In de ban van de ban
In het begin van de zeventiende eeuw schreef eens iemand de volgende verzuchting neer: 'Dit land is even vol met sekten als de zomer vol is met muggen'. Dat kan alleen maar zo in Nederland geschreven zijn. De schrijver, die zelf deel uitmaakte van de ene gereformeerde kerk, doelde daarmee op de vele diverse groepen van dopersen of mennisten, zoals ze genoemd werden, die de Nederlanden rijk waren.
De doopsgezinden in Nederland, die een kleine tak vormden aan de boom der Reformatie, vielen ondanks hun summier getal uiteen in vele rivaliserende gemeenten, die elkaar het bestaansrecht betwistten. Dat was alles te danken aan één van de belangrijkste idealen van de dopersen: de gemeente van Christus zonder vlek en rimpel. Het geloof dat de gemeente van ware wedergeborenen in deze wereld al zuiver kon worden gehouden bracht een dermate rigide tuchtpraktijk met zich mee dat de doopsgezinden uiteenvielen in vele kleine groepen die de volkomen zuiverheid alleen voor zichzelf opeisten. Wie van de ene naar de andere gemeente overging moest vaak zelfs opnieuw gedoopt worden! Om ze te onderscheiden werden de 'zuivere gemeenten van Christus' naar triviale namen bijv. van etnische afkomst (Hoog-Duitsers, Vlamingen of Friezen), voorgangers (Janjacobsgezinden, Ukewallisten) of zelfs het gebouw van hun vergadering (Lamisten en Zonisten) onderscheiden. De dopersen waren zo in de ban van de ban, dat het tot absurde consequenties leidde. Er is het verhaal van een grootvader, die zijn kleindochter op bezoek kreeg en haar vriendelijk een stukje appel gaf. Het gevolg was dat hij buiten de gemeente werd gezet. Het lieve kind was immers de dochter van zijn zoon die even tevoren eveneens om een futiele reden was uitgebannen. Er mocht immers geen enkel contact meer zijn met diegenen die gebannen waren. Deze praktijken worden heden ten dage nog gevonden bij de Amish in Noord-Amerika, die ook van doperse komaf zijn. En dichter bij huis, doet het ons denken aan extreme sekten, die elk sociaal contact verbreken met hun familieleden die zich niet bij hen willen voegen.
Nieuwe geschiedschrijving
Het ideaal van de 'ware gemeente' blijkt in de praktijk dus de werkelijkheid van de repeterende breuk te zijn. Dat laat de geschiedenis van de dopersen in de Nederlanden duidelijk zien, zoals die door de (onlangs onverwacht overleden) historicus S. Zijlstra opnieuw te boek is gesteld. Zijn boek is direct na verschijning direct al een 'standaardwerk' te noemen. Het is niet de eerste keer dat de historie van de doopsgezinden is beschreven. Toch is zijn nieuwe overzichtswerk absoluut geen overbodige luxe. Met grote accuratesse in het onderzoek van de bronnen, en met kritische verwerking van de gegevens van zijn voorgangers heeft hij de 'Geschiedenis van de dopersen in de Nederlanden van 1531 tot 1675' te boek gesteld. De positie die hij in zijn onderzoek kiest is een vruchtbare. Met H. A. Oberman, een grote autoriteit in de geschiedenis van de Reformatie die ook helaas onlangs overleed, pleit hij voor de relevantie van de historische erkenning van het religieuze karakter van de Reformatie, tegenover het front van die historici die de Reformatie alleen als sociale beweging wensen te zien. De seculiere historici hebben zich terecht verzet tegen een al te dogmatische duiding van de kerkgeschiedenis, die geen recht doet aan de politieke en sociale factoren. Op hun beurt zijn zij weer zo doctrinair geworden dat ze elke relevantie van religieuze componenten verwaarlozen. Terecht stelt Zijlstra daartegenover: 'De daden der reformatoren kunnen niet zinvol beschreven worden zonder de ideeën van die hervormers te bestuderen'. Wie de denkbeelden van de reformatoren buiten beschouwing wil laten, zal ook geen goede kijk kunnen krijgen op de maatschappij van het verre verleden. Zijlstra is er goed in geslaagd om de dopersen in hun geschiedenis recht te doen, zowel naar hun positie in de samenleving, waarvan ze ondanks hun strenge mijding van de wereld, toch deel uitmaakten, als naar de innerlijke ontwikkeling van hun theologisch gedachtegoed en geestelijk leven.
In de wereld, niet van de wereld
Van de buitenkant bekeken waren de dopersen altijd wat verdacht. Uiteraard had dat te maken met het uitermate roerige begin van hun geschiedenis.
