De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Het Kerstkind en het  Messiaanse rijk

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Het Kerstkind en het Messiaanse rijk

15 minuten leestijd

Enkele weken geleden waren we te gast in een kring van joodse vrienden. Al enkele jaren komen we met een aantal mensen van tijd tot tijd bij elkaar voor een inhoudelijke ontmoeting. Orthodoxe joden en orthodoxe christenen. Spannend, maar vooral verrassend en verrijkend. Gaandeweg zijn de openheid en het vertrouwen gegroeid. Over alle onderwerpen kan gesproken worden en dat is absoluut niet vanzeljsprekend na alles wat er zich in de ajgelopen eeuwen heeft afgespeeld tussen ke en synagoge. Iets om heel dankbaar voor te zijn. Ook al ervaren we telkens weer datzelfde: behalve de herkenning ook de vervreemding. Naast al die dingen waarin w overeenstemmen, toch steeds weer dat ene wat scheiding tussen ons maakt.

Kerstfeest, een vergissing?

Dit keer kwam juist dat ene pujnt heel diepgaand ter sprake. We stelden onze joodse gesprekspartners de eerlijke vraag: 'Hoe komt het toch dat wij wel geloven dat Jezus de Messias is en jullie niet? ' 'Omdat jullie je vergissen', luidde het even openhartige antwoord van een joodse geleerde. 'Ja, maar waarom dan? Willen jullie ons dat eens uitleggen? ' 'Het zit vast op Jesaja u', reageerde een van de rabbijnen.

Kort en krachtig. Meer niet. Maar wij begrepen wat deze uiterst beminnelijke jood bedoelde te zeggen: 'Als jullie menen dat het Kerstkind de beloofde Messias van Israël is, waar is dan het Messiaanse rijk? Wat merken we van de vrede en de gerechtigheid die volgens de profeet Jesaja gepaard zullen gaan met de komst van de Messias? Waar zie je vandaag een wolf en een lam samen spelen? Wat is er merkbaar van herstelde verhoudingen in deze wereld, die verscheurd wordt door terreur en oorlog, door ziekte en dood, door onrecht en lijden?

Wat moetje als christen met zulke vragen? Dat ze de kern van de zaak raken, is wel duidelijk. Zit er misschien ook een kern van waarheid in? Is er iets mis, wanneer onze kinderen op het kerstfeest de bekende woorden uit Jesaja 11 declameren: 'Er zal een rijsje voortkomen uit de afgehouwen tronk rk van Isai? ' Zingen we te hoog boven onszelf uit, wanneer we op en rond 25 e december zingen: 'O Vredevorst gij kunt gebieden de vreed' op aard en in mijn ziel'? Slaan predikanten de plank mis als zij op kerstmorgen verkondigen dat in Jezus van Nazareth de Messiaanse profetieën in vervulling zijn gegaan? Kortom: wat hebben wij als christenen te antwoorden op deze joodse vragen?

Joodse dromen!?

Velen in de kerkgeschiedenis waren geneigd meewarig hun hoofd te schudden over zoveel domheid van joodse zijde. Met het grootste gemak werden hun vragen van tafel geschoven als te aards, te vleselijk. Ze werden eenvoudig afgedaan als joodse dromerijen. Dit soort profetieën zou namelijk niet letterlijk, niet concreet moeten worden verstaan, maar geestelijk en hemels. In de Vroege Kerk al waren er stemmen die deze manier van omgaan met het Oude Testament bepleitten. Velen grepen naar de methode van het allegoriseren. De letterlijke betekenis moest wijken voor het zoeken naar een hogere, geestelijke betekenis van de woorden en gebeurtenissen. In de bekende catechetenschool van Alexandrië bestond een grote voorliefde voor deze manier van Schriftuitleg. De kerkvaders Origenes en Athanasius zijn bekende vertegenwoordigers van deze traditie. Er waren echter ook toen al tegenstanders van deze manier van exegetiseren. De volgelingen van de Antiocheense catechetenschool moesten van allegorese niets weten. Zij wilden meer vasthouden aan de letterlijke, aan de historische betekenis van de oudtestamentische beloften. De kerkvader Ireneaus, die afkomstig was

