Uit de pers
De gereformeerden
Onlangs verscheen van de hand van Trouw-journaliste Agnes Amelink een boeiend boek over 'De gereformeerden'. Ze bedoelt de gereformeerden met wie we als hervormden Samen op Weg zijn. In de Waarheidsvriend van 13 december schreef onze eindredacteur er een bespreking over. Ook in andere persorganen trok dit boek (terecht!) de aandacht. Ik las het zelf intussen ook en kan het iedereen aanbevelen. Het is een boek à la Geert Mak, alleen veel zorgvuldiger en feitelijk juister. Gereformeerden zijn er in vele soorten. Daarin zijn ze niet op z'n sterkst. In Amelinks boek gaat het over de gereformeerden van wie J. H. Gunning jr. ooit gezegd moet hebben dat het de gereformeerden zijn tussen aanhalingstekens. Ik las dat in een bespreking van ds. M. G. L. den Boer in het blad 'In de Waagschaal' waaruit ik straks nog een fragment zal citeren. In het blad Opbouw van de Nederlands Gereformeerden (tot deze kerken hoort ook de schrijfster) van 9 december 2001 schrijft ds. H. de Jong een uitgebreid artikel over dit boek onder de titel Het raadsel van de twintigste eeuw. Daarin klinkt de titel van H. Algra's boek door, die over de gereformeerden van de negentiende eeuw het boek schreef: Het wonder van de negentiende eeuw. Van wonder naar raadsel, dat is in veel opzichten de weg geweest tot nu toe van hen wier geschiedenis zo fraai beschreven is door Agnes Amelink.
'Maar waar is het eigenlijk misgegaan? Abraham Kuyper heeft een antwoord willen geven op de Verlichting en zocht dat in een eigentijds calvinisme, constateert het boek heel juist (p. 233). Dat antwoord is te cerebraal, te verstandelijk uitgevallen, zeggen we nu achteraf. De christelijke Verlichting had het meer in de liefde dan in de kennis moeten zoeken. "Want de kennis maakt opgeblazen, maar de liefde sticht" (I Cor. 8: 1). Inderdaad vind ik de opgeblazenheid de lelijkste trek van de gereformeerden in de periode van hun hoogste bloei. Niet naar buiten (zoals vaak wordt gezegd) maar naar binnen toe. De laatdunkendheid van de omhoog gevallen intellectuelen tegenover het milieu waaruit ze waren voortgekomen. Schrijvers die begonnen te trappen naar degenen die in de romankunst iets probeerden. "Degenen die altijd het hardst hebben afgegeven op de christelijke serie-boeken en soortgelijke lectuur, waren protestants-christelijke auteurs die literair serieus genomen wilden worden" (p. 120). En wat te denken van de "hoofdstedelijke arrogantie" (p. 135) rondom de zaak-Geelkerken? Lange tijd heb ik gedacht dat broeder Marinus, de tegenspeler van Geelkerken, kruidenier was. Ik lees nu dat hij procuratiehouder is geweest (p. 134). Dat kruidenier, dat moet in de informatie die ik vroeger tot mij genomen heb van de kruideniersgeest vandaan komen, die men hem toedichtte. Een man in een stofjas voor een krentenweegschaal, zo afficheerde men hem. Daar zijn gereformeerden, als ze ontwikkeld raakten, altijd heel sterk in geweest: in het verstandelijk belachelijk maken van wie nog niet zover waren als zij. Dom was in gereformeerde ogen erger dan slecht. Want er viel natuurlijk best veel te zeggen voor de meer literaire benadering van het Genesisverhaal, maar wat alles zo lelijk maakte was de verachting die men voor het eenvoudige kerklid aan de dag legde. De grote wereld waarin men wilde meetellen in bescherming nemen en op de eigen mensen neerkijken. De liefde die sticht had deze eenvoud te hulp moeten komen. Met kennis, ja zeker! Het geduldig verder helpen van degenen die geen verstandelijke maar religieuze bezwaren tegen de nieuwe manier van lezen van de bijbel hadden, wat had dat aan het gereformeerde een charme kunnen verlenen! Dezelfde cerebrale misvorming heeft bij het warekerk-drijven van de vrijgemaakten en bij het gedram van het IKV over de kruisraketten een treurige rol gespeeld: "Dus ... dus ... dus ..." Als er toch eens een gereformeerde Verlichting geweest was, waarbij de mensen uit de schuldige onmondigheid en onvolwassenheid van hun ... liefde gekropen waren! Prachtige voorbeelden van het eerste uur zitten daarvan in onze bagage: mr. A. M. C. van Hall van de afgescheidenen, Groen van Prinsterer van de schoolstrijd, mr. dr. Willem van den Bergh van de doleantie en niet te vergeten: Abraham Kuyper zelf.'
