De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De toeleidende weg [2]

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De toeleidende weg [2]

10 minuten leestijd

Polemiek

In het jongste boek van ds. C. Harinck vindt, zoals we vorige week zagen, veel polemiek plaats. De strekking van het geschrift is evenwel voluit positief. Ik ga nu voorbij aan de verhelderende passages die hij wijdt aan de analogie van het geloof, aan de waarde en onwaarde van allegorische Schriftuideg en aan de onderlinge samenhang van de drie stukken uit de Heidelberger. Ik beperk me tot zijn hoofdthese. Zijn stelling is dat er ondanks vele misvattingen die op dit terrein gangbaar zijn, toch met recht van een toeleidende weg gesproken kan worden. Daaronder verstaat hij de weg van ontdekking aan de zonde, een weg die de Heilige Geest met de uitverkorenen gaat teneinde hun hoogmoed te breken en hen om Christus verlegen te maken. De zondekennis is dus geen voorwaarde waaraan wij zelf zouden moeten voldoen, maar de weg waarlangs de Geest ons voor het heil in Christus prepareert. Het criterium bij deze scholing in zelfkennis is niet de langdurigheid of de diepgang, maar de honger naar behoud.

Kanttekeningen

Ik veroorloof me om evaluerend enkele kanttekeningen bij Harincks visie te maken. Ik doe dat pertinent vanuit een gevoel van geestelijke en theologiehistorische verwantschap. Wanneer hij wil onderstrepen dat aan de heilskennis van de zondevergeving een noodzakelijke zonde-ontdekking voorafgaat, val ik hem bij. Toch dient men denk ik bij dit gezichtspunt een onmisbare nuancering aan te brengen, wil men de Schrift en het reformatorische erfgoed recht doen. In de eerste plaats lijkt het me niet correct om te stellen dat de zondekennis aan de ontmoeting met Christus-als-zodanig voorafgaat. Ik zeg niet dat Harinck deze mening is toegedaan, maar wel dat bepaalde formuleringen die hij gebruikt soms die indruk wekken. Zo bijvoorbeeld als hij enerzijds beklemtoont dat Mattheüs de tollenaar zonder enige voorbereidende verslagenheid uit zijn tolhuis werd geroepen, maar hierop anderzijds laat volgen: 'Het gaat er maar om dat er genoeg (...) smart over het bedreven kwaad en verlangen naar vrede met God is, om ons op Christus' roepende stem tot Hem te wenden'. Grote verslagenheid is niet vereist, maar ze moet er kennelijk, in (net) genoegzame mate, wel zijn. Harincks milde tegemoetkomendheid valt te waarderen en zijn pastorale bedoeling is duidelijk. Maar niet duidelijk is hoe het eerst gelegde accent zich verhoudt tot het daaropvolgende citaat. Suggereert de auteur op deze manier toch weer niet dat ook Mattheüs voldoende zondesmart voelde om aan Jezus' roepstem gehoor te kunnen geven, zoals dat blijkbaar bij iedere krachtdadig geroepene het geval dient te zijn?

Met klem zou ik ervoor willen pleiten om deze suggestie te vermijden. De ontmoeting met Jezus staat onder geen enkel beding. Ieder mag komen precies zoals hij of zij is. En zoals men is, wordt men verwelkomd. Nicodemus kwam zo eigenwijs als hij was. De Samaritaanse 'kwam' zo bezoedeld als zij was. Zacheüs kwam zo nieuwsgierig als hij was. En ga zo maar door. Jezus ontvangt hen, zo onboetvaardig als zij zijn. Ongereserveerd en onvoorwaardelijk. De reden daarvan is dat heel de kwaliteit van dat komen van ons geen enkel gewicht in de schaal legt. Dat Hij tot ons komt, dat geeft de doorslag. Want de weegschaal is een schaal van vrije, kosteloze genade, waarbij niets van het onze in aanmerking korftt. Jezus ontvangt geen zondaren op grond van enige kwaliteit, maar bij gebrek aan alle kwaliteit. Ieder echter die met Hem in aanraking komt, neemt Hij onder handen. Soms drastisch, zoals in Nicodemus' geval, dan weer geleidelijk aan, zoals in het gesprek met de vrouw uit Samaria, maar altijd eerlijk, en vooral helend.

