De toeleidende weg [I]
Aan de toch al respectabele reeks boeken die ds. C. Harinck publiceerde, voedde hij onlangs zijn jonaste geschrift toe, dat de titel draaft De toeleidende weg tot Christus. Ik zou me kunnen indenken dat jongere lezers van ons blad, maar ook oud re die met het bevindelijke woordgebruik minder vertrouwd zijn, bij deze titel nu niet direct opgewonden raken. Voor wie echter van dit jargon wel op de hoogte is, ligt dat anders. Ds. Harinck waagt zich aan een thema dat onder bevindelijk gereformeerden de gemoederen in beroering kan brengen. Uit de publicaties van professor Blaauwendraad en de reacties die daarop loskwamen, is dat opnieuw gebleken. Ik veronderstel trouwens dat ook het recente boek van ds. Harinck (mede) is gemotiveerd door de discussie die Blaauwendraad op gang bracht. In ieder geval levert de studie die Harinck ons bi daaraan een moedige en boeiende bijdrage.
Gedocumenteerd
Het betreft een degelijk gedocumenteerde studie. Wat mij persoonlijk weldadig aandoet, is dat de schrijver zelf bij zijn onderwerp zo existentieel betrokken is. Op vele bladzijden voelt men het hart van een pastor kloppen. Het doet hem verdriet dat de weg tot Christus vaak zó wordt bezwaard met voorwaarden dat er van het komen en kopen zonder prijs en zonder geld maar weinig overblijft. De hartstocht van een evangeliedienaar is merkbaar als hij schrijft dat het in het Evangelie toch gaat over de naam van Jezus, 'Die dierbaar, zoet en heerlijk is voor het verslagen hart'. Daarom kan hij het niet begrijpen dat de Jezusnaam zo weinig wordt genoemd en gepreekt. 'Waarom wordt er zo bedekt over Hem gesproken met allerlei namen die Zijn ware heerlijkheid versluieren? Is Hij niet eerst en vooral Jezus Die de zondaren zalig maakt? ' En heel kritisch: 'Ik vraag me soms af: weten wij nog wel uit eigen bevinding wie Christus zijn wil voor een ellendig, vervloekt zondaar? ' Het is Harinck een zorg dat Christus hier en daar 'zo bedekt wordt verkondigd en dat er van de toeleidende weg tot Hem een weg van menselijke waardigheden en geschiktheden wordt gemaakt'. Ik denk dat in deze en dergelijke zinnen de pastorale achtergrond van Harincks boek precies wordt vertolkt.
Blokkerend?
Nu zou men even de indruk kunnen krijgen dat de auteur zóveel bezwaren aan de term 'toeleidende weg' ziet kleven, dat hij heel deze gedachte als een blokkerende constructie van de hand wil wijzen. Maar dat is niet het geval. Wat hij afwijst, is de ontaarding ervan, niet de zaak zelf. Daarvoor neemt hij het juist met beslistheid op. Laat ik samenvatten waarop zijn kritiek zich richt, en vervolgens weergeven welk corrigerend alternatief hij voorstaat. Gaandeweg zal wel blijken dat Harinck heel wat meer aansnijdt dan de toeleidende weg. Eigenlijk heeft hij heel de weg voor ogen waarop het heil aan het hart wordt toegepast.
Dat er aan de heilskennis van Christus - waardoor men in de zekerheid van de zondevergeving deelt - iets voorafgaat, wil ds. Harinck niet betwisten. Integendeel. Met heel de gereformeerde traditie houdt hij het erop dat het ontmaskerende en verootmoedigende werk van de Wet vooropgaat en dat het bevrijdende evangelienieuws van de vergeving der zonden daarop volgt. Waartegen hij echter bezwaar aantekent, is voornamelijk een drietal vergroeiingen, waarbij hij niet verzwijgt dat die zich ook in eigen kerkelijke kring genesteld hebben. In de eerste plaats protesteert hij tegen het feit dat de noodzaak van de zondekennis wordt uitvergroot tot de vereiste dat men eerst Gods recht in die mate moet bijvallen dat men bereid is om verloren te gaan, zonder te pleiten op genade tot behoud. In de tweede plaats neemt hij afstand van de gedachte dat de weg die de Heilige Geest met Gods kinderen gaat, in die zin stereotiep is dat zij allen dezelfde 'kruispunten' moeten doorleven. De weg van de bijbelheiligen en vooral van de discipelen staat hierbij dan model als een vast bekeringspatroon. Deze voorstelling van zaken kan Harinck, ondanks de geruchten van het tegendeel, in de Schrift zelf echter niet vinden. Het derde waartegen hij zich verzet, is het denkbeeld dat de heilhistorische weg van Christus de volgorde zou bepalen van de weg die de Geest heilsordelijk met zondaren gaat. De toepassing van Kerst zou dan de openbaring van Christus aan het hart behelzen, Goede Vrijdag het sterven onder Gods recht, de- Pasen de goddelijke vrijspraak, Hemelvaart het thuiskomen in Gods vaderhart en Pinksteren de kennisname van de Heilige Geest als Persoon. Zo wordt dus de volgorde van de heilsfeiten normatief voor de chronologie van de beleving. edt
