Een nieuwe 'Graafland', boeiend, teleurstellend?, inspirerend! [2]
Bij het boeiende nieuwe boek van dr. C. Graafland zou ik toch ook met voorzichtigh de kwalificatie teleurstellend willen bezigen. Wel met een vraagteken erachter. Daarov verklaar ik mij straks nader. Maar het laatste woord blijft toch 'inspirerend'. wat de lezer aan dit boek in elk geval overhoudt: nieuwe motivatie en inspiratie bijbels en bij-tijds gereformeerd te zijn.
De behoudende Graafland
Wie zou dit boek als teleurstellend kunnen ervaren? In de eerste plaats zij die hoopten dat Graafland nog eens een bocht zou omslaan en afscheid zou nemen van de klassiek-gereformeerde positie die hij altijd - met de nodige interne kritiek en nuancering - heeft ingenomen. Nu, daar komt niets van in. Dat blijkt uit de manier waarop hij spreekt over de bijdragen van dr. A. van de Beek en dr. A. J. Plaisier tijdens het in 2000 gehouden symposium van de RRQR. Het ging ook toen en daar over de vitaliteit van de gereformeerde orthodoxie. Met veel verwachting toog Graafland erheen, maar de uitkomst van het symposium viel hem niet mee. Het werd hem duidelijk dat ook deze gerenommeerde theologen niet bij machte waren om de klassiek-gereformeerde theologie zelfs maar een stap verder te brengen. Plaisier zocht de oplossing in een fusie van de gereformeerde met de ethische theologie. Dat is de lijn waarin zich ook dr. H. de Leede beweegt blijkens diens proefschrift. Deze ziet de ethische theologie als de enige echt vruchtbare poging tot herformulering van de reformatorische theologie in onze context. Daarmee zou gezegd zijn dat de orthodoxgereformeerde theologie niet meer mee kan. Graafland schrijft dan: 'Hij laat essentiële noties uit de gereformeerde theologie vallen. Ik denk aan de zondeval en het klassiek-gereformeerde verstaan van de heilsgeschie-denis. Maar zelfben ik daar voorlopig nog niet aan toe.'(11).
Ook bij Van de Beek constateert hij trouwens dat diens visie 'gemeten aan de norm van de gereformeerde orthodoxie ingrijpende afwijkingen blijkt te eid vertonen, zoals bijvoorbeeld de ont- er kenning van de zondeval en de relatie tussen Dat is God en de zonde'(i3). Het om maakt een enigszins ambivalente indruk dat Graafland enerzijds Van de Beek in bescherming lijkt te nemen tegen de kritiek die laatstgenoemde juist op deze punten vanuit de rechterflank te verduren heeft gekregen. Maar anderzijds gaat hij hierin toch beslist niet met Van de Beek mee (179). En prof. dr. F. G. Immink die een pleidooi voert voor gereformeerd zijn in 'een brede bedding' krijgt de waarschuwing te horen dat hij dan wel heel goed moet weten wat hij doet. Je bent als je niet oppast zomaar overgegaan naar een parallelweg die men als semigereformeerd zou kunnen bestempelen, in plaats van je in de rechte lijn voort te bewegen binnen de gereformeerde traditie. Ten overvloede: het is dat laatste wat Graafland nadrukkelijk wil.
Ik kan mij goed voorstellen dat meni-ge lezer van het boek teleurgesteld is vanwege de behoudende positie van Graafland. Wie hoopte dat hij de sprong zou maken naar een wezenlijk ander spoor dan het klassiek-gereformeerde, ziet deze hoop de bodem ingeslagen. Mij heeft het juist goed gedaan en bemoedigd dat hij op deze wijze positie kiest.
De kritische Graafland
Tegelijkertijd zullen er ook velen zijn die het betreuren dat Graafland opnieuw kritische geluiden laat horen aan het adres van de gereformeerde belijdenisgeschriften. We behoeven daarvan mijns inziens niet te schrikken wanneer het erom gaat nog eens duidelijk te maken dat zulke menselijke geschriften toch altijd weer een gebrekkige weergave bieden van wat God ons heeft geopenbaard in Zijn Woord. Dat lijkt mij een zuiver reformatorisch inzicht: de belijdenis blijft altijd appellabel aan de Schrift die de hoogste norm is. De leuze 'Schrift en belijdenis' mag er nooit toe leiden dat de belijdenis op dezelfde hoogte wordt geplaatst als de Schrift. Terecht protesteert Graafland tegen de opvatting dat de Schrift niet meer voor zichzelf
zou kunnen spreken en dat de belijdenis bij voorbaat het normatieve verstaan van de Schrift zou vastleggen. Hij plaatst zijn orthodoxe opponenten in dit verband zelfs in het kamp van degenen die door de Verlichting en het postmodernisme zijn beïnvloed. Een aardig stukje retoriek!