uit Klein-Azië maar een groot deel van zijn leven in het Franse Lyon heeft doorgebracht, zat al eerder op dat spoor. Hij wordt beschouwd als de grondlegger van de christelijke theologie. Zijn toekomstverwachting is, net als bij zovelen van zijn tijdgenoten, chiliastisch gekleurd. Met kracht verzet hij zich tegen degenen die de oudtestamentische profetieën zinnebeeldig betrekken op de hemel en niet op de aardse werkelijkheid. Als voorbeeld ndemt hij diverse gedeelten uit Jesaja, die volgens hem tekort worden gedaan wanneer men ze in allegorische zin wil uitleggen.

In de tijd van de Reformatie is de allegorische bijbeluiüeg sterk naar de achtergrond gedrongen. Met name de hervormer van Genève wilde het Oude Testament meer tot zijn recht laten komen. In plaats van exclusief te vergeestelijken wilde hij ook de letterlijke bedoeling van het profetische woord honoreren. Het is de moeite waard ons oor bij de hervormer te luisteren te leggen.

Leeuwen die schapen worden

In Calvijns verklaring van Jesaja n vallen twee dingen op. Enerzijds betrekt hij de woorden van de profeet op Christus en zijn heilswerk. Wat gezegd wordt over het rijsje uit de tronk van Isaï moet wel slaan op Hem die in Bethlehem geboren werd. De hervormer zegt met nadruk dat we goed moeten letten op 'de geestelijke betekenis van dit alles'. In het beeld van de wolf en het lam beschrijft Jesaja, zo meent Calvijn vervolgens, het gedrag van hen die zich aan Christus hebben toevertrouwd. Door zijn hemelse geest vormt hij hun karakter en vernieuwt het naar zijn evenbeeld. Niemand onder het volk van Christus heeft nog langer de behoefte om leed aan te richten. Ruwheid en onmenselijkheid zijn bij hen niet meer te vinden. Gedroegen zij zich eerst als leeuwen en luipaarden, nu gaan ze lijken op schapen en lammeren. Mensen die voordat zij Christus leerden kennen, leken op wilde dieren, worden nu zachtmoedig en handelbaar. Gehoorzaamheid wordt één van hun belangrijkste nieuwe kenmerken. Immers: een kleine jongen zal ze hoeden. Calvijn legt uit: 'Zovelen zich persoonlijk aan Christus hebben overgegeven, zullen Hem gehoorzamen, ook al gedroegen zij zich eerst als wilde dieren. Zij zullen Hem zelf zo gehoorzamen dat zij Hem gewillig volgen, zodra Hij maar een vinger opheft, zoals we lezen in Psalm 110 : 3: 'Zijn volk zal gewillig zijn'. Degenen die echter deze zachtmoedigheid missen, verdienen niet tot Zijn schapen gerekend te worden. En daarom, och, dat wij ons toch door Hem laten regeren en temmen. Ja, laten wij ons ook aan hen die Hij over ons gesteld heeft, gewillig onderwerpen, ook al lijken ze op kinderen. De dienaren van het Woord schijnen hier namelijk met kinderen vergeleken te worden, omdat ze geen uiterlijk geweld gebruiken, en zich op hun ambtelijk gezag niet verheffen'.

