Ouders, school en kerkelijke gemeente
Eind oktober verscheen op de kerkelijke pagina van het Reformatorisch Dagblad een kort verslag van een bezinningsbijeenkomst, georganiseerd door het bestuur van de Gereformeerde Bond, aangaande de samenwerking tussen de kerk, de school en ouders in gezinnen. Deze drieslag, die we vaak vertaald zien in de naamgeving van protestants christelijke en reformatorische scholen (de Driemaster, de Triangel, de Driester (-star etc.) staat terecht opnieuw in de belangstelling.
Ruim 100 jaar na de aanpassing van de Nederlandse wetgeving inzake de vrijheid van onderwijs is dit onderwerp opnieuw actueel. In het begin van de vorige eeuw vochten onze voorouders voor het verkrijgen van christelijk onderwijs voor de kinderen aan hen toevertrouwd. Steeds meer komen er signalen dat we momenteel, als gevolg van het huidige kabinetsbeleid, opnieuw verzeild dreigen te raken in een schoolstrijd. Ditmaal zal de inzet echter een andere zijn: behoud van christelijk onderwijs voor allen die zich gebonden weten aan Schrift en Belijdenis, zonder zich te willen of kunnen rekenen tot de denominatie reformatorisch onderwijs. En daarmee is de positie van de behoudende protestants christelijke scholen in het geheel van het pc-onderwijs vergelijkbaar met de positie van de Gereformeerde Bond binnen de Hervormde Kerk. Ook wij verzuchten vaak: 'We kunnen niet weg, we willen niet mee'
De afgelopen weken hebben we in de Waarheidsvriend kennis kunnen nemen van de volledige teksten die tijdens deze bezinningsbijeenkomst uitgesproken zijn. Opnieuw werd het belang van een samenwerking tussen kerk, school en gezin onderstreept. Ik wil dan ook mijn dank uitspreken voor de waardevolle bijdragen, die op veel bestuurs- en kerkenraadstafels aanleiding zouden kunnen geven tot zinvolle momenten van bezinning. Eén ding bleef echter naar mijn indruk onbesproken en dat is de visie van de huidige overheid op christelijk onderwijs en de positie van de ouders daarin. Daarom wil ik proberen in dit artikel duidelijk te maken aan allen die zich rekenen tot de hierboven genoemde achterban van pc-scholen (op Gereformeerde Grondslag), wat komende beleidsveranderingen voor ons teweeg kunnen brengen. Ik hoop dan ook dat deze problematiek aanvullend zal verschijnen op de agenda's van kerkenraden, schoolbesturen en ouderraden.
Ouders en school
In het voorjaar van 2001 verscheen van de hand van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen de brochure 'Ouders en school' " met als subtitel: 'versterking van het partnerschap'. De kabinetsperiode van het tweede paarse kabinet heeft zich gekenmerkt door een aantal duidelijke speerpunten, zoals geformuleerd in het regeerakkoord. Na de invoering van een aantal verplichte kwaliteitsdocumenten, zoals het schoolplan en de schoolgids, ligt de aandacht nu op het versterken van de positie van de ouders in de school.
'Het kabinet vindt het belangrijk dat de positie van de ouders in de school van hun kinderen wordt versterkt'. 1) Na het lezen van de notitie blijkt het te gaan om een aantal duidelijk te benoemen onderwerpen, te weten: informatie, communicatie en met name zeggenschap.