Confrontatie

Even onvoorwaardelijk gaat het ook in de apostolische prediking toe. Ze confronteert ons met Jezus, de Verhoogde, Die in Zijn Evangelie gekleed ons nabij komt. Niemand wordt daarbij eerst gecontroleerd. Niemand wordt teruggestuurd. Discriminatie is er niet bij. Maar evenzeer geldt, dat ook niemand de kritiek van de ontdekking wordt bespaard. Wat ik maar wil zeggen: het is Christus Die ons opzoekt waar we zijn en ontmoet zoals we zijn, om ons vervolgens Zelf door Zijn Woord en Geest toe te leiden tot het geheim van Zijn borgwerk. Er ligt geen voorbereidende heilsweg tussen een zondaar en de ontmoeting met Jezus. Dat de Heere God in Zijn voorzienige leiding wegen gebruikt om mensen met Christus in aanraking te brengen, is wat anders. Maar het is de Heiland Zelf Die ons ontdekkend bereidt tot het heil. Dat geeft Hij niet uit handen. Hij is de Weg. Uitsluitend. En volkomen. Elke weg die niet Jezus is, moet een dwaalweg heten. Hij alleen is berekend op alles wat ons ontbreekt. Dat het trouwens ook Harincks diepste intentie is om deze grondnotie gestand te doen, blijkt uit zijn Erskiniaanse uitspraak: 'Al zijn wij nog zo ongeschikt voor Jezus, de Heere Jezus is nochtans wel geschikt voor ons'.

Wet en Evangelie

Dit besef moet ons ook voorzichtig maken met de stelling dat de Wet aan het Evangelie voorafgaat. Het waarheidselement ervan zou ik niet graag ontkennen. Waar men 'evangelisch' roemt in de Redder Die van zonde bevrijdt, zonder de zelfaanklacht onder de vloek van de Wet, heeft men niet de Gekruiste in het oog. De vraag is alleen waardoor men tot die zelfveroor-deling geraakt. De reformatoren, Luther vooral, wisten het antwoord: door de Wet, maar bij uitstek wanneer zij in het licht van het kruisevangelie wordt verstaan. Want het is het Evangelie dat ons laat zien dat de Wet geen weg tot zelfbehoud is, maar een veroordelende tuchtmeester tot het behoud in Christus. Het Evangelie leert ons beamen dat God zozeer aan de zonde tilt en het oordeel van Zijn heilige Wet zo ernstig neemt, dat Hij de zonde bezocht met de vloekdood. Op Golgotha beland - het hart van het Evangelie! - hoor ik de vloek van de Wet als nimmer te voren en als nergens elders. Kortom, de 'toeleidende weg' gaat niet aan de Weg vooraf, maar is er een vitaal onderdeel van. De ontdekking der zonde die aan de ontdekking van de vergeving voorafgaat, is niet het resultaat van de Wet op zichzelf, laat staan van onze ideeën over de Wet, maar van de boods/hap van het Evangelie dat zegt waar het in de Wet op staat.

Zo bezien is het Evangelie niet minder ontmaskerend dan de Wet. Het tegendeel is het geval. Uitgerekend het Evangelie betuigt hoe dodelijk de Wet is voor een zondaar buiten Christus. Zij is geladen met de hoogspanning van Gods heiligheid. Die was alleen te verduren door de Zoon van God Zelf. En het kostte Hem Zijn leven. In de ontdekking aan de zonde is er dus sprake van een samenwerking tussen Wet en Evangelie, met dien verstande dat het Evangelie het Wetsoordeel intensiveert en radicaliseert. Vanuit deze gezichtshoek staan Wet en Evangelie dus niet tegenover elkaar, maar veeleer naast elkaar. Toch valt er meteen nog op een ander aspect te wijzen. Terwijl het Evangelie namelijk enerzijds de vloek van de Wet bevestigt, bevat het anderzijds nu juist de boodschap dat deze vloek volkomen is gedragen door de Middelaar. In die zin staan Wet en Evangelie wel degelijk tegenover elkaar. De Wet - versterkt door het Evangelie - veroordeelt, maar het Evangelie verklaart ons dat Christus plaatsbekledend tot zonde en vloek

is gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem (2 Kor. 5). Het is dit Evangelische uitzicht op vergeving en verzoening waardoor de ontdekking aan de zonde wordt gedragen en verdiept.