De vraag die ds. H. de Jong dan begrijpelijk opwerpt, is die van: hoe nu verder? Hervormd-gereformeerden zijn een totaal ander soort gereformeerden. Let wel: ik zeg niet een beter of wat dan ook soort. Maar wel van een geheel andere geest en mentaliteit. Ook daar zit een groot stuk van de pijn die het SoW-proces al jaren oproept. Ook de soms voelbare minachting voor hen die de Bijbel nog altijd willen lezen zoals het ooit op de synode van Assen (1926) werd geponeerd. Ook al brengen wij daar nu ook de nodige nuanceringen bij aan, dan nog is er een kloof merkbaar tussen hen die zo dicht mogelijk bij het gezaghebbend spreken van de Schrift willen blijven en hen die daar veel (te veel!) afstand van hebben genomen uit vaak louter intellectuele overwegingen.
'En hoe zal het nu verdergaan met de gereformeerden? Het boek is daar niet optimistisch over en voorziet het uiteengaan van de piëtistische vroomheid zoals die sinds de afscheiding als onderstroom aanwezig was en de maatschappelijke betrokkenheid die zich meer dan die anderen het reilen en zeilen van de samenleving aantrekt. De eerste zal een onderkomen in het EO-christendom vinden en de laatste in een meer politiek dan religieus of kerkelijk engagement
(p. 236/7). Ik ben het met de auteur eens dat het dan met het karakteristiek-gereformeerde gedaan is. Moeten we daar in berusten? "Aan het etiket gereformeerd is niemand gehecht. Het gaat er maar om dat je Jezus kent", zegt de een. "Het gaat er maar om dat je als Jezus leeft", zegt een ander, aldus Agnes op p. 222, niet als haar mening maar beschrijvend. En dat was het dan? De nuchterheid gebiedt te erkennen dat er nog altijd veel meer gereformeerden over zijn dan dat er afgehaakt hebben. Dus wat nou teloorgang? Toch tast de onzekerheid over de te volgen route ook hen aan. Er is te veel van wat vroeger geloofd werd onhoudbaar gebleken. Zelf vind ik ook dat we in het verleden de bijbel overvraagd hebben. Ons lezen ervan is te statisch, te weinig dynamisch geweest. Alsof het werkelijk de bedoeling was dat wij als gelovigen gebonden bleven aan samenlevingsvormen uit de eerste eeuw van onze jaartelling: slavernij, mannen-dominantie en in het algemeen de heerschappelijke in plaats van de maatschappelijke inrichting van het leven. Terwijl de bijbel zelf van het Oude naar Nieuwe Testament een gedrevenheid aan de dag legt die heel andere verwachtingen wekt. "Denkt niet aan hetgeen vroeger gebeurde en let niet op wat oudtijds is geschied; zie Ik maak iets nieuws, nu zal het uitspruiten; zult gij er geen acht op slaan?" (Jesaja 43: 18-19). Zeer verrast was ik door een woord uit 1918 (!) van Johanna Breevoort, in verband met de vrouwenbeweging: "Onze religie is veel te rijk en te krachtig om zich duurzaam op te sluiten in een paar teksten uit het jonge Christelijke gemeenteleven" (p. 98). Hier wordt m.i. de juiste toon aangeslagen. Niet alleen getuigt
dit woord van een goed inzicht in het tijd- en situatie-gebondene van veel wat we in de Schrift tegenkomen, maar wat me vooral aanspreekt is het enthousiasme voor de rijkdom en de kracht van ons geloof. Hier wordt niet vanuit een geestelijke leegte gepeuterd aan de geldigheid van de Schriften, maar hier wordt getuigd van een warme gebondenheid aan de kern. Was er zo maar meer gesproken! Want op deze manier is het mogelijk vanuit een gevuld midden naar de randen te gaan. Ik denk dat het daar te veel aan ontbroken heeft. En ontbreekt. Te veel gehakketak over wat aan de rand staat, met als resultaat dat we tenslotte te veel weggooien. Niet dat we zo een in alle opzichten gemakkelijke sleutel tot het gebruik van de Schrift in handen hebben, maar het feit dat iedereen aanvoelt dat er zo'n midden is zou een goede start kunnen zijn. Hoe dat ook zij - gewoon doorgaan met waar we mee bezig waren zou van hardleersheid getuigen.'
Er zullen nogal wat lezers van ons blad zijn die vinden dat ds. H. de Jong in zijn pleidooi voor een gereformeerd schriftverstaan vanuit het centrum naar de randen veel te ver gaat. Al begrijp ik dat wel, toch meen ik dat we het daar onder ons veel meer over zouden moeten hebben. Wij spreken graag over 'de gereformeerden' als een 'baken in zee'. Met andere woorden: zo moet het niet en zo willen we het niet. Maar hoe dan wel? Het eigentijdse levensbesef knaagt ook onder ons aan wat wij 'het gezag van de Schrift' noemen. Daar kunnen we m.i. niet zomaar omheen.
