De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De gereformeerden in hun nadagen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De gereformeerden in hun nadagen

TELOORGANG VAN DE VREZE DES HEEREN

9 minuten leestijd

'Tot in de jaren zestig, zeventig van de twintigste eeuw gingen gereformeerden trouw naar de kerk. Zij vormden een opvallend volksdeel in de verzuilde Nederland samenleving. Maar die tijd is niet meer. Het ledental van de gereformeerden loopt met tienduizenden per jaar terug. Nog even en "men kent en vindt haar standplaats zelfs niet meer", om het op zijn gereformeerdst met een psalmregel te zeggen. Het is dan ook hoog tijd om de geschiedenis van de gereformeerde cultuur in kaartte brengen'.

Met deze woorden wordt op de achterflap het kersverse boek De gereformeerden aangekondigd van de Trouwjournaliste Agnes Amelink, zelf behorend tot de Nederlands Gereformeerde Kerken. Met 'de gereformeerden' worden diegenen bedoeld, die behoren tot de Gereformeerde Kerken, ooit begonnen met de Doleantie van Abraham Kuyper, vandaag volgens de schrijfster 'in hun nadagen'. Als zodanig is het boek in lijn met dat van Geert Mak De eeuw van mijn vader, dat breder van opzet was maar al tijdenlang op de lijst van de 'top tien' prijkt, kennelijk mede omdat de duizenden kerkverlaters, die zelf oorzaak zijri van de teloorgang van dit gereformeerde volksdeel, nog eens willen lezen hoe het allemaal zo gegaan en zo ver gekomen is. Ook dit boek laat zich in één adem lezen.

Lijnen

Wat allemaal aan de orde komt is min of meer voorspelbaar. De inzet van Abraham Kuyper - na diens bekering, in contact met Pietje Baltus - 'op alle terreinen des levens', de wording van de Gereformeerde Kerken, de specifieke cultuur van de Doleantie, met het streven om vroeger of later christelijke organisaties op al die levensterreinen te stichten (ARP, NCRV, De Rotterdammer, het CNV), de christelijke school en de jongelingsvereniging, de gereformeerde levensstijl of gereformeerde zede, met nadruk op zondagsheiliging en het mijden van wereldse plaatsen of werelds gedrag, de plaats van het gezin als hoeksteen van de samenleving met prof. dr. J. Waterink als baanbrekend pedagoog, het vrouwenkiesrecht, de plaats van de vrouw

(vooral) in het gezin.

Ook de kerkscheuringen komen in beeld. Eerst in 1926, toen het Hersteld Verband ontstond vanwege tuchtoefening op dr. Geelkerken c.s. om diens uitspraken over het spreken van de slang in Genesis 3. De oorlogsjaren komen in beeld, met mensen die moedig verzet aantekenden tegen de bezetter maar ook met het drama van de kerkscheuring in 1944, toen de Vrijgemaakt Gereformeerde Kerken ontstonden vanwege leerverschillen met en tuchtoefening op de vermaarde theoloog en polemist dr. K. Schilder. Maar uiteindelijk ook 'de roerige jaren zestig en zeventig toen Jan Wolkers en Maarten 't Hart met wrokkige terugblikken op hun jeugd de toon zetten'. En ook de theologische koerswijziging, waarvoor de hoogleraar G. C. Berkhouwer wordt opgevoerd als een van de leidslieden, 'die de gereformeerden de nieuwe tijd hebben binnengeloodst'; een ontwikkeling, die uiteindelijk heeft geleid tot moderne theologie a la Kuitert en Den Heyer. Daarmee gepaard ging de deconfessionalisering van de protestantantschristelijke zuil.