'Ouders zijn primair verantwoordelijk voor de opvoeding van een kind'. Uiteraard zal niemand deze stelling betwisten. Integendeel, binnen de doopcatechese wordt daar menigmaal op gewezen door predikanten en ouderlingen. Vervolgens mogen we in dit verband wijzen op de relatie die bestaat binnen het 'te doen en te helpen onderwijzen' 2) tussen kerk, school en gezin. Er mag een herkenbare relatie zijn met allen die rondom het kind verantwoordelijk zijn voor de opvoeding van het gedoopte kind. Dat zou een gekoesterd juweel moeten zijn door allen die de geschiedenis van onze bijzondere scholen kennen. Daarnaast wordt op vele scholen vanuit evangelisatorisch denken een ruim toelatingsbeleid gehanteerd. Zij die de uitgangspunten van school respecteren en onderschrijven, mogen hun kinderen aanmelden op de christelijke school. Zo mogen we kinderen in de kerk en thuis, maar ook op school bereiken met het evangelie van de Heere Jezus Christus, omdat Hij ons hierin zelf voorging, Zijn discipelen bestrafte en sprak: 'Laat de kinderen tot Mij komen en verhindert ze niet, want derzulken is het Koninkrijk Gods' 3). Een aantal zaken zijn echter van belang om, voorafgaande aan de vertolking van het overheidsdenken op dit gebied, te melden.
Binnen het protestants christelijk onderwijs is het niet anders gegaan dan in de Nederlandse Hervormde Kerk. Veel scholen zijn door de secularisatie los gekomen van hun statutaire identiteit en hebben het gevoel in hun handelen slechts belemmerd te worden door de 'knellende' banden van statuten en huishoudelijke reglementen. Schaalvergrotingsoperaties, samenwerkingsverbanden en fusies hebben de school gemaakt tot een soms onherkenbaar instituut voor hen die ooit de school oprichtten.
Dit proces heeft zich ook doorgezet in bestuurlijke organisaties, zoals de Besturenraad Protestants Christelijk Onderwijs, de Unie voor School en Evangelie en nog vele andere organisaties, ooit opgericht om dienstbaar te zijn aan het bijzonder onderwijs in de volle breedte. Samenwerking met andere koepelorganisaties leidt ook hier tot fusies en samenwerking, die alle onmiskenbaar betekenen dat er concessies moeten worden gedaan aan de ooit gemaakte start en de daarvoor neergelegde statuten. Door de participanten wordt dit veelal gezien als een onomkeerbaar proces, waarbij identiteit soms ondergeschikt gemaakt wordt aan de wenselijkheid van de samenwerking die geschilderd wordt als een versterking van het identiteitsgebonden onderwijs. Ook hier wordt het moderne pragmatische denken de drijfkracht achter allerlei innovatieprocessen. Samenwerkingsscholen en scholen die de C- niet meer belijdend ervaren krijgen de volle ruimte om te participeren. Zij die de band met het verleden benadrukken en koesteren moeten vechten voor hun plekje. Het gevolg van het bovenstaande is een polarisatie die het onderwijs niet onberoerd heeft gelaten. Het ontstaan van de reformatorische scholenzuil heeft als gevolg gehad dat zich een versnelling in het secularisatieproces bij de achterblijvenden aftekende. Dit vond zijn beslag binnen beide hierboven genoemde groeperingen: scholen en bestuursorganisaties. Hierdoor is echter een groep scholen en besturen in het land terechtgekomen in een soort vacuüm binnen het protestants christelijk onderwijs. Niet behorend tot het reformatorisch onderwijs vanwege het evangelisatorisch uitgangspunt in de bijzondere school, maar ook niet mee kunnen gaan met de verregaande secularisatie van het moderne pc-onderwijs.
Tot voor kort hebben we gemeend dat ondanks alle veranderingen, het recht van inrichting van onderwijs, zoals verankerd in de Nederlandse Grondwet, artikel 23, nooit aangetast zou kunnen worden. De realiteit van dit moment doet mij echter vermoeden, dat we op een kruispunt van wegen zijn komen te staan. Daarom is het van groot belang dat we datgene wat we binnen de Gereformeerde Bond voor de kerkelijke gemeente willen behouden, kunnen vertalen naar 'onze' scholen (voor zover die er nog zijn en voor zover ze ook als zodanig willen worden aangesproken). Dat zou wel eens kunnen betekenen dat we de drieslag kerk, school en gezin opnieuw onder de aandacht moeten brengen, van allen die daarbij betrokken zijn.
