Uit de pers
Bijbel en tijd
Ooit werd me als jong dominee door iemand meegegeven deze goede raad: je moet altijd in drie boeken lezen. Het boek van God (Bijbel), het boek van de mens (hart en leven) en het boek van de tijd (dat wat er gebeurt om je heen). Ik was n september op bezoek bij oudere gemeenteleden. Ze werden gebeld door een van hun kinderen: zet de televisie eens aan, er is iets vreselijks aan de hand in de Verenigde Staten. En met dat de beelden zichtbaar werden, vloog het tweede toestel in de tweede toren van het WTC. Ooit was het een standaardvraag: waar was u toen John Kennedy werd vermoord? Voortaan zal het wel worden: waar was u op II september 2001? De vraag die na die tijd naar boven kwam, was die naar de bijbelse duiding van dit inderdaad apocalyptisch gebeuren. En als straks, aan het eind van dit jaar, de terugblikken worden geschreven zal die vraag, zeker ook in de kring van christenen, weer aan de orde komen. In de Kroniek van Kontekstueel, Tijdschrift voor gereformeerd belijden nü, november 2001, haakt dr. H. de Leede op deze kwestie in als hij schrijft onder de titel Voor en na 11 september 2001. Hij herinnert aan de samenkomsten in de VS en in de Dom van Utrecht. De religie speelt een grote rol in de meningsvorming. Daar is de islam, maar daar is ook in met name evangelicale kring de vraag naar de toepassing van woorden uit het laatste bijbelboek. Horen de gebeurtenissen nu wel dan niet tot het eindtijdscenario, las ik ergens. Zijn de verwoestende aanslagen een 'gewoon' onderdeel van de gang van de geschiedenis waarin nu eenmaal een opeenhoping van kwaad en haat te zien valt? Krijgen ze straks een plaatsje in de geschiedenisboekjes van de komende generatie en gaat het leven eigenlijk gewoon weer verder? Of was het toch een beslissende stap op weg naar het einde?
'In deze religieuze gisting moeten wij verkondigen. Dat vereist theologische wijsheid. De gemeente verlangt, terecht, naar een richtinggevend woord vanuit de Schriften. Maar wie zal ons in deze het goede doen zien? Een paar dingen vielen mij op in deze drie iveken na 11 september. Ik herinner mij een gesprek enkele dagen later. Wij, vier vijftigers, zaten om de tafel. Hoe interpreteren wij wat we zien en horen, zo vroegen wij elkaar. Wat mij opviel, was hoe sterk onze interpretatie bepaald bleek door de wijze waarop ieder van ons überhaupt naar de geschiedenis had leren kijken. Een van ons, afkomstig uit de beweging van Christenen voor het socialisme, vertrouwd met een kijk op de geschiedenis vanuit economische kracht en belangen, wees op het selectieve en mani pulatieve van veel berichtgeving. Wrang was de bittere constatering van de tweede gesprekspartner, dat zij zich niet kon herinneren dat er een dienst van gebed en verootmoediging was uitgeroepen bij de beelden van de twee miljoen doden op de killingfields van Cambodja. Beide gesprekspartners confronteren ons met het gegeven dat (dode) westerlingen kennelijk vele malen meer waard zijn dan (dode) mensen uit Aziatische, Afrikaanse en ook Arabische landen. Dat zit zo diep in het bewustzijn van d mensheid, dat ook de niet-westerse mens zelf er als vanzelfsprekend in mee gaat. Zo wordt een (dode) Israëlische soldaat geruild voor vijftig levende Palestijnen. De derde gesprekspartner, die in haar godsdienstige voeding een nogaI realistische toekomstverwachting heeft meegekregen, met Hal Lindsey-achtige scenario's over een eindstrijd van de volken in hun geding met Israël, gaf aan hoe zeer zij geneigd is deze apocalyptische beelden vanuit die invalshoek te interpreteren. Een kerntekst uit de profetie, dat de volken zich zullen vertillen aan de "steen des aanstoots" Israël/Jeruzalem, laat haar niet los in deze weken. Voor mijzelf, de vierde aan de tafel, heeft een uitspraak in een van de brieven van Dietrich Bonhoeffer een sleutelfunctie gekregen in mijn kijk op de geschiedenis in het licht van de bijbelse profetische geschiedschrijving. Bonhoeffer schrijft ergens dat "de geschiedenis zijn eigen oordelen met zich meebrengt". Wanneer ik Bonhoeffer goed begrijp, dan voltrekt zich daarin tegelijk Gods oordeel. Er zit in de voortgang van de geschiedenis een immanente dynamiek, ook in een cumulatie van (historisch) kwaad. Uitbarstingen daarvan moeten wij leren verstaan als tekenen der tijden. Vier wijzen van kijken. Duidelijk is wel voor ieder dat defeiten meer zijn dan "naaktefeiten". Maar verder kwamen we niet. Is er in deze theologische wijsheid? '
Ik herken de verlegenheid die De Leede hier bedoelt. Verder in zijn Kroniek sluit hij zich aan bij wat ds. Liefting in het Gereformeerd Weekblad schreef namelijk dat 'feiten' nooit 'louter feiten' zijn. 'Wie gelooft dat God in de geschiedenis aanwezig is, handelend, niet alleen mede-lijdend maar ook als zich doorzettende Macht, die zal in wat gebeurt Gods stem zoeken te verstaan', aldus De Leede.