Het aansprekende en daarom ook lezenswaardige van dit boek is gelegen in de gewone mensen van vlees en bloed, die aan het woord komen, hetzij door middel van wat ze in geschriften nalieten, hetzij door wat ze vandaag nog weten te vertellen van vroeger. Zo loopt er bijvoorbeeld een rode draad door het boek van de familie Zomers uit Kollum, 'een gewoon gereformeerd gezin' uit het begin van de

twintigste eeuw, dat bij de gereformeerden 'hoog in aanzien stond'. De draad eindigt bij Mian, die haar kinderen niet meer heeft laten dopen. 'Toen we je lieten dopen hadden we geen keus, nu mag je het zelf zeggen', zeiden haar ouders. De vroomheid van se haar overgrootmoeder zegt haar niets meer. Ze is van oordeel, dat als haar ouders het geloof zelf hadden kunnen loslaten, die dat ook zouden hebben gedaan. Haar vader staat in dit boek intussen symbool voor de geschiedenis van de gereformeerden na de oorlog, toen de organisaties losraakten van hun oorspronkelijke grondslag, de onzekerheden inzake de leer en de gereformeerde zede toesloegen en activiteiten in beeld kwamen van (o.a.) de Raad van Kerken, het IKV, ICCO, Amnesty International en andere maatschappij-betrokken organisaties. Het verbaast Mians vader zélf, dat hij lid is gebleven van de kerk. Want het geloof van zijn jeugd ervaart hij als 'constructie', de bijbelschrijvers waren zelfde mensen als de mensen, die in de twintigste eeuw 'de dienst uitmaakten bij de gereformeerden in Lunteren' en met Jezus als 'passepartouf voor de hemel kan hij niets meer, net zo min als met 'een God van hel en verdoemenis, zoals die in mijn jeugd nog wel gepreekt werd'.

De teloorgang van een kerk als gereformeerde kerk wordt zichtbaar in de geestelijke teloorgang van een generatie. Zo worden in dit boek ook andere geslachten voor het voetlicht gehaald, bijvoorbeeld van de laatste premier in Nederland uit de kring van de ARP: de dit jaar overleden Barend Biesheuvel.

Tobben of actie

Dit brengt mij op een andere, dieper liggende rode draad in dit intrigerende boek, t.w. de vreze des Heeren. Margreet Zomer - de eerste uit het geslacht Zomer, die aan de orde komt in dit boek - hield een dagboek bij voor haar kinderen, omdat ze zag hoe snel haar kinderen groot werden. Ze had een kind verloren, waarvoor zij op grond van de doopbelofte mocht geloven dat het was ingegaan in Gods heerlijkheid. Ze schrijft echter in haar

dagboek aan haar kinderen '...als gij je moeder eens vroeg moet missen, weet dat zij je o zo liefheeft en zichzelf beschuldigt dat zij je niet genoeg en vaker voor de troon der genade in de gebeden opdraagt*. Haarvader, gereformeerd predikant, was al vroeg weduwnaar. Ze trouwde zelf met een weduwnaar, die ook twee kinderen had verloren. Ze schrijft in haar dagboek:

'Moge de vreze des Heeren vroeg in je harten wonen waar het kwade reeds van de vroege jeugd in woont en zo spoedig tot openbaring komt. Neen, kinderen zijn geen onschuldige engeltjes, maar verloren en doemwaardig in zichzelve en geneigd tot alle kwaad. De Heere geve, dat wij, hun vader en ik, hen mogen zien opgroeien tot flinke jongemannen wiens lust het is de Heere te vrezen en Hem (ter ere) te leven...'.

Voor deze vrouw gold uiteindelijk maar één ding: 'hoe sta ik zo meteen voor de rechterstoel van God? Of misschien nog indringender: wat gebeurt er na de dood met mijn kind, mijn moeder, mijn echtgenoot? '

Amelink spreekt intussen in een apart hoofdstuk, getiteld 'Niet tobben maar actie' over de afgescheidenen bij wie 'de vreze des Heeren' kenmerkend was voor hun spiritualiteit, terwijl er 'via de dolerenden' een ander geloofstype de kerk binnen kwam. 'Geloof was voor velen van hen vooral een kwestie van daadkracht, met Abraham Kuyper als lichtend voorbeeld. Hun geestelijk leven voltrok zich via de organisaties, de kerk voorop'. Bovendien heeft de eenzijdige nadruk op levensstijl de 'veruiterlijking' van het gereformeerde leven bevorderd. Dat werd nog versterkt door tuchtmaatregelen wanneer niet werd geleefd volgens de voorgeschreven regels, sterk bevorderd, constateert de schrijfster. 'Vroomheid kwam naar buiten via de inzet voor school, kerk en maatschappij en viel daarmee samen.' Dat betekende niet dat daarachter niet een diep verlangen schuil ging om God te dienen, 'maar ontegenzeggelijk raakten de diepste motie-

