Opdat zij allen één zijn
Voorstel voor een Unie van Samen op Weg-kerken
Aangeboden door de hoofdbesturen van de Confessionele Vereniging in de Nederlandse Hervormde Kerk en de Gereformeerde Bond in de Nederlandse Hervormde Kerk.
1. Aanleiding
Van verschillende zijden wordt in de drie Samen op Weg-kerken (hierna: SoWkerken) gepleit voor een federatief verband tussen de drie deelnemende kerken. Ook de beide hoofdbesturen, die het onderhavige voorstel nu aan de kerk aanbieden, hebben meer dan eens in woord en geschrift voorgesteld te komen tot wat werd aangeduid als een unie of federatie van de drie SoW-kerken. In dit voorstel spreken we over een unie. Wij menen dat het draagvlak voor deze optie de laatste jaren sterk is gegroeid. Steeds breder gaat men inzien dat het huidige SoW-proces niet leidt tot een werkelijk geestelijke eenheid. In elk van de drie kerken treden spanningen op, die soms leiden tot vervreemding en, in het geval van de Nederlandse Hervormde Kerk, tot zodanige gewetensnood dat het doorgaan op de weg naar volledige eenwording van de drie kerken zal leiden tot een scheuring.
Het is hier niet de plaats om uitvoerig in te gaan op alle zaken, die de gemoederen in de kerken beroeren. We constateren slechts dat de noodzaak van herbezinning op de gang van het SoW-proces in toenemende mate wordt voorgestaan en dat in dat verband wordt gepleit voor een unie. Een unie is inderdaad zeer goed te verwerkelijken. Zolang er geen besluit tot vereniging ligt, is er ook niets dat een serieuze bespreking van deze mogelijkheid in de weg zou staan. In ambtelijke vergaderingen is tot nu toe echter nooit een uitgewerkt voorstel voor een unie aan de orde geweest. Daarom willen we de kerken dienen met een concreet voorstel, waarin we willen laten zien, dat een unie van SoW-kerken wel degelijk mogelijk is, en hoe zo'n unie er in de praktijk uit kan zien.
Boven dit voorstel staan de bekende woorden uit het Hogepriesterlijk gebed: 'Opdat zij allen één zijn'. Deze woorden, die door de Heere Jezus zijn gebeden, worden vaak aangehaald als het gaat over de eenwording van kerken. De nadruk wordt dan gelegd op het woordje 'één'. We onderschrijven van harte dit beroep op de Schrift als het gaat om de bijbelse roeping om de eenheid in kerk en gemeente te zoeken en te bewaren. Maar daarbij vragen we wel aandacht voor een ander woord in dit gebed, het woord 'allen'. Een eenwordingsproces van kerken dat niet door allen kan worden meegemaakt, dient als mislukt te worden beschouwd. We zijn er dankbaar voor dat op beslissende momenten in het SoW-proces is gebleken, dat breed in de kerk het besef leeft dat SoW niet mag leiden tot een nieuwe scheuring. Daarop baseren we de hoop dat een voorstel dat een concreet alternatief aanreikt in de SoW-kerken brede steun zal ontvangen.
We doen een dringend beroep op de generale synoden om het gesprek over een Unie van SoW-kerken niet alleen voluit een kans te geven, maar ook te stimuleren. Ons staat voor ogen dat dit voorstel in de kerkenraden en classicale vergaderingen in bespreking komt en dat vandaaruit aan de synoden zal worden doorgegeven hoe dit voorstel op het grondvlak van de kerk wordt ontvangen.
2. Waarom een unie?
Het meest kenmerkende verschil tussen de beoogde vereniging en een unie is, dat bij vereniging de drie afzonderlijke kerken opgaan in één nieuwe (verenigde) kerk met een geheel nieuwe kerkorde, terwijl bij een unie de drie afzonderlijke kerken op alle niveaus tot vergaande samenwerking kunnen overgaan zonder dat ze ophouden te bestaan. De drie afzonderlijke kerkorden blijven van kracht, met dien verstande dat de kerkordelijke regels voor de samenwerking van kerken voor de drie SoW-kerken gezamenlijk gelden en dus voor alle drie gelijk zijn. Dat is wat nu ook gebeurt middels de Tussenorde, die in ons voorstel wordt uitgebouwd tot een Uniestatuut. Groot voordeel van het uniemodel is, dat het veel meer recht doet aan de feitelijke gang van het SoW-proces en veel vloeiender aansluit bij de huidige stand van zaken. Bij vereniging wordt een geheel nieuwe belijdende kerkorde middels een (meerderheids)besluit in één keer van kracht voor alle gemeenten. Zoals het er nu uitziet zal een deel van de gemeenten en leden van de kerk die stap niet kunnen maken.