Het kabinetsstandpunt
In de genoemde brochure wordt gesteld dat partnerschap tussen ouders en school is gebaseerd op gelijkwaardigheid en wederzijdse rechten en plichten. In het regeerakkoord is het belang benadrukt van een gelijkwaardige positie van alle ouders van op school toegelaten kinderen, ongeacht levensbeschouwing. Daarom wordt voorgesteld in de wet vast te leggen dat scholen ouders niet op grond van levensbeschouwing mogen weren uit de medezeggenschapsstructuur. De mogelijkheid van ouders om invloed uit te oefenen op de grondslag van de school wordt via de weg van de medezeggenschap versterkt. De oudergeleding binnen de medezeggenschapsraad krijgt een wettelijk instemmingsrecht over een principebesluit van het bevoegd gezag tot wijziging van de grondslag van de school (het zogenaamde kleurverschieten van de school).
Wat we hier zien ontstaan is een logisch gevolg van het denken waarbinnen degene die betaalt, bepaalt wat de inhoud van de wettelijke kaders voor het basisonderwijs moet zijn. Tevens is het een gevolg van het feit dat voor het ministerie lang niet altijd meer duidelijk is wat het verschil is tussen het openbaar en het bijzonder onderwijs en de beleidsmakers de scholen verplichten kleur te bekennen of kleur te verschieten, want uiteindelijk zal het daarop aankomen. Op zich is dat een, vanuit de overheid gedacht, terechte constatering. Wat is het bijzondere aan de bijzondere school? Het kan toch niet zo zijn dat het bijzondere bestaat uit de bereidheid om te willen samenwerken met hen die zich niet langer gebonden weten aan de doopbelofte uit het formulier (de samenwerkingsschool). Dan is het inderdaad niet bijzonder meer en verliest de school zijn bestaansrecht als een door de overheid gefinancierd 'bijzonder' instituut.
Kind toelaten is ouders toelaten
De gelijkwaardige positie van alle ouders binnen de school veroorzaakt binnen het bijzonder onderwijs, waar het evangelisatorisch denken uitgangspunt is voor het formuleren van toelatingsbeleid in de toekomst naar alle waarschijnlijkheid problemen. De nieuwe wetgeving lijkt in strijd te zijn met het geldende verenigingsrecht, maar vooralsnog geven de besturenorganisaties niet duidelijk aan hier in het regeringsoverleg een agendapunt van te willen maken. Ook de Tweede Kamerfracties geven nog weinig reacties op het geformuleerde beleid. Wie doet het dan wel??
Als hervormd-gereformeerde scholen voelen we aan de ene kant de roeping om in het onderwijs de deuren open te houden voor hen die van het evangelie vervreemd zijn geraakt. Bovendien willen we onze identiteit niet op voorhand inkaderen met allerlei regels en wetten die ons met name in dorpssituaties weer andere problemen kunnen geven. Aan de andere kant beseffen we, dat de noodzaak ons dwingt het gehanteerde toelatingsbeleid ernstig ter discussie te stellen. Uit gesprekken met diverse betrokkenen bij de genoemde beleidsnotities is gebleken dat het de intentie van de schrijvers is geweest nog een stapje verder te willen gaan dan het uiteindelijke resultaat. Het is echter niet ondenkbaar dat de wettelijke vertegenwoordiging van ouders in het schoolbestuur, ongeacht levensbeschouwing, in de toekomst een bekostigingsvoorwaarde worden gaat voor de instandhouding van de scholen.
Op 17 mei 2001 vond in Rotterdam de eerste conferentie plaats, georganiseerd door onder andere het ministerie van OC&W, voor bovenschools managers primair onderwijs. Professor Sleegers sprak, namens het procesmanagement van het ministerie hier nadrukkelijk de wens uit het onderwijssysteem te willen veranderen naar het voorbeeld van de partners in de Europese Unie. Het 'verzuilde systeem' vormt hierbij één der grootste belemmeringen voor de toekomst naar zijn mening. Dit geeft veel stof tot nadenken.
