Vreedzaam naast elkaar
KERK EN SCHOOL [4]
In de vorige bijdrage in deze reeks heb ik Iaten zien hoe de Schrift het be onderwijs aan de kinderen benadrukt en een aantal historische lijnen getrokken. N wil ik iets uit eigen ervaring vertellen inzake de relatie tussen kerkenraad en gemeent en het christelijk onderwijs. Hoe staat het nu? En wat zouden we ter bezinning oppakken? In veel gemeenten is er duidelijk een gebrek én een behoefte aan bezinning. Is de stelling te gewaagd dat de plaatselijke gemeente en plaatselijke schole in menig dorp en stad in ons vaderland vreedzaam naast elkaar leven en elkaar min of meer toevallig af en toe treffen?
Het is zowel voor de christelijke school als voor de plaatselijke gemeente nuttig dat er een goede band is, een relatie van twee kanten. Ik noem enkele zaken uit mijn ervaring in verschillende gemeenten, aangevuld met wat ideeën waar we ons verder op zouden kunnen beraden. We moeten daarbij onderscheid maken tussen de contacten tussen de kerk enerzijds en het bestuur en personeel anderzijds én de contacten tussen de kerk en de kin— deren. Het laatste is een minstens zo belangrijk aspect als het eerste. Ik wil met dat laatste beginnen, want hoe goed één en ander ook geregeld zou zijn, minstens zo belangrijk is de verhouding kerk-school en dan school uitgelegd als de bevolkers van de school: de kinderen. Daarom wil ik daarmee beginnen.
Hoe verrassend is het vaak niet voor kinderen als er iets herkenbaars in de diensten zit. De eerlijkheid gebiedt te zeggen (ik heb dat zojuist genoemd) dat we niet veel hebben op dat gebied. Toch moeten we de zaken die er zijn, niet bagatelliseren maar veeleer trachten uit te bouwen. Beter dan ons te laten verlammen door de gedachte dat er zo weinig is op dit gebied, is het dankbaar te zijn voor datgene wat er wel is. Dat moeten we koesteren en uitbreiden, opdat het schoolkind langzamerhand leert zien dat het bij het godsdienstonderwijs op school (en eigenlijk bij het hele onderwijs op de christelijke school) gaat om dezelfde zaken als in de kerk.
Enkele praktijkervaringen op dit gebied
- In een van de gemeenten was het gewoonte om de psalm die op school geleerd werd een plaats te geven in de dienst. Vaak nog even met een korte uitleg en een toelichting op de psalm, alsmede de vermelding dat het de schoolpsalm is. Het lijkt een gering iets, maar betekent voor kinderen heel wat. Een stukje herkenbaarheid in de dienst.
- Eens per jaar hebben we in verschillende gemeenten een dienst gezinschool-kerk. Kort gezegd komt dat hierop neer: de school is een week lang met een bepaald thema bezig. De predikant stelt in de zondagse eredienst hetzelfde thema aan de orde. De kinderen zingen een themalied en • na afloop van de dienst kunnen ouders en belangstellenden onder het genot van een kop koffie de werkstukken (betrekking hebbend op het thema) bezichtigen (een werkwijze die overeenkomt met de bekende Vakantie-Bijbelweek-werkwijze in de laatste week van de zomervakantie). Waarom overigens maar eenmaal per jaar een scholendienst?
Elke keer als ik de kinderen eerbiedig, stijlvol en enthousiast hoor zingen, denk ik: kunnen we dit niet uitbreiden? Hoewel we uiteraard denken aan meer structurele zaken, zou ik toch een appèl willen doen op ons allen om juist dit soort praktische dwarsverbanden niet te vergeten, maar zo mogelijk uit te bouwen.
Ik noem overigens meteen maar een praktisch bezwaar: ooit heb ik een van de leerkrachten (van een christelijke school!) moéten uideggen hoe een dienst in elkaar stak. Hij kwam er kennelijk niet zo vaak. Anderzijds mag ik ook dankbaar melden hoe we meegemaakt hebben - beginnend met een volstrekt sceptisch tegenover elkaar staan als vertegenwoordigers van kerk en school - dat we gegroeid zijn naar een dienst waar zowel kinderen als personeel, ouders en kerkenraad vreugde aan beleven.