Het vorenstaande betekent voor ons niet dat met de bezinning op een belijdende kerkorde voor een verenigde kerk moet worden gestopt. De keuze die hiervoor is gemaakt onderschrijven we van harte. In het streven naar kerkelijke eenheid mogen we niet met minder dan werkelijke en volledige eenheid in een belijdende kerk genoegen nemen. Maar we constateren dat de verschillen die openbaar komen te diep ingrijpen om nu tot deze eenheid te komen. Dat blijkt niet alleen uit de gewetensnood die sommigen bij de huidige voorstellen hebben, maar ook uit het feit dat de huidige concept-kerkorde in veel gevallen niet verder komt dan het vastleggen van en ruimte geven aan de grote verschillen in kerk-zijn. Daarom is voor de bezinning op een werkelijk samenhangend geheel van kerkordelijke bepalingen meer tijd nodig dan de korte termijn van nog enkele jaren die wordt beoogd voor de afronding van het huidige kerkordetraject.
In ons voorstel voor een unie bouwen we voort op wat tot nu toe feitelijk is bereikt en ook voor heel de kerk aanvaardbaar is gebleken. Daarom achten we het mogelijk dat een unie op korte termijn te realiseren is. We hebben de stellige verwachting dat daarmee een beter klimaat wordt gecreëerd voor de voortgaande bezinning, zonodig herbezinning, op de nieuwe kerkorde voor een toekomstige verenigde kerk. Deze bezinning hoeft dan niet langer te staan onder de druk van geforceerde besluitvorming op korte termijn. Er kan meer tijd worden genomen voor het gesprek over de zaken die de kerken nu verdelen en vaak leiden tot polarisatie.
3. Unie of vereniging: dezelfde knelpunten
Als argument tegen het uniemodel wordt regelmatig aangevoerd, dat het, nu het niet gaat om eenwording als zodanig, daarbinnen voor gefedereerde gemeenten niet mogelijk is te komen tot volledige eenwording. Pas als de kerken in hun geheel verenigd zijn, kan er ook op plaatselijk vlak verenigd worden. Daarmee wordt echter ten onrechte de indruk gewekt, dat er bij een unie onoplosbare knelpunten zijn die er bij vereniging niet zijn. Dit is onjuist. In beide gevallen zijn er diep insnijdende problemen waarvoor geen soepele oplossing kan worden gevonden. Ook in geval van vereniging moet er in de concept-kerkorde rekening worden gehouden met het feit dat slechts een deel van de gemeenten en kerken tot vereniging zal overgaan. Naast de verenigde gemeenten blijven er hervormde gemeenten, gereformeerde kerken en evangelisch-lutherse gemeenten bestaan. Verder is er ook dan het probleem van de wijkgemeenten waarvan sommige wel en andere niet willen verenigen.
Zowel bij een unie als bij vereniging zijn de knelpunten gegeven met de feitelijke stand van zaken in het SoW-proces. Die stand van zaken is, dat er enerzijds op het landelijke niveau sprake is van een volledig vervlochten arbeidsorganisatie, terwijl anderzijds op het plaatselijke niveau in de grote meerderheid van de gevallen niet of nauwelijks sprake is van vormen van samenwerking. Het is zelfs zo dat in verschillende gemeenten de samenwerking is beperkt of beëindigd. Tussen die uitersten bewegen de meerdere vergaderingen op regionaal en landelijk niveau zich met meer of minder vergaande vormen van interkerkelijke samenwerking.
In de praktische uitwerking stuiten we daarom bij een unie niet op grotere problemen dan bij een vereniging. Een verenigde kerk moet oplossingen vinden voor de problemen die gevolg zijn van het feit dat plaatselijk in de meeste gevallen (nog) niet tot vereniging wordt overgegaan. Bij een unie van kerken moeten oplossingen worden gevonden voor het feit dat een aantal gemeenten de mogelijkheid tot verdere eenwording wel wil krijgen en voor het feit dat de arbeidsorganisatie reeds helemaal is samengevoegd.
In dit voorstel proberen we te laten zien, hoe bij een unie verdergaande eenwording van gemeenten mogelijk is en hoe kan worden omgegaan met het gegeven van de samengevoegde arbeidsorganisatie. De aangedragen oplossingen kunnen worden verwerkt in een uitbreiding van de huidige Tussenorde, die dan het statuut zal vormen van de Unie van SoW-kerken.
4. Geünieerde gemeenten
De Tussenorde biedt plaatselijke gemeenten en kerken reeds verschillende mogelijkheden van samenwerking, waarvan de brede interkerkelijke samenwerking (federatie) de meest vergaande is. Bij de keuze voor een unie, waarbij dus nog geen sprake is van volledige vereniging, kan onzes inziens aan gemeenten die dat willen, de mogelijkheid worden geboden om al tot eenwording te komen.
