De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Het loofhuttenfeest

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Het loofhuttenfeest

JOODSE GEDENKDAGEN [4]

10 minuten leestijd

ftet laatste feest

Slu gaan we naar het Iaaste feest. Het s het allergrootste feest in het jodendom. Daarom wordt er meestal geen laam bij genoemd. Als u zegt 'feesf, lat weet iedere jood wat ermee bedoeld wordt. U vindt het weer in Lev. 23, te beginnen bij vers 39 t/m 43. Kijk, daar heb je nu Gods refrein. Gods enige thema: de bevrijding. Het begint ermee en het eindigt ermee. Het is één grote cirkel: de verlossing, de bevrijding. Daarom viert het joodse volk sinds Leviticus loofhuttenfeest.

Vier muurjes en een dak

In Nederland wordt er een liedje bij gezongen: 'Vier muurtjes en een dak van riet. Meer is het niet. Meer is het niet!' Meer is het ook niet. De Israëlieten hebben er 40 jaar mee door de woestijn gesjouwd. Dat doe je niet met gewapend beton. Het was een opklapbaar ding, dat neergezet werd. Bovenop werd een dak van loof gemaakt. Het voorschrift was, dat je door het loof heen de hemel moest kunnen zien, zodat je je niet binnenshuis kon neerleggen. Als je een bewijs wilt hebben, dat God nooit heeft bedoeld dat er één jood buiten Israël zal wonen, moetje één keer in Nederland loofhuttenfeest gaan vieren. Dat was in de zevende maand van de joodse kalender, dat is de negende of de tiende maand van onze kalender, dus oktober, november. Dan kan het hier stortregenen en waaien en stormen. Daar zitje dan in je loofhut. En je moet nog vrolijk zijn voor het aangezicht van de Heere ook. Daar is wat op gevonden.

Schaduw en koelte

De loofhutten in Nederland hebben klapluiken, die opgezet kunnen worden. De loofhut herinnert eraan, dat het volk 40 jaar door de woestijn is gegaan. We kennen die geschiedenis wel. De Israëlieten waren op reis. Ze zijn nooit één dag alleen geweest, geen minuut. God is zichtbaar erbij geweest. Overdag zichtbaar door een wolkkolom en 's nachts zichtbaar door een vuurkolom. Overdag is het gloeiend in de Sinaï-woestijn. Je zult maar tussen twaalf en twee daar buiten moeten vertoeven. Je hebt zo een zonnesteek, als je dat een paar dagen volhoudt. In de loofhut kon je echter schaduw en koelte zoeken. Diezelfde woestijn is 's nachts echter ijskoud. Dus dan was het weer heerlijk om in die loofhut te gaan om daar weer warmte en beschutting te vinden.

Vuurkolom

Het volk trok heel vaak 's nachts. Want er waren kinderen bij en beesten. Het hele huishouden. In die hitte daarmee sjouwen, dat viel niet mee. Dus het was zeer verleidelijk om 's nachts, in de koelte, dat te doen. Maar er was natuurlijk geen elektrisch licht in de Sinai'. En daar had je het nu weer. Dat was niet nodig, want wie ging voorop? God, in een vuurkolom. Hij leidde de weg. Het volk had maar te volgen. Waar is de loofhut nu het beeld van? Dat is het beeld van de beschuttende en beschermende, overal meetrekkende trouwe God. Misschien denkt er iemand: 't zal mij benieuwen waar je dat ergens in het Nieuwe Testament terugvindt! Dan moet eerst gezegd worden, dat het loofhuttenfeest Gods laatste feest was. Wij zijn in 2001 nog helemaal niet aan Gods laatste feest toe. Dat moet allemaal nog komen.

