In de voortgang van het kerkelijke leven
EEN TERUGBLIK
Toen de dag van mijn afscheid was aangebroken, was sterk bij mij het woord van Jozua: 'Maar aangaande mij, en mijn huis, wij zullen de Heere dienen' (Jozua 24: 15 b). Zulk een invallend Schriftwoord noopt dan wel tot lezing van de tekst in haar verband.
Jozua 24
Jozua spreekt een afscheidswoord en plaatst daarin zichzelf en zijn gezin in het bredere verband van Gods Historie met Zijn volk, in het kader van de verbondsgeschiedenis. Jozua wijst het volk erop waar het ooit vandaan kwam: Van de andere kant van de rivier, waar vreemde goden werden gediend.
Hij wijst op de uittocht uit Egypte en op de doortocht door de woestijn onder leiding van Mozes en Aaron. Hij wijst op de uitreddingen. En, staande op de plaats waar hij zich nu bevindt - Sichem, vlak bij Silo - herinnert hij aan Abraham, die daar in Kanaan aankwam en Gods beloften ontving en met wie God vervolgens Zijn verbond sloot.
Daar, vlakbij Sichem, werd al eerder het verbond vernieuwd en werd een altaar opgericht (Jozua 8: 30). En daar wordt nu opnieuw het verbond vernieuwd; nodig omdat het volk zich alweer aan vreemde goden had verslingerd.
Kiest u maar, zegt Jozua. 'Kiest u heden, wie gij dienen zult: de goden van weleer, aan de andere kant van de rivier, of de God van Abraham, Izak en Jacob, de God van de uittocht, uw God. Ik heb mijn keus gemaakt: 'Aangaande mij en mijn huis...' En het volk zegt als in een refrein: 'wij zullen de Heere dienen'.
Jozua schreef het allemaal in het wetboek en richtte een gedenksteen op. Opnieuw werd zo verbondsgeschiedenis geschreven. Zo weet Jozua zich met zijn belijdenis aangaande zichzelf en zijn gezin opgenomen in de gang van de God van Israël met Zijn volk: vanuit een land van ballingschap naar een land van belofte, met daartussen de woestijntocht, met alle moeiten en ontberingen vandien, maar nochtans onder Gods hoede.
***
Zo mocht ik me als een klein schakeltje opgenomen weten in de geschiedenis, die de God van Israël schrijft de eeuwen door. Een geschiedenis van enkelingen, kerken en volkeren. Een geschiedenis, die geschreven kan worden dank zij de Middelaar van het Verbond. Matthew Henry schrijft bij het slot van Jozua 24: 'Wat is het goed voor de Evangeliekerk dat Christus, onze Jozua, nog met ons is door Zijn Geest en met ons zal zijn tot de voleinding der wereld.'
Verbond
Dezer dagen is nogal eens aandacht gegeven aan het feit, dat de negentiende eeuwse theoloog dr. Ph. J. Hoedemaker veel voor mij heeft betekend. Dat is ook zo. De achtergrond daarvan mag echter duidelijk zijn.
In mijn studententijd nam ik breed kennis van drie theologen uit het verleden, die mijn verdere leven met mij meegingen. Van de grote Reformator Calvijn doorploegde ik de Institutie, van de Nadere Reformator Wilhelmus à Brakel diens Redelijke godsdienst en successievelijk leerde ik het hele werk van Hoedemaker kennen in diens kerkelijk geding rondom de Doleantie met Abraham Kuyper.
De Gereformeerde Bond had in de beginfase ongetwijfeld verwantschap met Kuyper, met name in de politiek. Nochtans volgde men zijn kerkelijke gang niet. Bij de bestudering van de geschriften van Hoedemaker werden voor mij de lijnen helder en werden zijn gedachten mij eigen om vanuit het gereformeerd belijden te streven naar een belijdende Hervormde Kerk, zijnde een planting Gods in de geschiedenis ofwel de vaderlandse kerk, in de traditie van de Reformatie. Daarvoor was nodig vernieuwing van het verbond. Die overtuiging gaf hem een bevindelijke toon van verootmoediging en schuldbesef. Daarbij was ook zijn theocratische visie van grote betekenis. Het ging om kerk en volk. Het volk staat vanwege de wording van de kerk in dit land ook in de lichtkring van het verbond.
