten van Holland in hun onderlinge machtsstrijd, met Johan de Witt aan het hoofd, hem altijd hadden willen onthouden: Willem III van Oranje Nassau werd stadhouder van de Republiek der Zeven Provinciën. Men had hem als 'kind van staat' geen gelukkige jeugd bezorgd. Zijn vader had hij nooit gekend, hij werd al heel jong een speelbal van machtspolitiek. Alles werd in het werk gesteld om hem nooit die positie te laten verkrijgen die zijn voorvaderen hadden bekleed en waar de regenten zo beducht voor waren. Vooral Holland zag een stadhouder niet echt meer zitten, en stelde alles in het werk om te voorkomen dat Willem III het zou worden.
Toch heeft deze jongen op een bijzondere manier van het begin af zijn roeping als de koers van zijn leven voor ogen gehouden: om de eer van zijn huis en het nut van de Nederlanden te dienen, waartoe hij zijn familie bestemd wist. In het jaar waarin de vrijheid van de Nederlanden het meest bedreigd werd, omdat alle Europese machten zich gezamenlijk op ons landje wierpen, en er geen bondgenoot meer over leek, kon men er niet omheen om hem de positie te verschaffen die hem in staat stelde om de Republiek te verdedigen.
De Nederlanden, een onmogelijk wonder
Wie de recente politieke biografie van Willem III door Wout Troost leest, komt diep onder de indruk van het onmogelijke wonder dat Nederland eigenlijk is! Historici kunnen heden ten dage niet zoveel met geloof in Gods voorzienigheid, ze kunnen echter de feiten zo beschrijven dat ieder die wel gelooft in Gods hand in de geschiedenis zich diep verwonderen moet. Het kundige en vastberaden optreden van de jonge Willem III, de wijze waarop de laatste verdediging, de fameuze 'Hollands waterlinie', op het beslissende moment bleek te houden, toen er net op tijd dooi intrad, het zijn maar geen 'toevallige' feiten.
Troost laat in zijn studie uitgebreid en deskundig zien hoe Willem III op een beslissende manier de Europese politiek van zijn dagen heeft bepaald als de meest geduchte tegenstander van Lodewijk XIV. De auteur stelt dat beide hoofdrolspelers van het geding om de macht elkaar eigenlijk niet goed hebben begrepen. Willem III zou ten on-
rechte dè mening zijn toegedaan dat Lodewijk XIV streefde naar een alleenheerschappij voor de hele Europese wereld, terwijl Lodewijk op zijn beurt Willem alleen nog kon zien als een onverzoenlijke oorlogshitser, die hem altijd en overal dwars zat. De Europese politiek van de zeventiende eeuw, zo laat Troost duidelijk zien, was er een van telkens weer verdragen sluiten waardoor niet één staat de overhand zou verkrijgen. In dat politieke spel van onderlinge verdragen, waarbij meestal het wantrouwen direct onder de oppervlakte lag en een dosis verraad vaak ook niet werd geschuwd, heeft Willem III zich op een integere en bewonderenswaardige wijze een man van principe betoond. Frankrijks macht moest binnen de perken worden gehouden ten behoeve van de geestelijke vrijheid in Europa. En als hij daarvoor de zee moest oversteken om desnoods koning van Engeland te worden, dan was hem dat de moeite zeker waard. Het was niet alleen een politiek motief dat hem dreef, maar vooral ook de verdediging van het protestantse geloof in Europa.
Willem III is daarom ook vooral de 'held' geworden van allen die de vrijheid van het protestantse geloof als hoogste goed zagen. Dat ook in Nederland niet iedereen zo gelukkig was met zijn politiek wordt eveneens duidelijk gemaakt. De kooplieden, vooral in Amsterdam, zagen met lede ogen aan, hoe de voortgaande machtsstrijd met Frankrijk hun economische belangen al te veel schade toebracht. Dat gaf op een gegeven moment een zeer gespannen verhouding tussen Amsterdam en Oranje. Geld was voor de rijke regenten toch belangrijker dan geloofsvrijheid. De haat/liefde verhouding van Amsterdam en Oranje heeft in de oorsprong dus te maken met de hoge mate van Amsterdams welvaartsegoïsme. Willem III's politiek moet volgens Troost min of meer verantwoordelijk worden gesteld voor het economisch verval van de Republiek omdat hij in de strijd tegen Lodewijk XIV van geen ophouden wist. Het oordeel over hem is dat hij in Nederland niet echt heeft bijgedragen tot politieke vernieuwingen, al heeft hij wel in Engeland een belangrijke rol gespeeld, zonder het wellicht te bedoelen, bij de vestiging van een parlementaire democratie.