Israël
Uiteraard kreeg na 11 september ook ten de positie van Israël vernieuwde aan- - dacht. Ook omdat moslims wereldwijd aangaven dat de steun van de VS aan Israël de hoofdoorzaak was van de terreuraanslagen. Ik citeer nogmaals een fragment uit De Leedes Kroniek:
'In een van de kerkdiensten die ik na 11 september bezocht, was de prediker duidelijk. Het draait allemaal om Israël! God heeft nu eenmaal dit volk uitverkoren. Niet de Egyptenaren, niet de Arabieren, niet de Nederlanders, maar Israël. Dat moeten wij de aanvaarden, aldus de voorganger. Deze ter roristische aanslag is een ultieme uiting van de ergernis uan de volken aan de verkiezing van Israël, zo vervolgde hij. Zijn taalveld klonk diep verontwaardigd. "Natuurlijk heeft op- Israël het weer gedaan." Maar God zijn plannen door ondanks alle demonische tegenstand, zo vertolkte hij Psalm 33. mij opvalt in deze gedachtegang, is dat de concrete geschiedenis wordt vastgelegd in een - sterk vereenvoudigd heilhistorisch gefundeerd schema van licht en duisternis. De niet uitgesproken, wellicht ook niet bedoelde maar onvermijdelijke gevolgtrekking uit de verkondiging, was de identificatie van Go Israël (met de gemeente in Israël ingelijfd), n en de westerse wereld voor zover het Israël steunt. De keerzijde is de demonisering van de daders van deze aanslagen en van de hele leefwereld achter hen. Daar zit mijn bezwaar. Met demonen en met de wereld der demonen ga je namelijk geen ontmoeting aan. Demonen moetje bestrijden. Praten heeft geen zin. Daarom veronderstelt een oorlog altijd de demonisering van de genstander. Dat is de verschrikkelijke tragiek uan de oorlog. Je kunt immers alleen maar vechten, wanneer je het gevoel hebt een Ho ger Doel te dienen: de menselijkheid, de v heid, de waarden van "het Westen". Dat gold bij de strijd tegen nazi-Duitsland; het geldt ook in de noodzakelijke strijd tegen dit terrorisme. Maar de geschiedenis komt pas weer op gang wanneer de demonisering van de ander voorbij is. Dat heeft de geschiedenis ons ook geleerd. Terecht zijn velen beducht de strijd tegen het terrorisme te zien als een strijd tussen beschavingen, of tussen levensbeschouwingen. De geschiedenis van de kerk laat zien dat er ook een theologisch gemotiveerde tweedeling kan worden geleerd, die de geschiedenis stilzet in een "oorlog" van de kinderen van het Licht tegen die der duisternis. We hebben dan te maken met religieus fanatisme. Dat ligt dichterbi dan we ons vaak bewust zijn. Sommige Israël-theologie komt daar heel dichtbij.'
Over religieus fanatisme gesproken. In Vrij Nederland van 1 december 2001 bespreekt Machteld Allan twee boeken in de 'Republiek der Letteren' en zet boven het verhaal: De jongste dag in Jeruzalem. Het eerste boek dat ze bespreekt is van Gershom Gorenberg, een Israëlische journalist met een Amerikaanse achtergrond: The end of days, Fundamentalism and the struggle for the Temple Mount (uitg. The Free Press). Ze memoreert dat een vijfde tot een kwart van de Amerikanen zich als evangelisch-christelijk beschouwt. Het is een jonge, groeiende groep bij wie heel sterk het gevoel leeft dat ze met één been in de eindtijd staan. 'Elke oorlog of ramp is een teken dat Gods plan zet met de wereld doorgang vindt. Wij zijn voortdurend nog maar drie pagina's at van de slotzang verwijderd.' Gorenberg constateert dat hier een gevaar dreigt van religieus activisme met het eindpunt in zicht.