Gouden eeuw

Een geestelijke interpretatie van het profetische woord is voor de Geneefse reformator dus volstrekt logisch en legitiem. Hij noemt deze spirituele uitleg zelfs de 'hoofdzaak' van wat Jesaja hier verkondigt. Toch is daarmee niet alles gezegd. Hij acht daarnaast een letterlijke vervulling allerminst uitgesloten. Veelzeggend is zijn opmerking dat de profeet toch nog iets meer bedoelt. 'Immers, het lijkt erop dat hij eveneens het gezegende herstel van de wereld belooft. Hij beschrijft hier immers een orde (harmonie), zoals die er in den beginne geweest is, voordat de afval van de mens die ellendige en treurige omkeer teweegbracht, waaronder we vandaag zuchten. Want waar komt die wreedheid van de wilde dieren vandaan? Sterk als ze zijn overweldigen, verscheuren en verslinden ze de dieren die niet zo sterk zijn (...). Christus is evenwel gekomen, om de wereld met God te verzoenen, door de vloek weg te nemen. Vandaar, dat niet zonder reden het herstel van de staat der rechtheid aan Hem wordt toegeschreven. De profeten zeiden als het ware dat die gouden eeuw zal terugkeren, waarin - voor de val van de mens, die tot gevolg had de ineenstorting en verwoesting van de wereld - het volle geluk geheerst heeft'. Het komt erop neer dat Christus zal komen om alle leed uit de wereld te verdrijven en ook de gevloekte aarde weer in haar vroegere luister te herstellen. Wanneer deze radicale en totale vernieuwing van de schepping zal plaatsvinden? Zonder twijfel denkt Calvijn daarbij aan de jongste dag. Als Christus wederkomt, wordt het werk dat in Bethlehem begonnen is, voltooid. Het Kind in de kribbe zal dan Koning zijn. In volle luister zal Hij heersen over een nieuwe hemel en een nieuwe aarde waarop vrede en gerechtigheid zullen wonen.

Vervulde en onvervulde profetieën

Een boeiende benadering van dit Schriftgedeelte vinden we ook bij Isaac da Costa, de tot Christus bekeerde jood die leefde in de 19e eeuw. Hij behoorde tot de bekende stroming van het Reveil. Volgens Da Costa moet men onderscheid maken tussen drie soorten profetieën. Er zijn beloften die reeds vervuld zijn, andere zijn nog niet vervuld en ten slotte zijn er ook profetische woorden die ten dele vervuld en ten dele onvervuld zijn. Vanuit deze gezichtshoek benadert Da Costa ook Jesaja 11. We vinden zijn verklaring in de beroemde bijbellezingen, die hij gewend was te houden op zondagavond en die later in boekvorm zijn uitgegeven. De profetie over het 'rijsje dat zal voortkomen uit de afgehouwen tronk van Isaï', rekent deze joodse volgeling van Jezus zonder meer tot de vervulde profetieën. De nederigheid van Jezus correspondeert met het beeld van het takje dat ontspruit aan de afhouwen tronk. Hij tekent aan: 'God brengt uit het allerkleinste het allergrootste voort. Al de heerlijkheid van Israël en de volken komt voort uit een rijsje, een kindje'. De profeten van het Oude Testament hebben een zekere voorkeur om over de Messias te spreken als over een kind. Waarom? Omdat niets heerlijkers is dan de goddelijke heerlijkheid in kindergestalte. Hoe meer de Allerhoogste zich klein maakt voor ons, des te dieper is Hij tot ons afgedaald. Hoe nader Hij ons gekomen is, des te meer Hij onder ons bereik is. Dat is kerstfeest. Dat is wat God heeft gedaan toen Hij zijn eigen, enige Zoon naar deze aarde zond. Christus, 'God van eeuwigheid, Gods

Zoon door een eeuwige geboorte, de oneindig grote, werd een klein kindje, dat door Simeon op de arm werd genomen, en van dat kleine kind werd door de engel gezegd: Deze zal groot zijn en de Zoon des Allerhoogsten genaamd worden'. Intussen twijfelt Da Costa er geen seconde aan of Jezus wel de beloofde Messias is. Immers: Hij zal afkomstig zijn uit het geslacht van Isaï, uit het huis van David. Is dat niet met zoveel woorden bevestigd door de engel, die zijn aardse vader aansprak met de veelzeggende woorden: Jozef, gij zoon van David? Dat alleen al is voor Da Costa voldoende legitimatie voor de koninklijke afstamming van Christus en daarmee ook van zijn Messiasschap.

