De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

10 minuten leestijd

Spreken over God

Maandag 24 september werden de Leidse Lezingen gehouden voor de elfde keer. Dit jaar was het thema: 'Wie God zegt... spreken over God in een wereld zonder God'. De op die dag gehouden lezingen en andere bijdragen zullen verschijnen in een bundel met dezelfde titel bij uitg. Kok, Kampen. In Hervormd Nederland van 15 september schreef dr. A. J. Plaisier ter voorbereiding een artikel onder het opschrift Pascal en de verborgen God.

Plaisier schreef een dissertatie waarin hij Pascal en Nietzsche met elkaar vergeleek op het punt van het denken over de mens (1996). Hij stelt dat het thema van de Leidse Lezingen suggereert dat spreken over God niet meevalt. Is er in een geseculariseerde wereld nog een weg open om God ter sprake te brengen? Hij zet zijn bijdrage in met een prachtig citaat van Augustinus: 'Wat wordt ooit door iemand gezegd, wanneer hij over U iets zegt? '. Maar Augustinus zei er wel direct achter 'En tóch, wee degenen die over U zwijgen, want met al hun praten zijn zij stom'.

Plaisier brengt Pascal ter sprake als christelijk denker die zich intensief in zijn dagen met dit thema heeft beziggehouden. Hij leefde in een tijd (1623- 1662) waarin het atheïsme zich, zij het nog ondergronds, nadrukkelijk begon aan te dienen. De in die dagen gebruikelijke vorm van verdediging van het Godsgeloof (het deïsme) ging hem meer en meer irriteren, omdat diens argumenten op geen enkele manier steek hielden. De absurditeit van de geschiedenis maakt het verwijzen naar een aanwezige orde in de schepping die op Gods handelen zou wijzen uitermate hachelijk. Je reikt daarmee de ontkenners van het bestaan van God argumenten in handen die als een boemerang bij je terugkomen. De fout ligt volgens Pascal in een foutief Godsbeeld. Ik citeer uit het artikel van Plaisier: 'Het atheïsme fixeert zich met het deïsme op een eenzijdig Godsbeeld. En aangezien dat Godsbeeld in strijd lijkt te zijn met de realiteit, ontkent ze God. Geen wonder, meent Pascal, want 'zonder Christus is het onmogelijk God te kennen'.

'Hiermee raken we de kern van Pascals theo logie. God is in de wereld als de verborgen God. Hij verschijnt namelijk in de "Godmens" Jezus. "Het christelijk geloof bestaat strikt genomen in het mysterie van de Verlosser, die de beide naturen in zich verenigt, de menselijke en de goddelijke". God is, om met de ivoorden van het beroemde Mémorial (een document dat verslag doet van een beslissende godservaring van Pascal) te ken, niet een God "van filosofen en geleerden", maar Hij is "God van Abraham,

Izaak en Jacob", Hij is "God van Jezus Christus".

Dit is niet zomaar bedoeld als een stichtelijkheid, losgelaten door een lekentheoloog die de abstracte taal van de theologen niet meer kan volgen. Volgens Pascal slaat veel taal van theologen en apologeten over God gewoon niet op de situatie van mens en wereld. God moet iets te maken hebben met de werkelijke condition humaine. Je kunt natuurlijk deze wereld en de mens door een roze bril bekijken en in het verlengde daarvan bijna etherisch over God spreken, maar zodra je die roze bril afdoet, verdwijnt God ook. God is echter een God die past bij de mens die niet alleen groot is, maar ook ellendig. Hij is een God, die de menselijke grootheid erkent (en er zeljs de waar borg is), maar die ook de menselijke ellende serieus neemt en in zijn openbaring aansluit bij deze dubbele, zeljs paradoxale mens.

