Boekbespreking
Willem van Asselt e.a. (red.), Wat is theologie? Oriëntatie op een discipline, Uitg. Meinema, Zoetermeer 2001, 149 blz., ƒ32, 50-
In deze bundel wordt niet zozeer beschreven wat theologie is, alswel hoe de studie theologie aan de faculteit der Godgeleerdheid te Utrecht momenteel wordt ingevuld. Dat is overigens wel gedaan volgens een aardig concept: men heeft in Utrecht een vertegenwoordiger van elke vakgroep - tegenwoordig deftiger disciplinegroep genoemd - een aantal vragen over zijn of haar vak voorgelegd, en die laten beantwoorden. De daaruit voortkomende opstellen zijn eerder gebundeld in een syllabus die studenten gebruikten in het kader van de eerstejaarscursus 'Wat is theologie? '. De opstellen hebben dus alle min of meer dezelfde structuur. De vragen die beantwoord worden zijn: Wat is het onderzoeksveld van het betreffende vakgebied? Wat zijn de wetenschappelijke doelstellingen en methoden? Welke actuele thema's spelen er zoal? Welke bijdrage levert het betreffende vakgebied aan het geheel van de theologische wetenschap? En welke bijdrage is er voor theologen in samenleving en cultuur? Ten slotte: hoe zit het met het engagement van de wetenschapper in het vakgebied? In dat laatste onderdeel vindt men meestal kort aangeduid, hoe de persoonlijke betrokkenheid van de onderzoeker een rol speelt in zijn of haar werk.
Op deze wijze passeren achtereenvolgens de bijbelwetenschappen, de kerkgeschiedenis, de (godsdienst)wijsbegeerte, ethiek èn dogmatiek, godsdienstwetenschappen, sociale wetenschappen en praktische theologie de revue. Zodoende levert de bundel een aardige introductie in de bestaande studieopbouw. Daarmee is tegelijk ook de beperking aangegeven. De veel spannender vraag wat theologie nu eigenlijk is, en welke vakken of vaardigheden nodig zijn om echt theoloog te worden, blijft achterwege. De toon is zodoende onvermijdelijk wat verdedigend: elke auteur wil natuurlijk graag laten zien hoe relevant zijn of haar vak is voor de vorming tot theoloog. Bovendien doet ieder bijzonder z'n best om wetenschappelijke correctheid te betrachten. De theologie dient immers wel serieus genomen te worden aan de universiteit! Die instelling geeft het boek iets saais en vermoeiends. Prof. Beeking is eigenlijk de enige die zijn betoog (de inleiding op het boek) met een zekere luchtigheid weet neer te zetten. Maar ik betwijfel of dat voldoende zal zijn om aarzelende potentiële theologie-studenten over de streep te strekken. Daarvoor bevat het geheel te veel theoretisch jargon, is de stijl te formeel, en worden er ook te veel open deuren ingetrapt. Een zin als 'Het gaat er echter wel om, dat er geargumenteerd wordt" (135) is typerend voor het boek als geheel. Maar goed, er zijn dan ook andere drijfveren nodig om theologie te gaan studeren dan het lezen van een inleidend boekje.
Dit neemt niet weg, dat uit het boekje natuurlijk ook best veel te leren valt. De lezer wordt in kort bestek bijgepraat over de stand van zaken in diverse vakgebieden. Opvallend is daarbij, dat zowel zogeheten staatsvakken als kerkelijke vakken aan bod komen. Sommige staatsscribenten houden zich zo strikt mogelijk aan de wet van 1876, volgens welke zij persoonlijke distantie in acht dienen te nemen bijv. ten opzichte van de Bijbel (de bijbelwetenschappers bijv. voeren een pleidooi om 'de Bijbel zelf te laten spreken', en suggereren ten onrechte datje dan vanzelf uitkomt bij een historisch-kritische benadering!). Anderen erkennen onomwonden dat objectiviteit onmogelijk is: 'Mijn eigen bezig zijn in de godsdienstfilosofie zou niet goed denkbaar zijn zonder 'gewoon' te geloven' (E. Dekker). Beeking gaat nog veel verder met zijn gedachte, dat je aan de staatskant, dus los van het geloof in de openbaring, zou kunnen uitmaken wat adequaat spreken over God is. Dat lijkt me ondoenlijk, want waarom zou zulk spreken, zoals Beeking meent, bijv. rekening moeten houden met de traditie? Dat doen we toch alleen op grond van wat we als openbaring verstaan? Omgekeerd wijken de opstellen van de kerkelijke docenten (hier J. Muis en F. G. Immink) qua 'distantie-gehalte' niet zoveel af van de rest.
De vraag die de bundel als geheel zodoende oproept is, of de grens tussen de 'neutrale' en 'niet-neutrale' vakken die de wetgever via de duplex ordo heeft aangebracht niet behoorlijk aan het vervagen is. Dat spoort dan weer met een algemene tendens in theologenland in de richting van een simplex ordo, dus een theologie-opleiding uit één stuk (zoals we die bijv. kennen in Kampen en Apeldoorn). De vraag waar de meningen dan sterk over verschillen is, wie voor een dergelijke opleiding verantwoordelijk dient te zijn: de kerk of de staat? Wat mij betreft dient de kerk hier in de toekomst op haar hoede te zijn, en niet uit handen te geven wat haar van meet af aan als een eigen verantwoordelijkheid is toevertrouwd, nl. de intellectuele spirituele en vorming van haar dienaren des Woords.
W. van den Brink, Bilthoven
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 december 2001
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 december 2001
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's