Paradijsstaat

Hoe leest deze christenjood nu het vervolg van Jesaja's visioen? Hij heeft er moeite mee dat sommigen niet kunnen geloven dat het hier om echte dieren gaat en om een werkelijk herstel van de verstoorde verhoudingen in de dierenwereld. Zelf koestert hij daarover niet de minste twijfel: de dieren deelden in onze val, zij zullen ook in ons herstel delen. Waarom dan toch die moeite met de letterlijke opvatting van deze profetieën? Waarom vindt men het te aards dat de dieren betrokken worden bij de verlossing in Christus? Omdat de Bijbel er tegen is? Da Costa antwoordt: 'Nee, maar omdat wij alles vergeestelijken willen, en dat kan men de dieren niet. De spiritualisten maken de veelvuldige rijkdom Gods tot armoede'. Jesaja verwacht een totale en radicale vernieuwing, ook van de schepping. 'Wij vinden hier eenvoudig de terugkeer van de paradijsstaat'. Er komt een algemene sjaloom en wat voor een vrede? Een vrede van God. Da Costa verzucht: 'Zouden wij in zulk een heerlijke toekomst van de aarde niet geloven, en haar niet biddend smekend inwachten? Ezau verkocht zijn eerstgeboorterecht voor een linzenkooksel, zouden wij de belofte van God inwisselen voor de ingebeelde verwachtingen van staatslieden, wijsgeren en theologen? ' Heel opmerkelijk is dat Da Costa dit vrederijk nog verwacht alvorens de voleinding van alle dingen een feit zal zijn. Zijn toekomstverwachting kan niet worden losgezien van zijn visie op het duizendjarig rijk, zoals voorzegd in het boek van de Openbaring. Met intense spanning zag Da Costa naar dat vrederijk uit. In zijn tijd waren er theologen die beweerden dat het duizendjarig rijk al achter ons ligt. Zijn nuchtere reactie daarop is: 'Nu, dat moet dan wel in de droom geschied zijn, want niemand heeft er iets van bemerkt'.

Toegift

Maar de geestelijke duiding dan? Wel, die schuift Da Costa niet ter zijde. Alleen, deze interpretatie staat niet voorop, maar moet worden gezien als een toegift. In de Schrift is alles wezenlijk, letterlijk, betoogt hij, maar 'wilt gij de geestelijke betekenis als toegift erbij hebben, dat is iets anders, dat moogt gij'. De letterlijke vervulling van deze profetie wacht nog in de toekomst, maar de geestelijke is nu al aan de orde. We horen Da Costa in deze zondagavondlezing opmerken: 'Door de bekering tot Christus is menige wolf in een lam veranderd, men denke alleen maar aan Paulus. Sommige gelaatkundigen menen, dat ieders gelaat een trek heeft van het dier, waar hij het meest naar aardt; doch dit moge een menselijke inbeelding zijn, zeker is het, dat de wedergeboorte aan ieder mens, wie hij ook zij, de aard geeft van het Lam en de Leeuw uit Juda's stam'. Het geestelijke en het aardse, het materiële lopen bij deze Messiasbelijdende jood dus door elkaar heen. Hoezeer hij Jesaja 11 ook ziet als reeds vervuld in Christus, de verwachting van het Messiaanse rijk van vrede en gerechtigheid blijft bij hem branden als een laaiend vuur. Dat hangt helemaal samen met zijn manier van bijbellezen. Naast de spirituele duiding, blijft hij ook vasthouden aan de letterlijke interpretatie. Door een onderscheid te maken tussen vervulde en onvervulde beloften, kan hij zowel aan het een als aan het ander blijven vasthouden.

Het moet ons wel opvallen dat er tussen Calvijns uitleg en die van Da Costa significante overeenkomsten zijn. De geestelijke en de letterlijke interpretatie gaan bij beide uitleggers hand in hand. In dat opzicht verschillen ze van velen in de kerkgeschiedenis die de letterlijke betekenis al te gemakkelijk uit het oog verloren. Tegelijkertijd zijn er ook verschillen waarneembaar. Voor Da Costa staat deletterlijke interpretatie van dit gedeelte voorop, terwijl de geestelijke duiding 'toegift' is. Bij de hervormer is het omgekeerde het geval. Een tweede belangrijk onderscheid betreft het ogenblik waarop de letterlijke vervulling een feit zal zijn. Voor Da Costa staat het vast dat nog voor de dag van het oordeel iets daarvan zichtbaar zal worden. Calvijn daarentegen ziet het herstel van de geschonden schepping zich pas voltrekken bij de wederkomst.