God openbaart zich in deze wereld. Hij doet dat door zich te verenigen met de mensen "op de bodem van hun ziel". Uit die bodem komt volgensjragment 622 "de verveling, de melancholie, de droefheid, het leed, de spijt en de wanhoop" voort. De bodem van

de ziel is dus niet een rijke voedingsbodem vol van intuïties over het goddelijke, maar een ajgrond, die de ongenoegzaamheid van de mens verraadt, geregistreerd in het hierboven genoemde zestal donkere emoties.

De Godskennis - wordt niet in de eerste plaats gelokaliseerd in de hogere regionen van het verstand. Immers, dat kent de ellende niet en dat miskent de ajgrondelijkheid van de mens. God raakt de mens in zijn zwakheid en in zijn leegte. Wanneer God zich daarom met de bodem van de menselij ke ziel verenigt, wordt daar de gewaarwording gewekt zowel van de eigen "ellende" van Gods "oneindige barmhartigheid". Kortom, God is niet alleen de God die hoog verheven is, Hij is ook een Dieu humilié, door zich namelijk te verenigen met de menselijke natuur en een vervulling te zijn van de leegte van die natuur. Het is juist door Jezus Christus, dat God zich zo met de mens verenigt. Met andere woorden: het spreken - over God ontvonkt aan raadselachtige Jenomenen als verveling en verlangen, aan de paradoxaliteit van een wezen dat heen weer slingert tussen hoogte en diepte, hoogmoed en wanhoop, grandeur en misère. De God die zo ter sprake wordt gebracht is de God die aan een kruis hangt. En dat is ook Pascals diepste overtuiging: "opdat het kruis van Christus niet verijdeld worde".' spre-

Het fragment 622 dat hier genoemd wordt, komt uit Pascals beroemde Pensées, aantekeningen die hij maakte na zijn bekering en waarin hij de dialoog aanging als christen met de vrijdenkers uit zijn dagen. Voor alle duidelijkheid naar die lezers toe die de uitdrukking 'deïst' niet direct kunnen plaatsen: Plaisier geeft er deze uitleg van 'hij is degene die zich God voorstelt als Die het uurwerk van de wereld in gang heeft gezet en die uit de wereld geraden kan worden als een verheven, eeuwig en almachtig wezen'. Plaisier sluit zijn bijdrage met de volgende regels af:

'Pascal heeft in een situatie waarin spreken over God niet langer vanzelfsprekend was en van waarin veel traditioneel spreken over God zijn kracht had verloren, zijn grote gaven van hoofd en hart ingezet om taal te vinden voor Godzoekers.

Taal, die hoofd en hart zou aanspreken. Hij heeft ons fragmenten nagelaten, die spreken over een verloren gegane God, die echter op licht als een vuur in de nacht en als een licht in de duisternis. Hij heeft niet een nieuwe theologie voortgebracht. Een nieuwe theolo- , gie o/een nieuw paradigma kan niet gemaakt worden. Zelf zegt hij echter: "Laten niet beweren dat ik niets nieuws gezegd heb; nieuw is de rangschikking van de stoj. Bij het kaatsen spelen beide met dezelfde bal, maar de een plaatst hem beter". Pascal is de betere kaatser van zijn tijd gebleken.'

Er spreekt diepe eerbied voor God uit de manier waarop Pascal God ter sprake probeert te brengen . Een diep ver- - ankerde Godskennis die hem overkwam, doet hem respectvol en teer over als God spreken. Waar anderen bleven steken in een theoretisch praten, is er bij hem een existentieel getuigen van de werkelijkheid van God.

Hoe het niet moet

Onlangs verscheen een herdruk van Hans Werkmans boekje over het vloeken in de literatuur. In samenwerking met de Bond tegen het vloeken verscheen 'En alles vloekte, maar hij en vloekte niet', Misbruik en gebruik van Gods naam in moderne literatuur. In het blad van de Nederlands Gereformeerden Opbouw van 14 september 2001 schreef J. J. Lakerveld er een klein artikel over. Daaruit licht ik één fragment omdat het een goede zaak is dat zo de ontheiliging van Gods Naam aan de orde wordt gesteld.