Zo zijn er in de geschiedenis van kerk en volk in dit land de opgerichte tekenen. Bij Jozua waren er het altaar en de gedenksteen. Zo zijn die er ook in de Historie van onze natie.
***
Kuypers Doleantiestreven was of werd mij 'vreemd'. Het beroep op het verbond, waarin sprake is van 'trouwe' en ontrouwe kinderen maar waarbinnen Gods trouw de vaste bestaansgrond vormt voor de, hoewel zieke, kerk, heeft me inderdaad gestempeld. Dat gedachtegoed kreeg voor mij echter een onopgeefbare plek binnen de hervormd gereformeerde traditie. Daarin speelde mee het bevindelijke, in de zin van het 'voorwerpelijk-onderwerpelijke' element in de prediking. In mijn studententijd werd ik daarin mede gestempeld door geschriften van hervormd gereformeerde theologen maar met name ook onder de prediking, waardoor al vroeg de keuze in mijn hart werd gelegd. Ik noem hier geen namen. Dan zou ik velen tekort doen. Met één uitzondering: de door mij vaker genoemde ds. R. Bartlema in zijn Ridderkerkse tijd. Hij was een bekwaam en voornaam theoloog en prediker. Zijn catechismusprediking maakte een onuitwisbare indruk. Onvergetelijk was zijn prediking over de zondag aangaande de kerk (zondag 21). De twee-eenheid van verbond en belijdenis als schering en inslag voor de kerk straalde daarin door.
Zo werd ik meegenomen door 'de grote mannen' uit die tijd. Het verbond had diepe betekenis, voor het persoonlijke geestelijke leven en voor de kerk.
Hoop
Ik kan dit wat de kerk betreft het beste typeren met het woord hoop, al was het vaak op-hoop-tegen-hoop. Het hervormd gereformeerde voorgeslacht wist zich in de strijd om de Waarheid binnen de Hervormde Kerk telkens teruggeworpen op 'Schrift en belijdenis'. Altijd weer kwam de belijdeniskwestie aan de orde. Die leek soms te domineren. Dat bracht de kerkelijke situatie met zich mee. Maar telkens weer, wanneer nederlagen werden geleden en de kerk wel 'in gemeenschap' met de belijdenis wilde gaan maar intussen van de inhoud van die belijdenis afweek, wisten ze zich teruggeworpen op de trouw van God in het verbond, menselijke ontrouw ten spijt. Hun hoop en vertrouwen was op de God van de geslachten, de God van het Verbond.
Ik prijs mij gelukkig, dat ik, toen ik jong aantrad in de kring van de Gereformeerde Bond en daarin mijn plaats kreeg als redacteur van de Waarheidsvriend en als algemeen secretaris van het hoofdbestuur, ik een oudere generatie van heel nabij leerde kennen, die zich hartstochtelijk verknocht wist aan de vervallen kerk der vaderen en even hartstochtelijk daarin de weg wilden gaan van het gereformeerd belijden. In dat spoor heb ik willen verder gaan, in nauw rapport met nieuwe ontwikkelingen, die zich voordeden. Daarbij kon en kan het niet louter gaan om repeteren wat eerder is gezegd. Nochtans bleef de diepe overtuiging, dat Gods trouw vooraf gaat aan en uitstijgt boven onze ontrouw. Zo bezien was en is de situatie in de kerk van mensen uit bezien wel hopeloos maar ten diepste, van Boven bezien niet ernstig. Verkiezing en verbond zijn, in hun onderlinge samenhang, ook vandaag naar mijn overtuiging de dragende grond voor de kerk. Er is hoop.
Ontwikkelingen
Het is ondoenlijk om de ontwikkelingen in de voorbije dertig jaar gedetailleerd te beschrijven. Er was een periode van opbloei en aantrekkingskracht van de hervormd gereformeerde beweging. De Hervormde Kerk op zich oefende aantrekkingskracht uit op mensen in andere kerken, die de waarde van het verbond, in Gods gang in de geschiedenis, in het oog kregen.
