Gezamenlijke verantwoordelijkheid [2]
DE EREDIENST
Sacramenten
De bediening van de beide sacramenten is alleen aan de predikant voorbehouden. Zoals hierboven reeds is aangegeven, dragen de ouderlingen echter medeverantwoordelijkheid voor het rechte gebruik ervan.
.Wat de doop betreft, hebben wij dan te denken aan de toelating daartoe. In de kerkorde wordt gezegd bij de ordinantie voor de bediening van de heilige doop: 'De kerkenraad houdt opzicht, dat de doop in het midden der gemeente heilig wordt gehouden en door de ouders en verzorgers voor hun kinderen wordt begeerd' (Ord. 8.1.1). Vooral in die streken waar de Hervormde Kerk nog het karakter heeft van een volkskerk, kunnen zich hier moeilijkheden voordoen. Het lijkt mij niet aanbevelenswaardig als de kerkenraad allerlei voorwaarden gaat stellen. Bijvoorbeeld dat het ouderpaar een aantal keren de kerkdiensten heeft mee te maken. In de bloeitijd van de kerk stond men een ruime dooppraktijk voor. God van Zijn kant stuurt niemand terug. Zeker niet de kinderen. Men doopte (bijna) al wat in het doophuis binnengebracht werd. Het beste is, dunkt mij, de ouders te wijzen op hun verantwoordelijkheid bij het geven van hun ja- woord.
Betreffende het Avondmaal, vanouds gaat aan de bediening hiervan de censura morum vooraf. De kerkenraad geeft de leden van de gemeente gelegenheid zich met een klacht tot hem te wenden. Het gaat bij dit 'toezicht op de zeden' om aanwijsbare zonden. De kerk oordeelt niet over het innerlijk. De praktijk leert dat er in het algemeen door de gemeenteleden weinig gebruik gemaakt wordt van de censura morum. Toch is het goed dat de gelegenheid blijft bestaan Voor eventuele problemen kan men altijd terecht. In vele gemeenten zijn de ouderlingen bij de viering van het Avondmaal aanwezig als 'tafelwacht'. Ze herinneren de gemeente er aan, dat de toelating tot het Avondmaal niet algemeen is. Het is de maaltijd waar de leden van het huisgezin van God verwacht worden. Bij brood en beker wil de Heere Zichzelf aan de Zijnen schenken en worden zij van hun kant geroepen Zijn Naam groot te maken. Ook de ouderlingen zelf worden verwacht. Zeker, daar waar avondmaalsmijding en schroom de overhand hebben, kan het gebeuren dat ook ambtsdragers niet aan het Avondmaal deelnemen. Hier is al het nodige over geschreven. Ernstig is, als men meent in overgeestelijkheid het Avondmaal niet nodig te hebben en zelfs neerziet op hen die aangaan. Bekering is een onontkoombare eis. Of anders zo snel mogelijk het ambt neerleggen. Wie daarentegen worstelt met de geestelijke vragen, mag weten, dat Christus machtig is mensen in de ruimte te stellen. Verder is het voor elke ambtsdrager nodig steeds weer toe te zien op zichzelf om werkelijk in het geloof aan te gaan. De vrijmoedigheid om tot de tafel des Heeren te gaan, wordt niet ontleend aan het ambt, maar alleen aan de nodiging die Christus als de grote Gastheer doet uitgaan. De diakenen zijn bij de avondmaalstafel dienend bezig. Hun aanwezigheid bepaalt de gemeente erbij, dat de eenheid die zichtbaar wordt naar buiten dient te komen in bijstand aan hulpbehoevende broeders en zusters.
Stijl
Met name denken wij hier aan de kleding, het hoofddeksel en dergelijke. En wel met betrekking tot de eredienst. Heeft de kerkenraad, uiteraard met inbegrip Van de predikant, hierin ook een verantwoordelijkheid? Voor de een een achterhaalde vraag, voor de ander een aangelegen zaak. In het laatste geval kan zelfs afwijkend gedrag de nodige onrust veroorzaken. In zijn algemeenheid zij het besef levend, dat wij in de kerk voor Gods aangezicht verschijnen. Het publieke karakter van de eredienst maakt het geven van allerlei aanwijzingen, bijvoorbeeld bij de ingang van de kerk, niet wenselijk. Als Jezus sprak waren er de tollenaars en de zondaren. In onze tijd zou men spreken van junks, prostituees, drugsdealers en dergelijke. En ze waren nog hartelijk welkom ook. Zoiets heeft ons toch wat te zeggen. De kerkdeur mag openstaan voor eenieder. Aan de andere kant mag het besef levend zijn dat de kerk niet zo maar een plek is. Als Petrus bij de wonderbare visvangst merkt dat de Heere op de oever staat, doet hij eerst zijn opperkleed aan om vervolgens naar de Meester toe te zwemmen, Joh. zi. We lezen niet dat Jezus ooit Zijn discipelen in dezen onderwezen heeft, maar de wetenschap dat het de Heere was drong hem daartoe. Soms spreken dingen vanzelf. 'Trekje nette kleed maar aan, als je naar de kerk gaat', zei een ouderling als toepassing. Het geloof zit niet in de vorm, maar komt er wel in uit. Als het goed is, zal als vanzelf in de gemeente het besef leven, hoe men zich in het huis van God heeft te gedragen. Eerbied waar Hij woont! Het is een veeg teken, als deze beseffen gaan ontbreken. Zeker geldt dit als de deelname aan de sacramenten in het geding is. Hier kunnen juist problemen komen. Soms is er in vroeger dagen een bepaalde gedragslijn aangenomen, waarvan de latere handhaving steeds weer moeilijkheden oplevert. Het op de klank af citeren van bijbelteksten, een beroep op de stijl en de gangbare gewoonte baten niet meer of werken zelfs het tegendeel uit.