Tevens is het zo dat veel christelijke scholen bevolkt worden door kinderen die nauwelijks of nooit een kerk van binnen zien. Daar ligt meteen een be- lang langrijk van knelpunt. De ouders (althans u dat is mijn ervaring, die uiteraard e maar zeer ten dele is) van christelijke kunnen scholen zijn over het algemeen ge- verdere sproken vaak helemaal niet zo kerke- n lijk meelevend. En het onderwijzend personeel staat er wel voor om ook kinderen van deze ouders te onderwijzen. Een bijkomend gunstig effect van zo'n dienst is dat in verschillende gemeenten het gebruikelijk was dat de predikant in die week dat de school aan zo'n project werkt, de school bezoekt en even met de kinderen kennismaakt. Een zelfde soort situatie kennen we overigens ook rondom bid- en dankdag, waarbij we dankbaar gebruik maken van het HGJB-materiaal.
Identiteit van de school
Graag geef ik ook iets door over de contacten tussen kerkenraad (gemeente) en school (bestuur en personeel). Sinds de tijd dat de plaatselijke predikant niet meer vanzelfsprekend voorzitter is van het schoolbestuur, is er aan contact veel teloor gegaan. Overigens is het niet alleen gezien het specifieke karakter van het schoolbestuurslidmaatschap (er komt nogal wat op zo iemand af!) niet meer mogelijk, maar ook om meerdere redenen juist dat de predikant niet op die wijze bij het onderwijs betrokken is. Hoe wordt dan de betrokkenheid wel tot stand gebracht? En wat is het doel van zo'n (intensieve) wisselwerking?
Ik herinner mij een gesprek tussen kerkenraad en de commissie identiteit van het schoolbestuur. Een uiterst nuttige zaak! Immers inzake de identiteit van de school raken school en kerk elkaar heel nadrukkelijk. Een christelijke school voor een groot gedeelte bevolkt door kinderen van ouders die nauwelijks of niet een binding met de kerk hebben: daar hebben we toch met name een gemeenschappelijk terrein als kerk en school?
Het gevolg van geen contact met elkaar op dit gebied is dat er gauw beelden van elkaar gevormd worden over en weer. Naar de school toe: daar kan alles! Het personeel leeft nauwelijks kerkelijk mee. De ouders die niet kerkelijk meelevendzijn, krijgen het voor het zeggen enzovoorts. Beeldvorming zonder dat de kerk beseft wat voor worsteling dit voor bestuur, ouders én voor sommige personeelsleden geeft. Ook dat heb ik in de praktijk meegemaakt: ouders die vragen: Wat moet ik met mijn kinderen straks, als ze naar school moeten? We willen 'onze' scholen niet voorbijlopen, maar intussen... Er is ook sprake van beeldvorming van school naar kerk: de kerkenraad heeft geen enkele notie van wat hier speelt en is ook niet bereid om maar enigszins mee te denken.
De handen ineen
Kortom: het gaat om een terrein waar het dringend geboden is de handen ineen te slaan. Dat is immers het kenmerkende van onze tijd: een christelijke school bevindt zich in een samenleving waar christelijke waarden en normen heel sterk afbrokkelen. Hoe geef je als christelijke school inhoud aan het christelijk onderwijs, zowel aan kinderen die er thuis ook mee te maken hebben als aan kinderen die daar volstrekt van verstoken zijn? Het gaat hier om zowel pedagogische alsook theologische vragen. Met name deze combinatie speelt ook een rol op andere terreinen.
Ik noem als voorbeeld: Als het gaat over theologische vragen die bij kinderen leven, dan is naast een pedagogisch- didactisch geschoold iemand toch ook de theoloog in beeld? Dan denk ik aan vragen die spelen als iemand overlijdt. Kinderen kunnen met heel veel theologische vragen over de eeuwigheid worstelen. En omgekeerd: hoe groot zou niet het nut kunnen zijn voor degene die elke week weer worstelt met de vertaalslag van de Bijbel naar de hedendaagse mens (inclusief het kind!) van een pedagogisch geschoold ienïknd?
Als het gaat over de identiteit van het christelijk onderwijs, hebben kerk en school elkaar nodig. Tevens zijn er andere terreinen, met name rondom het kind zelf, waarbij we elkaar tot een hand en een voet kunnen zijn. Waartoe dit dienen mag? In het vorige artikel heb ik onder andere genoemd Psalm 78. Het nut van onderwijs om aan ons nageslacht door te geven wat wij van onze voorouders ontvangen hebben. Dingen die wij gehoord heb-
> en, die onze vaders ons verteld heb- > en, niet verbergen voor de kinderen. Opdat het navolgende geslacht die veten zou, de kinderen, die geboren : ouden worden; en zouden opstaan, en vertellen ze hun kinderen.' En dat zij hun hoop op God zouden stellen, en Gods daden niet vergeten, maar Zijn geboden bewaren.
G. H. KOPPELMAN, KAMPEN
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 december 2001
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 december 2001
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's