Feest voor de hele wereld

En het komt. Reken maar. En dan zal niet alleen het Joodse volk de God van Abraham, Izak en Jakob in het loofhuttenfeest loven en prijzen. Dan zal de hele wereld die God aanbidden en loofhuttenfeest vieren. In de dagen van Jezus was er uiteraard nog geen Nieuwe Testament. Er was alleen maar een Oude Testament. En daaruit verkondigde men en geloofde men. Nu was er één van de profeten, die heel veel verteld heeft van de toekomst, van het komende rijk. Dat was de profeet Zacharias. In Zacharias 14 b.v. vanaf vers 8 wordt gesproken van het koningschap des Heeren. En in vers 16 lezen we: dat allen die zijn overgebleven van al de volkeren die tegen Jeruzalem zijn opgerukt, van jaar tot jaar zullen optrekken om neer te buigen voor de Koning, de Heere der heirscharen, en om te vieren het feest der loofhutten. Alle volken zullen dat loofhuttenfeest dus gaan vieren. Zich voor die ene God buigen.

Straf

Maar, zo staat er, wie uit de geslachten der aarde niet naar Jeruzalem zal heentrekken om zich neer te buigen voor de Koning, de Heere der heirscharen, nou die krijgt straf. Wat voor straf. Op hen zal geen regen vallen. Nou, dat vinden wij niet zo erg. Het eerste waar we vaak naar kijken als we naar buiten gaan is, of het toch niet regent. Maar we zouden raar opkijken als het niet meer zou regenen in Nederland. Als er geen regen komt, dan kan er niets groeien en bloeien. Er zal spoedig geen eten en drinken meer zijn. Mensen en beesten gaan dood. Denk maar aan de Sahellanden, waar zo'n enorme hongersnood is geweest. Alles wat nog niet dood was, was uitgemergeld. Dus: geen regen betekent, zeker in het Midden-Oosten, sterfte. En dan komt er een heel eigenaardig zinnetje.

De Ni jl

En indien het geslacht der Egyptenaren niet zal heentrekken en komen. Dat geslacht van de Egyptenaren is altijd al lastig geweest. Ze wilden nooit iets weten van de God van Abraham, Izak en Jakob. Vroeger waren het de farao's die voor God speelden. De tekst in Zacharias 14 gaat als volgt verder: 'Indien het geslacht der Egyptenaren niet zal heentrekken en komen, - op wie geen regen valt.

Op wie geen regen valt. Dat betekent: de Egyptenaren hebben altijd de Nijl gehad. Die hebben geen regen nodig. De Nijl is een grote rivier, die naar beneden komt en de hele delta met al die Nijlarmen overstroomt. Op de landkaart zie je een grote, lange en groene strook, die Egyptes vruchtbaarheid accentueert. De Egyptenaren hebben helemaal geen regen nodig. Dus wat zeggen ze. Nou, dan geen regen. We komen niet! En de Assoeandam met die plas water hebben we ook nog als reserve. We komen niet. O ja, zegt God, dan zal toch komen de plaag waarmee de Heere de volken zal treffen die niet heentrekken om het loofhuttenfeest te vieren. En om te laten zien dat God zich niet vergist, wordt die bedreiging nog een keer herhaald.

Gods macht

Er komt dus een tijd, dat God met macht zal dwingen om Hem en Hem alleen te dienen. Dan zal er slechts één God gediend worden, die van Abraham, Izak en Jakob, de ene Koning en dat ene Koninkrijk. In de dagen van Jezus was het een geweldige tijd om loofhuttenfeest te vieren. De tempel stond er nog. Het was aan het einde van de zomer als alles volkomen opgedroogd was en bruin zag en verdroogd. Er was opnieuw ingezaaid en het ging om één ding: regen! Dat zaad moest gedijen. Op de laatste dag van het feest, de grote dag, deed het volk zijn beste kleren aan. De vrouwen hadden manden op het hoofd met fruit en noten en alles wat maar goed was om naar de tempel mee te nemen. De mannen hadden de offerdieren bij zich, versierd met vergulde horens en linten eraan. En dan zongen ze de psalmen van de opgang, het Hallel, de psalmen 113-118. En waren ze bijna aan het eind van hun lange tocnt en bijna aan het eind van de 118e psalm, dan zongen ze het 23e en 24e vers: dit is de dag, de dag der dagen, die Isrels God geheiligd heeft. Laten we juichen en ons daarover verheugen.