Hartelijke instemming met de belijdenisgeschriften en diepe herkenning van het daarin vertolkte geloof sluiten niet uit dat we positief kritisch mogen denken en spreken over wat erin staat en over wat er nu juist niet in staat. Alleen...dan moet bij zulke kritiek wel uiterste zorgvuldigheid en nauwkeurigheid worden betracht. Van een gedegen onderzoeker en grondig kenner van de gereformeerde traditie als
Graafland ontegenzeggelijk is, mag je die zorgvuldigheid dan ook verwachten. Ik moet zeggen dat ik op dit punt toch enigszins teleurgesteld ben door dit boek. Enkele keren doet Graafland de confessie naar mijn inschatting niet voluit recht. Een tweetal voorbeelden daarvan. Op blz. 43 lezen we over de Dordtse Leerregels 'dat men inhoudelijk bleef uitgaan van de eeuwigheid van Gods besluit van verkiezing en verwerping. Want waar men ook begon, van bovenaf of van benedenaf, de diepste oorzaak van het al of niet behouden worden van de mensheid werd gezien in het eeuwig besluit van Gods verkiezing en verwerping. Met andere woorden: het scholastieke, causale denksysteem bleef overheersen.' Deze opmerking doet sterk denken aan hetgeen prof. dr. G. C. Berkouwer al zo'n veertig jaar geleden in een bekend geworden opstel in het Gereformeerd Theologisch Tijdschrift (1963) heeft betoogd. Hij maakte toen onderscheid tussen het grondmotief van de Leerregels (de verwijzing naar het sola fide, sola gratia, de kritiek op alle verdienstelijkheid) en het kader waarin dit grondmotief is gevat. Dat kader is dan de duidelijk causale benadering waarbinnen de verkiezing ter sprake wordt gebracht. Berkouwer constateert dan een innerlijke tegenstrijdigheid binnen de Leerregels: er wordt immers ook gezegd dat de oorzaak of schuld van het ongeloof geenszins in God ligt, maar in de mens. Berkouwer schrijft dan: 'De opstellers der canones zijn er niet in geslaagd deze onduidelijkheid weg te nemen en men kan zeggen, dat ook in later tijd niemand daar nog in geslaagd is, ondanks vele pogingen die daartoe zijn ondernomen.' Al met al was Berkouwer in 1963 toch voorzichtiger in zijn bewoordingen dan Graafland nu en deed hij meer recht aan de gelukkige inconsequenties waardoor de Leerregels gekenmerkt worden (dit in opmerkelijk contrast met de rechtlijnigheid van vele tijdgenoten zoals bijvoorbeeld Beza of Zanchius).
Ik noemde al de kritiek van Graafland op artikel 1 van de Nederlandse Geloofs Belijdenis. Deze kritiek herken ik zeker. Waarom zouden we niet eerlijk stellen dat we in een hedendaags belijden heel anders zouden inzetten in ons getuigenis aangaande de HEERE, de bewogen God die in Christus zichzelf als heilige Liefde heeft geopenbaard. Niet zo abstract als De Bres het indertijd deed in het toenmalige theologische spraakgebruik. We zouden het anders willen, maar ook anders moeten doen dan artikel 1 van de NGB het doet, maar dan tegelijkertijd in volle instemming met de diepste intenties van De Bres en met alle begrip voor de in zijn eigen tijd passende verwoording. In zoverre zit ik met Graafland op één lijn. Toch vind ik dat hij in zijn kritiek doorslaat en de nuancering uit het oog verliest. Bijvoorbeeld wanneer hij opponeert tegen de uitdrukking in artikel 1 dat God 'een onbegrijpelijk Wezen' is. Hij stelt daartegenover dat God zich in Christus tot op de bodem van Zijn hart aan ons heeft geopenbaard, glashelder en zonder maar iets achter te houden. Hij meent dat de belijdenis hier van God dingen zegt die niet bijbels zijn en die ook een -negatieve uitwerking hebben gehad op het geloven in God.
'Zij heeft van God gemeend dat Hij een deel van zichzelf heeft achtergehouden, dat wij niet mogen kennen. Met name dacht zij daarbij aan Gods eeuwige besluiten. Die kennen wij niet omdat God ze voor ons geheim heeft gehouden. Als dat zo zou zijn, dan stuit je inderdaad op een onbegrijpelijke God' (118).