De later zo geweldloze nastrevers van een heilig leven werden nog immer in verband gebracht met diegenen die met alle geweld het Koninkrijk van God op aarde wilden realiseren. Een simpele verwijzing naar het rampzalige experiment van 'Munster', waar met veel bloedvergieten het aardse Jeruzalem had moeten verrijzen, was voor de tegenstanders tot in lengte van dagen voldoende om zich met een 'jantje-van-Leiden' van de dopersen af te maken. Ook toen ze zich in het spoor van Menno Simons allang bekeerd hadden tot absolute geweldloosheid, en een innerlijke heiligheid nastreefden, werden ze nog steeds als 'staatsgevaarlijk' beschouwd. Toen de mennisten na 1580 in de Nederlanden door de gereformeerde meerderheid werden gedoogd, bleef men aanstoot nemen aan de buitenkant van hun identiteit: geen wapens gebruiken, geen eed zweren en geen overheidsambt bekleden. Overigens bleek dat de dopersen in de voortgang van hun geschiedenis wel degelijk deel konden nemen aan het economische leven.
Hun mijding ging niet zover dat ze zich op alle terreinen des levens afzonderden. Integendeel, velen gingen op den duur behoren tot de maatschappelijke elite. Sommige dopersen behoorden tot de meest vooruitstrevende handelaren van de VOC!
De geestelijke identiteit van de dopersen was, ongeacht de grote diversiteit, te vinden in de grote nadruk op de doorleefde wedergeboorte en de daarop volgende heiliging. In hun eigen christologie trachtten ze de Zoon van God heilig en vrij te houden van een werkelijk ingaan in het menselijke vlees. Een ascetische vroomheid en een ethisch rigorisme kenmerkten het doperse leven. Vanwege hun antiklerikalisme, hun afkeer van kerkelijke autoriteit, kwam men ook in conflict met kerkelijke overheden. De doperse leer was ook heel divers, aan de ene kant was er een sterk biblicisme gepaard gaande met spiritualisme, waarbij tegelijk ook een openheid was naar liberale geloofsvisies. Toch speelden bij de dopersen, meer dan in het verleden wel eens gedacht is, ook confessies een grote rol. Het is de verdienste dat Zijlstra dat met de stukken aantoont. Vooral in de zeventiende eeuw, toen er diverse keren is getracht om de grote verdeeldheid van doperse gemeenten weer tot eenheid te brengen, was de functie van belijdenissen van groot belang. De 'oude gronden' waarop men elkaar mocht aanspreken werden in belijdenissen vastgelegd, die men als 'geestelijke visitekaartjes' met elkaar uitwisselde bij de pogingen om 'samen op weg' te gaan.
Kritische herbezinning
In zijn conclusie laat Zijlstra zien hoe zijn studie ook een kritische herbezinning is op de tot nog toe heersende visie op de oorsprong en het karakter van de doperse beweging in de Nederlanden. Hij is vrij resoluut in zijn afwijzing van de opvatting dat de wortels van het doperdom te zoeken zouden zijn in de Moderne Devotie en de middeleeuwse vroomheidsbeweging.
Hij stelt dat die invloed bij nader onderzoek 'nihil' bleek te zijn. Zijlstra kan zich helemaal vinden in de stelling van Augustijn dat de doperse stroming een beweging 'sui generis' is, van een geheel eigen karakter. Er wordt ook duidelijk afgerekend met de opvatting van Kühler, die alle dopersen heeft gemeten aan de maatlat van een minderheidsgroep, de zogenaamde 'Waterlanders', omdat die het meest open stonden voor nieuwe ideeën. Ze vormden maar 20% van de dopersen, maar even rustig wordt er nog steeds in publicaties gezegd dat ze meerderheid waren. Andere groeperingen, die verreweg de meerderheid vormden, werden zo doende schromelijk onderschat, hun opvattingen werden geridiculiseerd. Dat is geheel ten onrechte, vindt Zijlstra. Kennelijk hadden Kühler en de zijnen dit liberale doperbeeld te zeer lief dan dat ze de feiten lieten spreken. Ook het getal van de dopersen moet op grond van de bronnen worden bijgesteld. Velen hebben tot op heden kritiekloos het getal van 120.000 overgenomen, terwijl het in werkelijkheid niet meer dan de helft zal zijn geweest, volgens de bekende bronnen.
De dopersen komen in het handboek van Zijlstra historisch meer tot hun recht dan voorheen. Ze blijken ook rechtzinniger te zijn geweest, dan veelal wordt gedacht. Het is de grote verdienste van Zijlstra, dat hij dat zo goed gefundeerd aan het licht heeft gebracht. Het verdrietige is dat hij door zijn plotselinge overlijden in de kracht van het leven niet verder meer tot het onderzoek bij zal kunnen dragen. Hopelijk zal zijn boek anderen stimuleren om de desiderata die hij heeft geformuleerd ter harte te nemen. Een nader onderzoek naar de rol van het spiritualisme ïn de doperse beweging, als ook de maatschappelijke positie van de dopersen, en de bewaring van de doperse identiteit vragen om een vervolg. We sluiten aan bij de laatste zin van het boek 'in de hoop, dat deze desiderata geen vrome wensen blijven'.
De vervulling van deze wensen moge een postuum eerbetoon zijn aan deze belangrijke historicus van de doperse beweging.
M. A. VAN DEN BERG
N.a.v. Om de ware gemeente en de oude gronden. Geschiedenis van de dopersen in de Nederlanden 1531-1675 door S. Zijlstra, Hilversum, 2000, 544 pag, € 29, 95.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 januari 2002
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 januari 2002
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's