Een ondoorgrondelijke natuur
Herhaaldelijk brengt de schrijver de 'geslotenheid' en 'geringe toegankelijkheid' van Willems karakter ter sprake als mogelijke oorzaak van het feit dat er betrekkelijk weinig aandacht is gegeven aan zijn biografie. Willem III had inderdaad iets ondoorgrondelijks. Dat zal zeker te maken hebben gehad met zijn uiterst ongelukkige jeugd, waarin hij zozeer speelbal was van machtsstrijd tussen de verschillende facties, dat hij zwijgend moest aanzien en toezien hoe er over hem werd beslist. Het heeft zijn karakter zeer zeker gevormd en de nodige geslotenheid gepaard met vastberadenheid gegeven. Hij liet zich niet zomaar kennen, maar wist altijd wel wat hij wilde. Zijn roepingsbesef zal sterk ingegeven zijn door zijn geloof, dat hem in de traditie van de gereformeerde reformatie eigen is geworden. Dominee Cornelis Trigland, de zoon van de bekende Jacobus Trigland, was de geestelijke raadsman van zijn
jeugd. De wijze waarop Troost in enkele bladzijden de heersende theologische polarisatie van Voetianen en Coccejanen aan de orde stelt is veel te kort en ongenuanceerd. Het gaat niet aan om Voetius de 'protestantse Thomas van Aquino' te noemen, evenmin als dat de Coccejanen min of meer als 'proto-vrijzinnigen kunnen worden afgeschilderd. Willem III is duidelijk in voetiaanse zin ingevoerd in de gereformeerde leer, die hij zich als persoonlijk geloof ook eigen wist. Op een gegeven moment meent Troost een theologische vergissing bij Willem III te bespeuren, waarvan het nog maar de vraag is of het hier gaat om een vergissing van Willem of van zijn biograaf. Troost stelt dat Willem III Gods voorzienigheid en de predestinatie per ongeluk door elkaar heeft gehaald toen hij na de succesvolle landing in Torbay aan de Engelse theoloog Gilbert Burnet vroeg; 'En geloof je nu in de predestinatie? ' Was dat omdat hij het woord 'predestinatie' ten onrechte verwarde met 'providentia'? Ik meen van niet. Het is goed mogelijk dat Willem III zijn uitspraak heel bewust heeft gedaan. Zou het niet juist daarom zo zijn gezegd, omdat Burnet misschien zo zijn vragen had bij de gereformeerde belijdenis van de predestinatie. Nu er zo duidelijk was geworden wie God was in Zijn voorzienigheid, zou dat onafwendbare besef nu ook niet tot erkenning mogen brengen van de predestinatie, die immers voor het geloof van eenzelfde orde van Goddelijke beschikking was? De tekenen van Gods voorzienigheid zouden Burnet moeten brengen tot erkenning van Zijn predestinatie tot het heil. Dan was het geen vergissing van Willem III, integendeel, maar veeleer een bewijs hoe het gereformeerde geloof, ook waar het gaat om het persoonlijk eeuwig heil, voor deze politicus centraal stond!
Willem III was een ondoorgrondelijke persoonlijkheid. Ook voor zijn rivalen. Het is min of meer tragisch om te zien hoe de Hollandse regeringsleider Johan de Witt gedreven werd door de wens om de macht van deze Oranje in te perken. Ook hij kende Willem niet, die hij veroordeeld had tot een nutteloos bestaan. Hij vreesde dat de dynastieke aspiraties voor Willem III veel zwaarder zouden wegen dan het landsbelang. Hij heeft Willem veel te veel gezien als een 'vorst' van het soort zoals er in zijn dagen zoveel in Europa rondliepen, en waar hij als zelfbewuste Hollandse republikein geen enkele behoefte aan had. Dat was echter niet het geval. Willem III was heel anders dan zijn standgenoten. Men vraagt zich af hoe het gegaan zou zijn als deze twee tegenspelers in de politiek van de Republiek elkaar beter hadden verstaan en vertrouwd.
Trouw aan de roeping
Ook zijn Engelse oom, koning Karei II, heeft Willem absoluut niet kunnen doorgronden. Uit Troosts beschrijving wordt duidelijk wat een verraderlijke machtspoliticus deze Stuart eigenlijk was. Hij stuurde er op aan om een verdrag tussen Engeland, De Nederlanden en Zweden te sluiten (de Triple Alliantie), enkel en alleen om via deze alliantie tegen Frankrijk koning Lodewijk, met wie hij zelf heimelijk een afspraak had gemaakt, tegen de Nederlanden op te zetten. Zo hoopte hij de macht van de Republiek te breken in eigen voordeel. Dat zijn politiek ook Engeland grote schade zou aandoen, dat kon hem weinig schelen. Het ging hem toch alleen maar om zijn eigen dynastie. Vanuit het beginsel 'zoals de waard is, zo vertrouwt hij zijn gasten' meende hij dat zijn neef Willem het dynastieke spelletje wel mee zou willen spelen. Lodewijk en Karei hadden afgesproken dat Willem in een gekortwiekte republiek voor soeverein zou mogen spelen. Ze gingen er zonder meer van uit, dat Willem, die door de regenten zo lang kort was gehouden, daar wel oren naar zou hebben. Ze hadden echter volkomen 'buiten de waard gerekend'. Als Willem ergens niet vatbaar voor was, dan was het wel de frivole manier waarop zijn beide 'collega's' hun koningschap uitoefenden. Het was duidelijk dat Willem zich op geen enkele manier afliet brengen van de 'eer' die hij in zijn roeping en levensbestemming had gevonden. En die roeping was zeker niet om populair te worden bij de hofdames...
Het was en is nog steeds niet zo eenvoudig om een goed oordeel te vormen over het gesloten karakter van Willem III. Het eindoordeel van Troost is duidelijk positief. In 1672 heeft Willem III de Republiek van de ondergang gered. Dankzij zijn onverzettelijkheid zijn wij vandaag geen Fransen, ook geen Engelsen maar Nederlanders! Als we kennisnemen van deze cruciale periode in onze geschiedenis, waarin Willem III zo'n centrale rol heeft gespeeld, mogen we ook in een tijd waarin de Europese eenwording een minder oorlogszuchtig karakter heeft, de onopgeefbare waarde blijven koesteren van het eigen karakter van ons vaderland. Dat is een les die uit dit boeiende en waardevolle boek te trekken zou zijn.
M. A. VAN DEN BERG, ZOETERMEER
N.a.v. Wout Troost, Stadhouder-koning Willem III. Een politieke biografie, Hilversum 2001, uitg. Verloren, ƒ 66, -, 332 pag. ISBN 90-6550-639-x.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 oktober 2001
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 oktober 2001
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's