Globaal bekeken
In het boekje van prof. dr. W. Balke over Eduard Böhl (hoogleraar te Wenen en schoonzoon van dr. H. F. Kohlbrugge - uitgave Boekencentrum, Zoetermeer) geeft hij door wat Ed. Böhl in diens 'Blatter der Erinnerung' schrijft over de 'aanvechting' van Anna Böhl-Kohlbrugge op haar sterfbed
'Was zij toch de dochter van twee rechtvaardigen - en nu moest het haar zo vergaan? Zou zij werkelijk God niet meer zien in het land der levenden? Duisternis na duisternis legerde zich om haar bed; zij riep tot de Here in haar nood en als een kind wachtte zij op de hand van Boven, die licht zou brengen op het angstige roepen. En de Here bracht weer licht na diepe duisternissen. Maar wanneer Hij Zijn hand terugtrok, zo ging zij weer onder en zocht dan naar menselijke steunpunten. Zij had de Heilige Schrift niet als een zalfpot ter beschikking, waaruit zij naar believen verzachting voor alle wonden, die zich openen, kon halen, - zoals de christelijke wereldgelijkvormige vromen doen, die vingerdik de zalf aandragen, om alle echte menselijke roerselen te verstikken, of toch voor de ogen van de omstanders te bedekken, die zich in het vlees (van de zieken) willen beroemen (zie: Galaten 6:13). Geheel anders deed onze dierbare zieke het. Zij was met het innerlijke oog des Geestes, ondanks alle afdwalingen van het vlees, naar Boven gericht. En dan gaf zij zelf meestal de richting aan, waarheen onze woorden van troost zouden gaan. Alleen wat werkelijk uit de Heilige Geest geboren was, vond toegang tot haar ziel. Vaak stelde zij de troostwoorden van haar geliefden een zeer gewichtig teken als paal en perk, dat zij niets verder horen wilde. Wij, die zelf nog stevig op de oever van het leven stonden, konden haar die aan het verdrinken was, slechts heen en weer een woord toeroepen, dat zij volhouden moest tot de hulp zou komen. Veel dergelijke bemoedigingen paste zij toe op haar hoop voor een leven aan deze kant. Ja, het was haar onaangenaam, wanneer haar vader haar in deze verwachting niet kon versterken. Dan weer haalde zij diep op en greep het ankertouw, waarvan het anker ingaat in het binnenste van het voorhangsel. Dat gebeurde vooral gedurende de laatste drie dagen van haar uitdovend leven (zie Hebr. 6:19).'
Vader Kohlbrugge zei haar enkele dagen voor haar sterven de verzen op uit het gezang 'Ich habe mein Sach Gott heim gestellt'. P.S. Bij de aankondiging van het boekje in de W. van vorige week schreef ik, dat, bij de vermelding in het boekje dat de levensbeschrijving van Böhl voor een deel van de hand van dr. S. Gersen is, helaas de Waarheidsvriend niet als bron was vermeld. In een noot op pag. 120 wordt dit echter wél gedaan. (V.D.G).
In De Wachter Sions (Geref. Gem. in Nederland) schrijft H. F(lorijn) over 'Een sprekende ezel':
'Een van de bekendste leiders van de Schotse kerk in de zestiende eeuw en de zeventiende eeuw is Andrew Melville (1545-1622) geweest. Men zou hem de opvolger kunnen noemen van de grote Schotse hervormer John Knox. Melville heeft in zijn leven geijverd voor een zuivere verkondiging van het Woord van God, terwijl hij tegelijk ook een gereformeerde kerkelijke regering voorstond. Dat laatste deed hem in conflict komen met koning Jacobus VI, die vanaf 1603 ook koning van Engeland was geworden. Jacobus was een krachtig voorstander van een bisschoppelijke kerkregering, dit mede omdat zijn macht hiermee gebaat zou zijn. Hij was zelfs gewoon te zeggen: "No bishops, no king".
In Schotland vonden ze dit veel te veel lijken op het rooms-katholicisme, dat daar overwonnen was, en ook Melville verzette zich krachtig. Het hielp niet: tegen de macht van Jacobus en de zijnen konden ze niet op. De koning liet zijn ergste tegenstanders afzetten of in de gevangenis werpen. Onder hen was ook Melville. Van 1606 tot 1611 zat hij opgesloten in de Tower te Londen. Daarna werd hij vrijgelaten onder de voorwaarde dat hij het land zou verlaten. Melville is naar Frankrijk uitgeweken, waar hij in Sedan hoogleraar is geworden tot aan zijn dood.
In de Tower zat Melville geruime tijd opgesloten zonder middelen om te schrijven, maar volgens Voetius heeft hij toen een Latijnse spreuk met een spijker in het hout gegraveerd, een spreuk die eigenlijk tijdloos is, vandaar dat we haar hier weergeven. Dit schreef hij: "Waar er nu zo'n grote ongebondenheid of menigte van huurprofeten is, zoals Bileam, waarom spreekt er in de hele wereld niet een ezel?'
v.d.G.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 januari 2002
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 januari 2002
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's