De manier waarop men met elkaar en met bepaalde situaties omgaat, blijkt vaak veel te wensen over te laten. Hier kan een bepaald manco in de prediking van invloed zijn. De prediking kan met de beste bedoelingen eenzijdig zijn toegespitst op de toe-eigening van het heil. Aan andere gedeelten uit het Woord van God is voorbijgegaan. Bijvoorbeeld die waarin gesproken wordt over de onderlinge omgang in de gemeente. Professor Versteeg schreef er zijn lezenswaardige boekje over onder de titel: Oog voor elkaar. In tijden van crisis worden de teksten die betrekking hebben op het onderlinge verkeer in de gemeente overhaast geciteerd. Voorkomen is echter beter dan genezen. Tijdig onderwijs vanuit het Woord kan in voorkomende gevallen vruchtbaar blijken voor de opbouw van de gemeente. Verder kan het altijd zin hebben onderscheid te maken tussen hoofd- en bijzaken. Eens werd vanuit Wezel aan Calvijn door bezwaarde gemeenteleden om raad gevraagd. Tijdens de viering van het Avondmaal wilde men kaarsen laten branden. Door de bezwaarden werd dit gezien als een overblijfsel van de roomse zuurdesem. Calvijn deelde hun bezwaar. Hij wekte hen echter op tot aanvaarding. Er zijn misstanden die men kan en moet dragen totdat men ze verbeteren kan, aldus Calvijn. Deze vorm van acceptatie is geen teken van zwakheid, maar van kracht. Zo wordt voortkomen dat onheilig vuur gaat oplaaien in de gemeente. Het apostolische vermaan is hier van toepassing: 'Wordt van het kwade niet overwonnen, maar overwint het kwade door het goede' (Rom. 12 : 21).
Algemene opmerkingen
Vele zijn de problemen waar een kerkenraad mee te maken kan krijgen, als hij zich geroepen weet zijn verantwoordelijkheid voor de gemeente, en voor het samenkomen van de gemeente gestalte te geven. Het is niet gemakkelijk om daar een eenduidig advies in te geven. De situaties kunnen zo verschillend zijn. Maar hopelijk kunnen de volgende korte opmerkingen van pas komen.
1. Daar zijn twee onderdelen van de eredienst waarin het gemeenschappelijk element een grote plaats inneemt. Te weten de samenzang van de gemeente en de viering van het Avondmaal. De geschiedenis van de kerk laat echter zien hoezeer juist hier verdeeld-
heid is ontstaan. Woorden als gezangenkwestie en avondmaalsstrijd zeggen in dezen genoeg. Of de duivel ook weet waar hij zijn moet om de eendracht te verbreken. Verschillen van inzicht betreffende het zingen of de wijze waarop men aan het Avondmaal deelneemt, kunnen ook nu gemakkelijk een invalspoort voor de boze worden. Hier geldt maar een ding voor elk lid van de gemeente, vooruitstrevend of behoudend, maar ook voor elk kerkenraadslid: waakt en bidt.
2. Om jongeren te winnen of bij de gemeente te bewaren, gaat men soms heel ver om aan hun wensen tegemoet te komen. Men gaat de dienst leuk maken ten hunnen gerieve. Liederen kunnen op het repertoire komen waar de kerkenraad het zelf niet mee eens is. Het heeft wat krampachtigs. Tegelijk wordt het geheel van de gemeente uit het oog verloren en vervreemdt men ouderen. Uit oogpunt van gemeenteopbouw niet verstandig. Verder kan het krampachtig naar zich toehalen van de jeugd een demonstratie zijn van het ongeloof. Alsof op deze wijze het voortbestaan van de Kerk en van de gemeente gegarandeerd wordt. Onze blik moet hoger gericht zijn. En wat de jeugd betreft: laat de bewogenheid met hen niet ontbreken. Anders hebben onze kinderen en die van de gemeente echt zelf geen toekomst. Zo gezien kan er niet genoeg aan hen gedacht worden.
3. Wij leven in een dynamische tijd. Alles is aan verandering onderhevig. Ook in liturgisch opzicht kan er veel veranderen. Wij zien ook onder ons hoe de traditionele manier waarop de kerkdiensten worden gehouden steeds meer onder druk komt te staan. Een goede regel is: wij houden niet van het oude omdat het oud is, en wij streven het nieuwe niet na omdat het nieuw is. Beide aspecten gelden ook voor de eredienst. Er is een manier waarop wij star de oude vormen koesteren zonder dat wij verstaan waartoe zij dienen. Wij blijven met de lege huls achter zonder een hart dat naar God vraagt. Laten wij ook niet van onze vernieuwingen heil verwachten. Ook niet als de nood van de tijd ons ertoe schijnt te dringen. De geestelijke crisis waarin wij verkeren als volk en als werelddeel en als kerk is te groot, dat wij die kunnen oplossen met wat liturgische veranderingen. 'Het zijn niet onze instituten, organisaties, grote geleerdheid en liturgische vernieuwingen die een kerk levend houden' (J. C. Ryle).
4. In onze tijd zijn wij resultaatgericht. Het bedrijfsleven gaat ons erin voor. Als iets elders aanslaat, dient het vanwege het succes zo snel mogelijk overgenomen te worden. Het kan echter niets anders zijn dan kortetermijnsucces. God vraagt niet van ons dat wij succes hebben, maar dat wij getrouw zijn. Getrouw aan Hem en Zijn Woord, en getrouw in Zijn gemeente. En Hij doe ons in de oogst geloven.
P. H. VAN HARTEN, RIDDERKERK
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 november 2001
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 november 2001
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's