Positie
Het zijn deze drie aspecten waarbij de schrijver zijn kritische aanmerkingen maakt. Hij doet dit in eerste instantie op grond van de Schrift, in tweede instantie aan de hand van de belijdenis, vervolgens vanuit het gedachtegoed van de Reformatie en ten slotte vanuit nader-reformatorische bronnen. Wat is nu Harincks eigen positie? Dat de Heilige Geest ons leert om Gods vonnis goed te keuren, herkent hij als gemeengoed in de gereformeerde heilsleer en weet hij in de Schriften verankerd. Maar dat men daarbij zou (moeten) afzien van het pleiten op genade, acht hij in aperte strijd met bijvoorbeeld Davids gebed in Psalm 51. David valt daar inderdaad Gods oordeel volledig bij (vs. 6), maar het eerste dat hij uitroept, is toch: 'Wees mij genadig, o God, naar Uw goedertierenheid; delg mijn overtreding uit naar de grootheid van Uw barmhartighe-
den' (vs. 3). De werkelijkheid en onmisbaarheid van een oprechte zelfaanklacht en een welgemeende instemming met Gods gelijk worden door Harinck allerminst gerelativeerd - veeleer gearticuleerd - , maar op goede gronden houdt hij staande dat dit boetebetoon zijn oprechtheid juist en alleen daarin bewijst dat het wordt gedragen door het pleidooi op genade. Ten onrechte construeert men hier een tegenstelling tussen Gods eer en onze zaligheid. Het is God een eer om zondaren zalig te maken. De auteur geeft in dit verband een treffend citaat van Koelman door: 'Als Gods genade in Christus wordt gezocht, dan wordt datgene gezocht waarin Zijn eer ligt opgesloten en waarover de ziel (van de gelovige) Hem eeuwig zal lofzeggen'. En Comrie vond het een 'gevaarlijke dwaling, tegen Gods Woord en onze natuur strijdig', wanneer men beweert 'dat de mens ertoe zou moeten komen om even gewillig te zijn om verloren te gaan als behouden te worden'.
Eveneens distantieert Harinck zich van de gedachte dat de weg van de bijbelheiligen en van de discipelen een dwingend patroon zou vormen voor de gelovigen van alle tijden. Geen enkele bijbelheilige staat model voor de weg der bekering. Tenzij men eigen bedachte bekeringsschema's eerst als een raster over de teksten legt! Maar dat is inlegkunde, en geen schriftuitleg. Harinck wil overigens niet ontkennen dat de wegen die God met de vromen uit de Bijbel ging, voor ons van grote betekenis zijn. Dat zijn ze wel degelijk. Ook op dit punt biedt de schrijver een gezond alternatief. De ervaringen van de bijbelheiligen vertonen - tot troost en ter toetsing - allerlei elementen die herkenning oproepen in ons eigen geloofsleven. Gods kinderen van alle tijden delen immers in een even dierbaar geloof. Dit geldt ook met betrekking tot de discipelkring. Maar in de Schrift is er nergens sprake van dat hun geestelijke levensgang het exempel zou zijn waarnaar de geloofsweg van alle vromen wordt gemodelleerd.
Afstand
Waar ds. Harinck vooral afstand van neemt, is de stelling 'dat de weg van de Borg de weg van de kerk is'. Zelf stelt hij zeer beslist dat de gelijkvormigheid met Christus, die vooral door Paulus wordt beklemtoond, niet betekent dat de gelovigen net als Christus sterven onder Gods recht, maar louter dat zij in de weg van de heiliging Zijn
gestalte gelijkvormig worden. Dat wij het lijden van Christus gelijkvormig worden, impliceert in geen geval een soort herhaling van Zijn verzoeningswerk. Hoe wezenlijk de navolging van Christus ook is, zij mag de uniciteit van Zijn plaatsbekleding op geen enkele wijze aantasten. En het is precies deze ontsporing die Harinck in genoemde stelling ziet opdoemen. De heilsfeiten vormen voluit de grond en de inhoud van het geloof, maar nooit het model of het exempel dat zou moeten worden nagevolgd. De Schrift leert evenmin dat deze heilsfeiten in de volgorde waarin ze plaatsvonden omhelsd moeten worden. Ds.' Harinck signaleert naar mijn besef scherp dat door elke systeemdwang het toe-eigenende werk van de Heilige Geest wordt tegengestaan en de opbloei van het geloofsleven wordt belemmerd. Wie het geheim van de bevinding in een schema perst, pleegt verraad aan het verborgen en vrijmachtige werk van de Geest.
A. DE REUVER, DELFT
N.A.V. C. HARINCK, DE TOELEIDENDE WEG TOT CHRJSTUS, UITGAVE GROEN, HEEREVEEN, 236 PAG., ƒ 34, 95.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 oktober 2001
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 oktober 2001
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's