'We leven in een tijd waarin God voor mensen geen enkele realiteit meer is. "G en Jezus lijken in Nederland allochtonen zonder status, slechts aanwezig in de marge van onze samenleving" (9). Maar hun namen worden vele malen gebruikt als stopwoord; bij schrik, bij verbazing of verwondering. Het gvd is niet van de lucht. Als je er met iemand over in gesprek raakt en er op wijst, dat het een zeljvervloeking is, namelijk "God moge mij verdoemen", krijg je steevast te horen dat het voor de gebruiker die betekenis niet meer heeft. Sterkenbu rgjörmuleert dat zo: "het gif is er uit".

Is het gif er uit?

Zo simpel ligt het niet. Schrijvers kunnen wel zeggen dat de vloekwoorden die zij g bruiken, losgeraakt zijn van hun oorspronkelijke betekenis en dat ze dus niet zo Ietterlijk genomen moeten worden, maar voor christelijke lezers is dat niet zo. Die horen of - lezen iets heel anders dan de schrijver b doeld heeft. Als God genoemd wordt denken ze aan hun Vader en bij Jezus aan zijn Zoon. Dat blijft zo, ook als die namen als stopwoord gebruikt worden. Hoe veel vloeken je ze ook te verwerken krijgt, je went er nooit aan, er "overheen lezen" kan je niet. Ze wekken ergernis, irritatie. Ik ervaar zelf dat het afstand schept tot het verhaal datje leest.

"In Babyion" van Marcel Möring is een prachtige roman - met aanbevelingen tot in CV-Koers toe - en toch heb ik er moeite mee door de vele malen dat de naam van mijn Verlosser ijdel gebruikt wordt.

"Het gif is er uit". Dat betekent dat de vloekers hun eigen woorden niet serieus neme Hans Werkman merkt op dat dat nu juist het ijdel gebruiken is waar het derde gebod over spreekt.

Andere aspecten

Het boekje is niet uitgebreid, maar wel ve zijdig. Hans Werkman wijst nog op een ander aspect van veel moderne literatuur: Ook als je alle vloekwoorden eruit halen z blijven heel wat romans zelf een vloek. Om

dat heel de beschreven situatie een uloek is. Hij maakt dat duidelijk aan de hand uan Er valt een traan op de tompoes uan Annie M. G. Schmidt en aan werk uan o.a. Harry Mulisch (De ontdekking van de hemel) en uan W. F. Hermans.

En ten slotte: Ook christen-schrijvers lopen gevaar Gods naam ijdel te gebruiken. Dat kan als ze God voor hun romankarretje spannen, als ze een ongeluk of een wonderlijk voorval uit de lucht laten vallen om hun verhaalpersoon tot God te bekeren. Of als ze in een vroom bedoeld vers al te vlot "God" laten rijmen op "lot". (42)'

De naam Sterkenburg wordt in het citaat genoemd omdat hij een soort woordenboek over Vloeken schreef. De titel van Werkmans' boekje is ontleend aan een gedicht van Koos Geerds, te vinden in de 1998 verschenen bundel Staphorst. Ik sluit af met het fraaie gedicht in zijn geheel voor u over te schrijven.

De koe moest baren en de koe was moe, er staken poten achter uit haar lijf en daaraan zaten touwen en daaraan hinden wij; maar 't kalf bleef halverwege steken en de koe keek telkens achterom naar dat gedoe en loeide zacht; het was nog maar een jonge koe, het was haar eerste keer en daarom moest ze kreunen en wij trokken weer en met ueel bloed kwam toen het kalf eruit, dood, en ook de koe was steruende, en de boer, hij keek uan koe naar kalf, uan kalf naar koe en stond daar met gebalde uuisten, en alles uloekte, maar hij vloekte niet.

J. MAASLAND

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 oktober 2001

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 oktober 2001

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's