We zagen echter hoe de tand des tijds, dat wil zeggen de secularisatie, gevoed door mondigheid, vrijheidsdrang en individualisme, de kerk deed afkalven. Toen we nog in Rotterdam woonden en we daar de Hervormde Kerk in haar volle breedte leerden kennen, wat ons mede bewaarde voor groepsdenken, waren kerken er nog vol. Wat op de duur overbleef waren restgemeenten (nochtans gedragen door Gods trouw). Ook de hervormd gereformeerde sector in de kerk bleef niet buiten de neergang van de kerk. Ze maakt deel uit van haar nood en schuld. Voor de hele kerk, zoals ook voor andere kerken, geldt de titel van het boek van Geert Mak De eeuw van mijn vader. De vraag dient zich nu breed aan hoe de eeuw van 'mijn kinderen' zal zijn, met name ook wat de kerk betreft.
* * *
Onze natie raakte los van haar historische wortels, wat tot uitdrukking kwam in een los-van-het-Woordbeweging, met alle consequenties in ethisch opzicht en in wetgeving vandien. Dat had ook ingrijpende invloed op de kerk(en). De Hervormde Kerk, in 1951 zo 'apostolair' begonnen, was niet of nauwelijks meer bij machte een bevrijdend en profetisch woord te spreken. De kerk verslond bovendien zichzelf in een Samen op Weg-proces, dat nieuwe breuken tevoorschijn riep, terwijl het kerkelijke vernieuwing en opleving moest betekenen. Ook dat raakte de hervormd gereformeerde beweging diep.
Kerkelijk besef
Velen ook zijn op den duur, bij gebrek aan historisch besef, het zicht op de kerk als instituut kwijt geraakt. Nog steeds oefent de Hervormde Kerk aantrekkingskracht uit op gereformeerden uit andere kerken. Dat blijkt uit de kerkelijke jaarboeken. Nu echter meer vanwege de prediking in plaatselijke gemeenten dan vanwege de kerk als historische gestalte.
Daar komt bij dat de invloedssfeer uit andere kringen merkbaar werd. Zowel de evangelische beweging als de reformatorische zuil gingen knagen aan het (hervormd) kerkelijk besef. Congregationalistische tendensen (elk zijn of haar eigen gemeente), gepaard met hier en daar afscheidingsdenken namen toe. Daar, waar soms het luidst protest wordt aangetekend tegen het samengaan van de kerken, is de perforatie van gemeentegrenzen soms op grote schaal toegepast, hetgeen erop duidt dat ook het hervormd zijn soms minder wordt gepraktiseerd dan beleden en kerkelijk besef onder spanning kwam te staan.
Nochtans
Aan het einde van mijn directe dienst binnen de kerk dringt zich de vraag op hoe we vandaag het erfgoed van de hervormd gereformeerde vaderen inbrengen zullen in de huidige kerkelijke situatie, met zicht op het volk buiten de kerk. Ik ben gelukkig met de titel van het boek dat mij is aangeboden. Als de droom van de dromer maar op de rechte wijze wordt geïnterpreteerd.
Ik droom(de) van een kerk, die jaarlijks in Dordt in de prachtige, historische Grote Kerk, waaraan ik zoveel dierbare herinneringen heb, bijeenkomt: vanwege het belijden, dat daar ooit gestalte kreeg. Ik droom(de) van een kerk, die één keer per jaar bijeen komt in de Haagse Kloosterkerk, dicht bij de regering en het parlement, in de hoop dat de kerk dan een uitstraling hebben mag, die zijn uitwerking op de politiek niet mist.
Ik droom(de) van een kerk, die eenmaal per jaar in de (mij eveneens dierbare) Amsterdamse Noorderkerk bijeenkomt, met de deuren open naar het volk.
Zo'n droom is niet afhankelijk van getalssterkte, van meerderheid- of minderheidsposities.
Ik ben daarbij aangesproken door enkele vragen, die ds. H. Visser in de mij aangeboden bundel stelt. Hebben we echt de consequenties van het staan op de vaste grond van het verbond doorgetrokken naar de situatie van nu, zonder daarbij in te leveren op de belijdenis en haar religie? De tijd zal het leren.
Hoop
Nu ik de loop gelopen heb, althans wat mijn directe verantwoordelijkheid betreft, heb ik het geloof en de hoop behouden. Vanwege Christus, die met Zijn gemeente in de door God geschreven geschiedenis meetrekt door Woord en Geest. Ik kan niet anders zeggen dan dat men dienende in de kerk, hoe vervallen ook, zelf wordt gezegend.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 januari 2002
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 januari 2002
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's