'En dat eindpunt is Jeruzalem, waar zich volgens de profetie de laatste dingen zullen d, afspelen. Maar voor het zover is, moet daar nog wel eerst de joodse tempel worden herbouwd, op zijn oorspronkelijke plaats. Daar staat sinds de zevende eeuw de moslimse Rotskoepel, die dus zal moeten verdwijnen, desnoods door menselijk ingrijpen. Wat de politieke gevolgen van een eventuele verwoesting ervan zullen zijn, is irrelevant. Gorenberg behandelt in zijn boek een aantal christelijke en joodse messianistische groepen die te- rusteloos plannen smeden om de Derde Tempel te laten verrijzen. Een merkwaardige alliantie: volgens het christelijke eindtijd- -scenario moeten de joden eerst "steen voor rij- steen" hun tempel opbouwen om vervolgens met tempel en al tijdens Gods grote slotvuurenwerkte worden verzwolgen. "Verdrietig", vindt ook een der dominees, maar "God's gotta do what God's gotta do". Gorenberg opent zijn boek met het illustratieve geval van de koe Melody, die in aug tus igg6 het licht zag in de stallen van een «rthodox-joodse landbouwschool in het noorden van Israël. Het bijzondere aan de
koe was dat zij perfect rood was, zonder e wit vlekje. De as van zo'n zeldzame koe is volgens het bijbelse voorschrift nodig voor de tempelreiniging. De geboorte van Melody was het teken dat God de tijd rijp achtte voor de bouiv van de tempel. Er werd dus gebeld met de regionale staatsrabbijn, die de uitnodiging tot inspectie van het kalf echte wijselijk afwimpelde. Wel geïnteresseerd waren drie mannen van twijfelachtige reputatie: rabbijn Jisrael Ariel, grondlegger van het Tempel Instituut in Jeruzalem, Jehoeda Etzion, die jaren had gezeten als ideoloog van een kolonisten-gang die de Rotskoepel had willen opblazen, en Adir Zik, omroeper bij de kolonistenpiratenzender. Zij verklaarden datMelody aan alle eisen voldeed. De vraag was alleen of ze perfect rood zou bli ven tot haar derdejaar, wanneer ze mocht worden geofferd.
en De grote Amerikaanse televisiestations brachten het verhaal van Melody wat gniffelend, als een curiosum, maar David Landau, journalist bij het Israëlische dagblad Ha'aretz, begreep datMelody in handen van religieus-nationalisten als Jisrael Ariel een "bom op vier poten" was. Hij schreef dat de Israëlische veiligheidsdienst het dier zo spoedig mogelijk een kogel door haar kop moest jagen.
In Amerika begonnen de christenen intussen te rekenen. In ïggg zou volgens het diplomatieke schema van de Oslo-akkoorden over de status van Jeruzalem worden beslist. Je zalem dreigde te worden verdeeld en dat betekende een ernstige a/dwaling van het heilige scenario. In datzelfde jaar zou Melody lukkig - drie jaar oud zijn. Televisie-evangelistjack Van Impe vroeg zich opgewonden af of de as van Melody wellicht al in 2000 in de tempel kon worden gebruikt. Met andere woorden: dat vervloekte vredesakkoord zal net op tijd - volstrekt overbodig zijn geworden.
De zaak liep met een sisser af. Na een paar maanden ontwikkelde Melody witte haartjes op haar uier.
Verfokker en bom-again christen Clyde Lo uit Mississippi liet zich evenwel niet uit het veld slaan door het debacle met Melody. Als de joden een perfect rode koe wilden voor hun tempel, dan konden ze die krijgen. We hebben toch biotechnologie? Lott exporteert ru- op dit moment duizenden door leden van pinkstergemeente gesponsorde rode koeien naar het heilige land, voorzien van de aan- ge-beveling "geschikt voor oudtestamentische offerdoeleinden, zonder vlek oj~ojf color haar, genetisch rood... en prima vlees kwaliteit". De rabbijnen hebben ze maar voor he - uitkiezen. Christus' wederkomst in Jeruzalem mag niet verhinderd worden door zoiets J tiels als de grillen der natuur.'
Gorenbeg, aldus Allan, beschrijft een en ander op een smakelijke manier met veel gevoel voor de mens achter tt deze denklijn. Maar ze waarschuwt niet minder dat het Jeruzalem van de eindtijd-gelovigen een cynisch, explosief en apolitiek universum is. Voor sommigen in ons land is die waarschuwing, vermoed ik, ook op z'n de plaats. Voor wie Israël Góds volk is, die moet ook Gód maar laten handelen in de zaak van Zijn volk. Israëls God staat te boek als een rechtvaardig en geduldig God voor Zijn volk én de volken der wereld.
t J. MAASLAND
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 december 2001
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 december 2001
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's