Veruiterlijking
In het blad In de Waagschaal van 1 december wijdt ds. M. G. L. den Boer een uitvoerige bespreking aan Amelinks boek. Ik citeer daar dit gedeelte uit:
'Amelink schrijft dat met het cliché': opgaan, blinken en verzinken terecht de geschiedenis van de gereformeerden samen te vatten zou zijn. In korte tijd werd het gereformeerde bolwerk ontmanteld. Sinds zij, door haar werk voor de kerkredactie van Trouw, intensief in aanraking kwam met de restanten van het gereformeerde Ieven, heeft het haar verbaasd hoe dat toch mogelijk was. "Als je ziet hoe diep de hartstocht voor de Waarheid zat, en hoe fanatiek en vol oprecht goede bedoelingen men zich inzette voor de kerk en de maatschappelijke organisaties, dan is het eigenlijk onvoorstelbaar dat de welvaart en de modernisering van de samenleving het gereformeerdendom zo snel de das hebben omgedaan."
In 1973/74 bereikten de gereformeerden met ongeveer 880.000 leden de grootste omvang van hun geschiedenis, maar in 1975 zette de daling in die versneld werd vanaf halverwege de jaren tachtig. Tussen 1986 en 2000 raakten ze ruim 150.000 leden kwijt. Maar ondanks het verlies van leden en het teloor gaan van vele zekerheden, zongen de gereformeerden in de jaren zeventig en tachtig toch geen toontje lager. "Met dezelfde felheid waarmee hun voorouders de waarheid verdedigd hadden, stonden de twee kampen van modernen en behoudenden nu met hun inzichten tegenover elkaar. Hard bleven de koppen, recht bleven de lijnen die ze trokken."
Tekenen van verval ziet Amelink in de eenzijdige nadruk op levensstijl die de "veruiterlijking" van het gereformeerde leven enorm bevorderde. AI vanaf 1892 werd het geestelijk leven steeds meer een kwestie van activisme en vroomheid viel samen met de inzet voor school, kerk en maatschappij.
Amelink pretendeert niet met haar boek het raadsel van het snelle verval der gereformeerden te hebben opgelost, maar ze noemt wel een paar dingen die niet bevorderlijk waren voor het gereformeerde leven, bijvoorbeeld de "valkuil van de macht". Door hun dadendrang verwierven de gereformeerden aanzien, invloed en macht. "Als ze de kerkgeschiedenis goed bestudeerd hadden, hadden ze kunnen weten dat wereldlijke macht op den duur dodelijk is voor geestelijk leven. Macht corrumpeert en maakt zelfgenoegzaam." Dergelijke woorden had Gunning in zijn tijd vele malen gezegd. Een tweede keerzijde is dat voor veel gereformeerden geloven een kwestie werd van ijverig bezig zijn in kerk en christelijke organisaties. Dat werd "werken in Gods koninkrijk" genoemd. Verder was er het cerebrale klimaat. Gereformeerd leven werd gekenmerkt door daadkracht en kennis van beginselen. In dit klimaat mocht twijfel niet bestaan. Geen twijfel over de geldigheid van de beginselen, evenmin over de waarheid van Gods Woord of twijfel over eigen zaligheid.'
Veruiterlijking, ja. Er zijn nog altijd gemeenten waar men vindt dat je geestelijke betrouwbaarheid en echtheid zich vooral laten zien aan de buitenkant van je bestaan. En de hang naar macht. Wij weten het en wij hebben het: zelfgenoegzaamheid. Als je het er niet mee eens bent, dan ga je maar weg. We hebben daar in onze kerk zelfs een uitweg voor bedacht: de perforatie van de gemeentegrenzen. Laten we niet denken dat het bij ons allemaal zo volmaakt is en dat wij het tenminste niet zo schandelijk hebben laten afweten als 'de gereformeerden'. Verootmoediging zou alle gereformeerden in ons land passen. De geschiedenis van de gereformeerden is ook een geschiedenis van scheuringen, aldus ds. Den Boer terecht. En wij zijn dan wel in de Hervormde Kerk gebleven, maar intern zijn de scheuringen er niet minder om. Het is mij vaak bij de afsluiting van een Jaarkring een wonder geweest dat er nog een kerk is, dat we nog een gemeente hebben waar het Evangelie wekelijks klinkt. En een nog groter wonder dat ik daar bij mag horen, ja zelf in die verkondiging betrokken ben gebleven.
J. MAASLAND
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 januari 2002
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 januari 2002
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's