Wisselwerking

Met recht spreekt Harinck hier van 'een wisselwerking tussen de eisende Wet en het belovende Evangelie'. Daarmee bedoelt hij dat de overtuiging van de zonde door de Wet nooit los staat van de hoop op het Evangelie. Dat heeft hij van geen vreemde. Calvijn was er zeker van dat een bewustzijn van Gods oordeel niets dan heilloze angst teweegbrengt als het niet gepaard gaat met hoop op Zijn genade (comm. Psalm 130 : 4). Hij was zelfs van mening dat er geen oprecht gebed uit onze mond komt als we niet geloven door Gods genade behouden te worden (comm. Psalm 140 : 7). Ook met een beroep op Theodorus van der Groe onderstreept Harinck dat de ware overtuiging dan ook 'vergezeld' gaat van een gelovige kennis van de Heere Jezus, zoals Hij ons wordt 'voorgedragen in de beloften van het Evangelie'. Zonder geloof in het aanbod van het Evangelie lopen wij, volgens Van der Groe, 'onze dood tegemoet'. Het inzicht daarentegen dat . God bereid is om ons genadig te zijn, verbreekt en verootmoedigt ons op een zaligmakende wijze. 'Daarom zal - aldus Van der Groe - zonder het bloed en de gehoorzaamheid van Christus alle prediking van de Wet maar lauw en krachteloos zijn'!

Ten slotte

Als nu noch de Schrift, noch het reformatorische erfgoed ons de term 'toeleidende weg tot Christus' in de mond legt, zou het dan niet wijs zijn om deze misverstandwekkende benaming achterwege te laten? Althans, wanneer het gaat om de weg die naar de heilskennis voert. Voor dat perspectief moeten we liever genoeg hebben aan De enige Weg. We dienen de mensen die ons in prediking en pastoraat zijn toevertrouwd recht toe recht aan naar Jezus te verwijzen, zonder nochtans te verzwijgen dat Hij een Geneesheer is Die onze diepste kwalen pleegt bloot te leggen alvorens ze te genezen. De reformatoren hebben dan ook goed begrepen dat alles wat een zondaar behoeft, hem ten deel valt uit de geloofsgemeenschap met Christus. In heel ander opzicht lijkt me de term 'toeleidende weg' echter bruikbaar en in toegenomen mate zelfs actueel. Ik denk hierbij aan het schokkende feit dat het grootste deel van de West- Europese bevolking aan de plek voorbijgaat waar Christus ons wil ontmoeten. De christelijke opvoeding van huis, kerk en school behoort voor deze categorie tot het verleden. Het betreft mensen die niet zijn gedoopt, die onkundig blijven van Gods gebod en belofte en die leven zonder Bijbel en gebed. Hoe komt deze van God vervreemde generatie in contact met Hem die de Weg is? In dit licht krijgt de kwestie van een toeleidende weg tot Christus in één keer bijzondere urgentie. Ik ga op de missionaire vragen die hier liggen in dit verband niet in. Ze vallen buiten het kader van Harincks geschrift en ook van deze bespreking.

Nog een laatste opmerking. In verbondenheid aan de (nader) reformatorische traditie waarvoor de Gereformeerde Gemeenten willen staan, spreek ik de hoop uit dat dit geschrift van één van haar predikanten juist ook in hun eigen kring een genezende werking zal hebben. Maar ik voeg er onmiddellijk aan toe dat het boek van ds. Harinck geneeskracht bevat voor ieder die verlangt de weg te gaan van Hem Die zó exclusief de Weg is, dat Hij ook de Waarheid en het Leven is. Wie de exclusiviteit van dit drievoud: 'de Weg, de Waarheid en het Leven' op zich laat inwerken, begrijpt denkelijk mijn bezwaar tegen de term: 'de toeleidende weg tot Christus'. Welke weg immers zou er buiten of vóór deze Weg ooit waar en levenwekkend kunnen zijn?

A. de Reuver, Delft

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 oktober 2001

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's

De toeleidende weg [2]

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 oktober 2001

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's