Op dit moment is het zo dat veel gefedereerde gemeenten in de praktijk al functioneren alsof ze helemaal één zijn, onder leiding van een gemeenschappelijke kerkenraad. In de beleving vormt men reeds één gemeente. Maar juridisch is er nog steeds sprake van afzonderlijke gemeenten die met elkaar samenwerken. Formeel zijn er ledenregisters van de afzonderlijke gemeenten blijven bestaan evenals afzonderlijke kerkenraden en zijn de stoffelijke aangelegenheden nog steeds die van meerdere gemeenten. Ook is de ene gefedereerde gemeente in financieel opzicht gebonden aan twee (of drie) landelijke verbanden. Zo moet er bijvoorbeeld, als er één predikant is die behoort tot de Gereformeerde Kerken, de gefedereerde gemeente toch een bijdrage als vacante gemeente voldoen aan de landelijke Hervormde Kerk (al is het bedrag ervan voor deze gemeenten wel wat lager). Dit alles wordt als onbevredigend ervaren.
Daarom stellen wij voor dat gemeenten, naast de reeds bestaande mogelijkheden tot samenwerking, de mogelijkheid krijgen om een unie aan te gaan, die als één gemeente functioneert. Een unie verschilt daarin van een federatie dat het niet langer nodig is dat binnen de geünieerde gemeente in het ledenregister en in de kerkenraad de hervormde, gereformeerde en/of lutherse 'bestanddelen' kunnen worden aangewezen. Ten aanzien van het beheer geldt, dat de geünieerde gemeente rechtspersoonlijkheid heeft. Zij wordt dus eigenaar van alle bezittingen. Deze voorzieningen zullen ertoe leiden dat het voortbestaan van de afzonderlijke gemeenten in de praktijk niet meer merkbaar zal zijn. Er dient slechts te worden voorzien in een regeling voor het geval de geünieerde gemeente zich weer wil ontbinden.
We zijn ons ervan bewust dat het bovenstaande verder moet worden uitgewerkt. Allerlei vragen naar praktische consequenties, bijvoorbeeld ten aanzien van de registratie van personen die van een geünieerde gemeente overgaan naar een niet-geünieerde gemeente, zijn ook bij ons opgekomen en in alle gevallen zien we mogelijkheden voor werkbare kerkordelijke oplossingen. Het voert binnen het bestek van dit voorstel te ver om alle détails uit te werken. Maar we zijn ervan overtuigd, dat als de kerk dit model met een positieve intentie en op een constructieve wijze een kans geeft, zij in de praktische uitwerking niet op onoplosbare problemen zal stuiten. Waar mogelijk kunnen hier regelingen worden getroffen die vergelijkbaar zijn met wat in de conceptkerkorde al in tweede lezing is of wordt vastgesteld.
Daarbij wijzen we er nogmaals op, dat ook in de concept-kerkorde voor de verenigde kerk voor allerlei praktische problemen oplossingen moesten worden gezocht. Dit geldt bijvoorbeeld voor de al genoemde ledenregistratie. Voor wat betreft de financiële bijdragen aan de landelijke verbanden, moet bedacht worden dat de arbeidsorganisatie ook in dit voorstel is samengevoegd. Hetzelfde geldt voor de traktements- en pensioenregelingen voor de predikanten. Er zal dus geen onderscheid in bijdragen meer gemaakt behoeven te worden. Iedere gemeente draagt bij volgens de regels die voor de hele Unie gelijk zijn.
5. De Uniesynode en de arbeidsorganisatie
'Op het landelijke niveau doet zich, overigens ook nu al, de situatie voor dat de arbeidsorganisatie veel verder is met de eenwording dan de ambtelijke vergadering onder wiens verantwoordelijkheid ze staat. De drie arbeidsorganisaties zijn vervlochten en treden op als één geheel. In de ambtelijke vergadering, de Triosynode, werken de synoden van de drie afzonderlijke kerken samen. Elk besluit van de Triosynode moet bekrachtigd worden door de afzonderlijke synoden en kan getroffen worden door een veto van een van de drie synoden. De keuze voor een unie heeft als consequentie dat deze situatie van samenwerking langer zal voortduren. Wij zijn van mening dat er dan moet worden voorzien in een ambtelijk orgaan, dat zodanige bevoegdheden heeft, dat het in tegenstelling tot de Triosynode zelfstandig besluiten kan nemen en voldoende slagvaardig en daadkrachtig is om de arbeidsorganisatie aan te sturen. Wij denken hierbij aan een afzonderlijke Uniesynode, waarvan de bevoegdheden geregeld worden in een (gezamenlijk) Statuut van de Unie van SoW-kerken. Naar dit Statuut wordt in de drie afzonderlijke kerkorden verwezen.