Wat te doen
Veel besturen en directies in het land voeren een eenzame strijd. Waar kunnen we nog een klankbord vinden voor onze verbondenheid aan Schrift en Belijdenis binnen het Protestants Christelijk Onderwijs? Gelukkig ontstaan er her en der verspreid in het land clusters van besturen die elkaar vinden op basis van de statutaire, maar nog veel belangrijker, 'beleefde identiteit'. Samen wordt gezocht naar nieuwe bestuursvormen en directiestructuren. Toelatingsbeleid wordt onderwerp van gesprek. Een voorbeeld hiervan is onder andere de federatie voor Protestants Christelijke Scholen op Gereformeerde Grondslag, regio Veluwezoom & IJsselstreek, waarbinnen hervormd Wapenveld, Genemuiden en Rouveen, samen met verwante scholen binnen de gereformeerde gezindte van deze regio zich hebben gevonden. Op andere plaatsen in het land vinden vergelijkbare initiatieven plaats. Wanneer we echter, terugkomend op de samenwerking school, kerk en ouders, bedenken wat er meer zou kunnen gebeuren, kan ik me voorstellen dat het een goed initiatief zou zijn, wanneer er binnen de Gereformeerde Bond een 'adviesraad voor - Kerk en school -' in het leven wordt geroepen om samen met alle betrokkenen na te denken over het onderwijs op de scholen en in de kerk, in samenhang met de opvoeding thuis. In het verleden werden de scholen vanuit de Nederlandse Hervormde Kerk ondersteund door de Raad voor Kerk en School. Momenteel zou ik niet kunnen vermelden of deze Raad nog bestaat en waaruit haar activiteiten zouden bestaan. Binnen de nog bestaande hervormde scholen is er in ieder geval geen directe relatie meer bekend. Door het SoW-proces is deze Raad wellicht ter ziele of opgegaan in de nieuwe structuur. De behoefte aan een dergelijke raad is aanwezig. Regelmatig worden we als scholen benaderd met het verzoek te adviseren in kwesties aangaande het toelatingsbeleid op verschillende scholen; aangaande de afstemming tussen school en kerk (zondagsschool en catechese), maar ook aangaande de opvoedingsvragen rondom kerk en samenleving in de gezinnen. Om te voorkomen dat er een versnippering van activiteiten plaatsvindt is het belangrijk dat er nagedacht wordt over de bundeling van initiatieven ter versterking van het geheel. We hebben elkaar nodig om voorbereid naar de toekomst de herkenbaarheid van het hervormd-gereformeerde geluid op de scholen vast te houden. Ik wil daarom oproepen om met elkaar in gesprek te komen aangaande kerk en onderwijs en de daaruit voortkomende initiatieven in te kaderen tot een organisatie, die in nauwe samenwerking met het bestuur van de Gereformeerde Bond, de HGJB, de schoolbegeleidingsdienst (centraal Nederland) schooldirecties kan ondersteunen; schaalvergrotingsoperaties op basis van een herkenbare identiteit kan begeleiden.
Het gaat om onderwijs aan kinderen, die deel uitmaken van gezinnen, die deel uitmaken van onze kerkelijke gemeenten. De nood van de tijd leert ons dat we elkaar vast moeten houden. Het is dan van belang te anticiperen op toekomstig beleid. Klaar zijn voor wat komen gaat. Een goede voorbereiding is beter dat een zuchten achteraf. De Heere Jezus heeft het belang van 'leren' duidelijk onderstreept gedurende Zijn rondgaan over deze aarde. Hij leerde met gezag vanuit het Woord van Zijn Vader. Dat mag heden ten dage nog steeds gebeuren op de scholen van de gemeente. Laten we er zuinig op zijn. Laten we met Gods hulp proberen te voorkomen dat in enkele tientallen jaren verdwijnen gaat, wat onze voorouders veel heeft gekost.
GERT VAN TOL
Noten:
1. 'Ouders en school' brochure ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, april 2001, www.minoc& w.nl
2. Klassieke doopformulier, dienstboek der Nederlandse Hervormde Kerk
3. Markus 10: 13-16
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 januari 2002
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 januari 2002
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's