Het moet ons wel opvallen dat er tussen Calvijns uitleg en die van Da Costa significante overeenkomsten zijn. De geestelijke en de letterlijke interpretatie gaan bij beide uitleggers hand in hand. In dat opzicht verschillen ze van velen in de kerkgeschiedenis die de letterlijke betekenis al te gemakkelijk uit het oog verloren. Tegelijkertijd zijn er ook verschillen waarneembaar. Voor Da Costa staat deletterlijke interpretatie van dit gedeelte voorop, terwijl de geestelijke duiding 'toegift' is. Bij de hervormer is het omgekeerde het geval. Een tweede belangrijk onderscheid betreft het ogenblik waarop de letterlijke vervulling een feit zal zijn. Voor Da Costa staat het vast dat nog voor de dag van het oordeel iets daarvan zichtbaar zal worden. Calvijn daarentegen ziet het herstel van de geschonden schepping zich pas voltrekken bij de wederkomst.

Vervulling en voleinding

Zijn we er nu uit? Weten we nu het antwoord op de joodse vragen waarmee we begonnen? Voor mijzelf tekenen wel enkele lijnen zich af. Om te beginnen realiseer ik me dat de rabbijnen me opnieuw huiswerk meegegeven hebben. Hebben we het Kerstkind niet al te vaak losgemaakt van het Messiaanse rijk. Jesaja maakt ons duidelijk dat ze helemaal bij elkaar horen. Zonder Messias geen rijk van vrede. Maar de Messias is ook nooit los te denken van het herstel van alle geschonden en verstoorde verhoudingen. Leven we daar als christenen niet al te gemakkelijk aan voorbij? Lijden we niet te weinig aan de onverlostheid van de geschapen werkelijkheid, aan het onvolmaakte en het zondige, niet alleen in de structuren, maar ook in ons eigen leven? De hele schepping zucht, maar waar is het zuchten van hen die in het Kind van Bethlehem hun heil, hun hoogst geluk hebben gevonden? Ook na kerst leven we nog altijd in advent. De verzoening is door het volbrachte werk van Christus een feit, maar de totale verlossing, het zichtbaar worden van het rijk staat nog uit. De vervulling in de Messias Jezus roept om de voleinding. Ze is er tevens in gegrond en gegarandeerd. Dat zou ik per slot van rekening willen zeggen tegen onze joodse vrienden: uw vragen aan ons adres willen we, mogen we niet gemakkelijk naast ons neerleggen. U hebt gelijk als u zegt dat Jesaja 11 nog niet ten volle is vervulling is gegaan. Maar toch zijn we er diep van overtuigd, dat we ons niet vergissen. Wat Jesaja in zijn profetische blik op één lijn zag liggen, heeft God in fasen uiteen doen vallen. Jezus de Messias kwam in armoede en schamelheid om de schuld te betalen, de zonde te boeten. Straks echter zal Hij komen in heerlijkheid om alle dingen nieuw te maken. Wat zou het heerlijk zijn als we dat samen - joden en heidenen -mochten beamen. Eens zal het gebeuren, zozeker als het Woord van God betrouwbaar is. Bidden we er dagelijks om? En is ons leven met het Kerstkind zo aanstekelijk dat het anderen, ook het joodse volk jaloers maakt? Met des te meer vreugde en verwachting zullen we dan op het komende kerstfeest meezingen: Gods belofte wordt heerlijk vervuld!

M. VAN CAMPEN, WADDINXVEEN

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 december 2001

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

Het Kerstkind en het  Messiaanse rijk

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 december 2001

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's