ven gemakkelijk op de achtergrond'. Het louter behoren tot het verbond werd doorslaggevend. De piëtistische stroming, die vanuit de Afscheiding (1834) aanwezig was, werd een onderstroom. Bij een onderzoek in de jaren tachtig werd aangegeven hoe dat lag: 'De geloofsoverdracht bleek in veel gezinnen beperkt gebleven tot het aanleren van gewoontes en regels. Kerkgang, verkering in eigen kring, zondagsrust, catechisatie: dat was het wel zo'n beetje. Een kwestie van uiterlijkheden'.

De generatie, die aan het eind van de twintigste eeuw opgroeit, tobt tenslotte niet meer met de vraag van Margreet Zomer-Kerssies 'is de eeuwige zaligheid wel voor mij bestemd? ' maar tobt veel meer met de vraag of het 'niet allemaal nep is'.

Met het aanreiken van deze zaak heeft het boek van Agnes Amelink een dieptedimensie. Op dit punt graaft dit boek dan ook dieper dan het boek van Geert Mak, waarin de teloorgang van 'de gereformeerden' veel meer wordt geschetst tegen de achtergrond van de ontwikkelingen in de cultuur en in de wereld. De verschraling van of de verandering in het geestelijk leven staat' tegen de achtergrond van de terloorgangvan de 'vreze des Heeren', in de verborgen omgang met God.

En nu

Het gereformeerde leven, zoals dat in de traditie van de Doleantie aanvankelijk gestalte kreeg, ziet de schrijfster vandaag doorgetrokken binnen (politiek gezien) de kringen van de Christenunie. De 'bevindelijk gereformeerden' zijn voor haar een categorie apart. Ik wil de bespreking van dit boek echter niet besluiten dan na te hebben opgemerkt dat het boek, juist op het punt van die dieper liggende rode draad van de vreze des Heeren, ook een brede spiegelwerking heeft voor vandaag.

Na de teloorgang van de protestantschristelijke zuil is een herzuiling op 'alle terreinen des levens' op gang gekomen. Omroep en krant, onderwijs en gezondheidszorg, arbeid en ontspanning, worden vandaag omkranst met een keur van organisaties uit 'eigen kring'. Dat de nieuw ontstane zuil veel smaller en daarom ook veel geïsoleerder is in de huidige samenleving dan de voormalige protestants-christelijke zuil, is in deze kolommen al eerder aan de orde geweest. De vraag mag echter worden opgeworpen of in de (nabije of verdere) toekomst over de rest-zuil van nu niet eenzelfde boek zou moeten of kunnen worden geschreven.

Houdt de nieuwe golf van actie, die over de hedendaagse 'gereformeerden' van allerlei slag en soort gaat, gelijke tred met de vreze des Heeren, ingebed in de beleving van de trouw van Gods verbond maar ook geoefend in een bevindelijk geloofsleven? Nieuwe 'werkheiligheid' ligt op de loer vanwege om zich heengrijpende activisme. De tevredenheid, die zelfs kan omslaan in zelfgenoegzaamheid aangaande het 'eigene', dat verworven is in kerk en samenleving, kan ook nu een blokkade vormen voor de vreze des Heeren, zeker als het ook nog gepaard gaat met onderlinge naijver over en ijver in rechtzinnigheid.

En is de veruitwendiging, waarover Amelink bij de Dolerenden spreekt vreemd aan het volksdeel, dat vandaag nog onder de naam 'de gereformeerden' of nu 'de reformatorischen' valt en kan die ook nu niet worden versterkt door een bepaalde vorm van tucht, die belemmerend kan zijn voor geestelijke ontplooiing? Wie die vraag ontkennend beantwoordt ligt misschien het meest bloot voor de ontwikkelingen, die in het boek van Agnes Amelink worden geschetst. Tolle Lege, neem en lees dit boek, maar wel ook als spiegel.

V.D.G.

N.a.v. Agnes Amelink, Oe gereformeerden, Uitgave Bert Bakker, Amsterdam, 252 pag., ƒ39.56-

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 december 2001

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

De gereformeerden in hun nadagen

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 december 2001

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's