Het is met name op het punt van het leiding geven aan de arbeidsorganisatie dat een Uniesynode en haar moderamen een duidelijke bevoegdheid moeten hebben. In het Uniestatuut worden daarom vooral die zaken geregeld die te maken hebben met het landelijke niveau. Daarbij gaat het deels om rechtstreeks door het statuut aan de Uniesynode toegekende bevoegdheden en deels om taken die door de synoden van de afzonderlijke kerken worden gedelegeerd aan de Uniesynode. Ook deze laatste taken kunnen door de Uniesynode worden behartigd zonder voortdurende terugkoppeling naar de drie afzonderlijke synoden. In al deze gevallen hebben de drie synoden alleen de mogelijkheid zich over beleid en besluiten van de Uniesynode, als zij dat willen, achteraf uit te spreken zonder dat zij uiteraard als afzonderlijke synode dit beleid kunnen veranderen of de genomen besluiten ongedaan kunnen maken. Voor wat betreft rechtstreekse bevoegdheid denken wij met name aan de zaken die te maken hebben met de arbeidsorganisatie (inclusief het werkgeverschap), het algemene financiële beleid, de predikantstraktementen en de universitaire opleidingen. Dit zijn de zaken waarin de Uniesynode en het Uniemoderamen een duidelijke bevoegdheid moeten hebben om op deze terreinen met de nodige slagvaardigheid ambtelijk leiding te kunnen geven. Voor andere zaken kan de praktijk blijven zoals die is. Wat nu door de Triosynode gedaan wordt, zal dan door de Uniesynode worden gedaan. Dit betekent dat de Uniesynode met instemming van de drie afzonderlijke synoden zaken behartigt. Hierbij kan gedacht worden aan alle zaken van leer en leven, het spreken van de kerken tot staat en maatschappij, het vaststellen van het (andere dan het reeds genoemde) beleid op Unieniveau (met ondersteuning van de generale raden), het vaststellen van kerkordelijke bepalingen voor de Unie en het bevorderen van het gesprek over het belijden.
Ook op dit punt willen we volstaan met het aangeven van de hoofdlijn van wat ons voor ogen staat. We gaan dus niet in op de precieze toekenning van bevoegdheden aan de Uniesynode. Waar de wil is om de door ons voorgestelde algemene lijn over te nemen, zal ook een weg gevonden worden om een en ander in concrete en meer gedetailleerde regelingen uit te werken. We noemen hieronder enkele mogelijkheden, waarbij we vooraf stellen dat er ook andere oplossingen te bedenken zijn:
- om de continuïteit te waarborgen kan voor het Uniemoderamen gedacht worden aan benoeming voor een langere periode, bijvoorbeeld vier jaar, volgens een daarvoor op te stellen rooster van aftreden;
- in de zaken die de arbeidsorganisatie en de financiën aangaan kan de Uniesynode zich laten adviseren door een raad, die is samengesteld uit deskundige ambtsdragers van buiten de synode;
- verstrengeling van de ambtelijke vergadering en organen van bijstand enerzijds en de arbeidsorganisatie anderzijds moet zoveel mogelijk worden tegengegaan; daartoe moeten de verantwoordelijkheden duidelijk worden onderscheiden;
- de algemeen directeur is verantwoordelijk voor de uitvoering van het door de Uniesynode c.q. door het Uniemoderamen vastgestelde beleid met de daarvoor ter beschikking gestelde middelen op basis van de jaarlijks door de Uniesynode vast te stellen begroting; de algemeen directeur kan het Uniemoderamen adviseren;
- in het Uniestatuut kan worden opgenomen dat de Unie van SoW-kerken rechtspersoonlijkheid heeft (volgens art. 2 Boek 2 BW hebben behalve kerkgenootschappen en hun zelfstandige onderdelen ook 'lichamen waarin zij zijn verenigd' rechtspersoonlijkheid).
6. Meer dan consolidatie
Wanneer de SoW-kerken besluiten samen een unie te vormen, biedt dit niet alleen ruimte om zonder tijdsdruk de bezinning op de vormgeving van een belijdende verenigde kerk voort te zetten, het betekent ook een duidelijke keuze dat de kerken niet terug willen achter wat op dit moment op alle niveaus al aan samenwerking is gerealiseerd. We hebben getracht in dit voorstel niet alleen oog te hebben voor de gewetensnood van hen, die zich bij de huidige geforceerde besluitvorming door de kerk verlaten voelen, maar ook voor de wens van anderen, die juist op de door hen ingeslagen weg van eenwording een nieuwe stap willen kunnen zetten.
We hebben goede hoop dat op deze wijze de keuze voor een unie in grote eensgezindheid zal kunnen worden gemaakt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 januari 2002
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 januari 2002
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's