Maar...heeft De Bres dit zo bedoeld? Heeft dr. W. Verboom geen gelijk als hij deze eigenschap van God, 'ondoorgrondelijk' of'onbegrijpelijk 1, rechtstreeks ziet weglopen uit de lofprijzing van Paulus in Romeinen 11? 'Paulus is hier niet de onwillige leerling die Gods geschiedenisboek dichtslaat en zegt: 'Onbegrijpelijk'. Paulus is hier de zanger die Gods liedboek opent en jubelt 'Onvoorstelbaar!' Geen irritatie of afwijzing, maar overgave en aanbidding vervullen zijn hart.' (Kostbaar bel den, 53). God houdt in Christus niets achter, maar tegelijkertijd is God altijd groter dan wij met ons beperkt begrip kunnen bevatten. Bovendien is God groter dan ons hart! In alle eeuwigheid zullen we kunnen groeien in kennis van God en dan ook in liefdevolle aanbidding van Hem. Dat bedoelde De Bres en het doet mij pijn wanneer deze bedoeling kennelijk zozeer door Graafland wordt miskend.
De vernieuwende Graafland
Er is nog een derde en laatste reden waarom het boek van Graafland enigszins teleurstellend genoemd zou kunnen worden. Is hij nu degene die - om zijn eigen woorden te gebruiken - kan wat Van de Beek en Plaisier niet konden, namelijk 'laten zien hoe de gereformeerde theologie verder kan worden gebracht en ook onze tijd vitaliteit zal blijken te hebben'? (8)
Het is zeker boeiend en inspirerend wat Graafland schrijft over God, over Christus en over de Schrift. Maar de accenten die hij legt, zijn ook bij verscheidene andere hedendaagse gereformeerde theologen te vinden. Men leze bijvoorbeeld tijdschriften als Theologia Reformata en Kontekstueel er maar op na, terwijl ook menige bijdrage in de Waarheidsvriend op wat meer popu laire wijze getuigenis aflegt van voortgaande vernieuwing van de gereformeerde theologie. Bovendien is dat ook te merken in veel preken. Dat merk ik wanneer ik preken van collega's die op bandjes zijn opgenomen, met veel stichting beluister, zoals ik trouwens ook de preken van Graafland zelf heel graag mag horen. Ik ben het dan ook beslist niet eens met zijn generaliserend negatieve oordeel over de prediking in hervormd-gereformeerde kring (38, 39). Heeft hij systematisch onderzoek gedaan naar de prediking voordat hij een zo verregaande constatering deed? Hoort hij zijn collega's zo vaak en verschilt hun prediking inderdaad zo mijlenver van die van hemzelf? Ik wil bepaald niet ontkennen dat er veel aan de prediking onder ons ontbreekt. Maar het zou ondankbaar en onheus zijn wanneer we niet de positieve, bijbels verantwoorde ontwikkelingen in veler prediking zouden erkennen. De werkelijke situatie is ongetwijfeld veel genuanceerder dan Graafland doet voorkomen'.
ij- De inspirerende Graafland
Teleurstellend is niet het laatste woord. Ik laat achter dat woord het vraagteken toch maar staan, omdat het eigenlijk overvragen zou zijn om van één man een verrassend nieuw totaal-ontwerp te verwachten, dat tegelijkertijd sprankelend eigentijds en klassiek-gereformeerd is. Is het niet veeleer zo dat de gereformeerde theologie zich in rapport met de eigen tijd stap voor stap ontwikkelt, niet door opzienbarende theologische ontwerpen van enkelingen, maar door geduldig teamwork van velen die volhardend luisteren naar de Schriften, in openheid voor eigentijdse ontwikkelingen, in dankbare gemeenschap met het belijden van het voorgeslacht en zich strekkend naar de toekomst van Jezus Christus?
Inspirerend zijn de aanzetten die Graafland geeft in de bepleite openheid voor een bijbelwetenschap die haar grenzen kent, in zijn schets van een bijbels geloven in de God die met Zijn tijd meegaat en in Jezus in Wie God zelf zich ontledigd heeft van zichzelf, van Zijn God-zijn. Alleszins de moeite waard om in het hier getrokken spoor door te denken, ook over de andere hoofdstukken van de gerefor- - meerde leer, zoals Graafland die op de bladzijden 20 en 21 opsomt en aan de uitwerking waarvan hij in dit boek (nog) niet is toegekomen. Dit boek levert eens te meer het bewijs dat bijbels geloven een boeiende en dynamische zaak is, waarmee je ook in de 21e eeuw uit de voeten kunt. En ook dat het mogelijk is om vanuit het luisteren naar de Schriften voort te gaan in het klassiek- gereformeerde spoor, reformata quia reformanda, gereformeerd om voortdurend gereformeerd te worden. Het nieuwe boek van Graafland is een nieuw bewijs voor de actualiteit en de continuïteit van de gereformeerde theologie! Daar is hij mee te feliciteren, wat ik dan ook hierbij van harte doe!
J. Hoek, Veenendaal
* Dr. C. Graafland, Bijbels en daarom gereformeerd, uitgeverij Boekencentrum - Zoetermeer, 2001, 184 blz., ƒ 35, 04/euro 15, 90 ISBN 90 239 0968 2.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 oktober 2001
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 oktober 2001
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's