Hosanna

En dan komt er twee keer het Hebreeuwse woord Hosanna: o God, zend voorspoed, o God zend verlossing. Verlossing brengen, dat moet die regen doen. Na het moment dat het volk twee keer dat hosanna luid uitgeschreeuwd had, trad een dodelijke stilte in. En dan goot de priester koel koel helder water uit over het altaar. Het volk wist: zo zeker als dat koele water over dat altaar gaat, zo zeker weten we dat in het komende Koninkrijk waar we naar hunkeren, God zijn heil zal uitgieten over alle volkeren van de hele

wereld. Jbhannes de priesterzoon beschrijft, dat het was op één van die feesten, datjezus, die als vrome jood natuurlijk elk jaar loofhuttenfeest heeft gevierd, op de laatste dag van het grote feest het woord nam.

Stilte

Want wat lees je in Johannes 7: 37: 'En op de laatste, de grote dag van het feest, HET FEEST, dat heeft geen uitleg nodig voor een jood, stond Jezus en riep in die dodelijke stilte, terwijl dat koele water was uitgestort. Wat zal Jezus' stem geklonken hebben over dat plein. Hij riep: 'Indien iemand dorst heeft', (en reken maar dat ze dat gehad zullen hebben, met al dat gesjouw en geklim naar boven met die manden en die beesten in die gloeiende hitte en nog zingen daarbij). Indien iemand dorst heeft, die kome tot Mij en drinke. Die in Mij gelooft, de Schrift zeg, stromen van levend water zullen uit z'n binnenste vloeien. Dit zei Hij van de Geest, welke zij die tot het geloof in Hem kwamen, ontvangen zouden. Want de Geest was er nog niet, omdat Jezus nog niet verheerlijkt was.

Geen tittel of jota

Ziet u, weer opnieuw: die twee feesten in Jezus en Zijn Geest, één. Ziet u dat er geen tittel en geen jota van de wet is afgedaan. Jezus heeft de wet volgemaakt. Dat was een lang verhaal over de drie belangrijkste joodse gedenkdagen. Ze hebben alles te maken met onze christelijke gemeente. Ze hebben alles te maken met ons persoonlijke geloofsleven. Het geloof is immers door Christus en de Heilige Geest op de toekomst gericht. Nu gaat het geloofsleven heen en weer. Het geloof kent van die hoogte- en die dieptepunten. U herkent dat wel. En als je dan met je beklemd hart bij God komt, denk je onwillekeurig: wat ben ik aan het doen. Wie ben ik dan, dat ik kom tot God. Hij zal wel geen tijd voor me hebben. Voor mij, zo onbenullig als ik ben.

Geen musje

Maar als je dat denkt, denk dan: er staat: geen musje zal zonder Gods wil of voorkennis van het dak vallen. Zou God al die mussen zien. Maar er staat zelfs iets van je haren, die alle geteld zijn. Haren zijn nog kleiner! Zou God al die haren tellen, die er op de wereld zijn. Dat kan niet, denk je, terwijl de satan meeredeneert. Maar kijk, en dat is nu de moraal van deze artikelenserie: we zijn echt allemaal hele kleine onbeduidende mensen. Al die schijnbaar onbeduidende dingen, waarvan we dachten: die kun je wel vergeten. Of: je hebt ze misschien nog nooit gelezen. Dat zij allemaal stuk voor stuk bij God een uiterst belangrijke plaats, een onmisbare plaats, in Zijn heilsplai hebben. En een enorme diepe betekenis.

Moraal

Dat is nu de moraal. We zijn onbeduidend, behalve misschien in eigen oog. Dat is het enige oog dat onszelf grootacht. Maar toch: we zijn onbeduidend. Maar, en dat is het wonder, NIET voor die God van Abraham, Izak en Jakob, die nu net met die kleine onbeduidende prulletjes Zijn werk volbrengt en • Zijn heilsplan volvoert. En niet alleen gisteren en vandaag, maar ook morgen. Hij blijft trouw aan een ontrouw joods volk. Hij blijft net zo trouw aan een net zo ontrouw kerkvolk. Kijk, met die God hebben wij te maken.

T. WEGMAN

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 december 2001

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Het loofhuttenfeest

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 december 2001

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's