Allerlei vertroosting in Zijn wonden (2)
OVER DE PLAATS EN DE PERSOON VAN DE MIDDELAAR
Ik voor u
Op belijdeniscatechisatie stonden we de afgelopen weken stil bij Christus' vernedering. Met het oog daarop behandelden we de catechismusvragen die daarop betrekking hebben en lazen we Jesaja 53. Ontroerend en vertroostend zoals Schrift en belijdenis ons bij de hand nemen en met ons de trappen van Christus' vernedering afdalen. Vanuit iedere tekst in Jesaja 53 en vanuit elk antwoord in de Zondagen 14-16 zegt Christus ons als het ware: 'Ik voor u, daar gij anders de eeuwige dood had moeten sterven'. Jesaja en de catechismus hebben het over onze overtredingen en onze ongerechtigheden, over ons dwalen en ons keren naar onze eigen weg, over de zonde waarin wij ontvangen en geboren zijn en de vervloeking die op ons lag, over Gods toorn tegen het hele menselijke geslacht en Zijn strenge oordeel dat over ons gaan zou. Wat een schuld! 'Mijn schuld, ' leert de Heilige Geest ons belijden, 'mijn persoonlijke schuld'.
Jesaja en de catechismus wijzen ons echter ook op de Knecht des Heeren, de Heere Jezus Christus. Waarlijk, Hij heeft onze krankheden op Zich genomen en onze smarten heeft Hij gedragen, om onze overtredingen is Hij verwond en om onze ongerechtigheden verbrijzeld. De zonde, waarin wij ontvangen en geboren zijn, bedekte Hij voor Gods aangezicht; mijn vervloeking laadde Hij op Zich; mijn verdoemenis nam Hij over met Zijn lijden; mijn helse benauwdheid en pijn doorstond Hij.
Begrijpelijk dat de bruid uit het Hooglied zong: 'Zulk Eén is mijn Liefste, zulk Eén is mijn Vriend!' En we kunnen er ook enigszins inkomen dat ooit een monnik op een onbewaakt ogenblik zich liet ontvallen: 'O felix culpa! O gelukkige schuld!' Want juist daaraan had Hij de Heere Jezus overgehouden, zijn Middelaar en Zaligmaker. Daarom is het dat wij in prediking en avondmaal oefenen de heerlijke gedachtenis van de bittere dood van Gods lieve Zoon Jezus Christus. Want vinden wij niet zo allerlei vertroosting in Zijn wonden?!
Persoonlijke schuld
We moeten het maar direct eerlijk zeggen: in de dissertatie die dr. Van Veluw op tafel heeft gelegd (De straf die ons de vrede aanbrengt), blijft helaas van deze vertroosting weinig over. Wie zou daardoor niet onthutst raken? In zijn visie hebben wij immers geen Heiland, Die onze persoonlijke schuld overneemt, maar 'slechts' (HJL) zakelijke schuld. Met het oog op de vergeving - zo citeerden we de vorige keer reeds dr. Van Veluw - 'heeft het kruis van Christus geen primaire functie (alleen dat het Gods vergevingsgezindheid toont)' (204). Hij gaat als volgt verder: 'Het kruis is in elk geval geen voorwaarde voor goddelijke vergeving' (cursivering van AHvV). Met andere woorden: God vergeeft zonder meer allen die bij Hem terugkomen, net zoals de vader van de verloren zoon.
Maar deze visie kan onmogelijk staande worden gehouden. Niét omdat er dan een kostbaar stuk piëtisme of
'Jezus-vroomheid' zou verdwijnen, maar omdat de Schrift één doorgaand getuigenis is dat er zonder bloedstorting geen persoonlijke vergeving is. Deze tekst uit Hebreeën 9 (vers 22) wordt door Van Veluw wel geciteerd, maar meteen in zijn systeem gepast en zo van zijn eigenlijke betekenis ontdaan. Echter, de context van deze verzen en trouwens van heel de Hebreeënbrief leert ons dat Christus het hemelse heiligdom is binnengegaan, 'voor ons' (vers 24, SV), 'ons ten goede' (NV). Hij is in ons tijdsgewricht geopenbaard om de zonde te niet te doen, door het offer van Zichzelf (vers 26). Dat alles is God zij dank gebeurd om mijn 'culpa', mijn persoonlijke schuld tegenover de Heilige weg te werken, te verzoenen. Christus' bloed reinigt mijn hart en wast mijn geweten. Kortom, Christus' bloed bewerkt dat God vanwege mijn persoonlijke schuld niet meer op mij toornen noch op mij schelden zal. Een uitvoerige exegese van de Hebreeënbrief zou dat aantonen.
Het punt
Ten diepste is hier het punt in geding dat gedurende heel de kerkgeschiedenis in geding was en nog altijd is: moet door Christus' bloed Gods toorn gestild worden of niet? Moet door Christus' volbrachte werk aan Gods gerechtigheid worden voldaan of niet? Zegt de Nederlandse Geloofsbelijdenis in artikel 21 wel of niet terecht: 'Wij geloven dat Jezus Christus een eeuwige Hogepriester is... en Zichzelf in onze naam voor Zijn Vader gesteld heeft, om Zijn toorn te stillen met volle genoegdoening, Zichzelf opofferende aan het hout des kruises en vergietende Zijn kostbaar bloed tot reiniging van onze zonden.'
En altijd weer kunnen mensen zich niet voorstellen dat God zó is; dat Hij zonder bloedstorting niet vergeven kan. Op die manier spreekt dr. Van Veluw zich ook uit: 'Wij kunnen ons niet voorstellen dat God, die zelf mensen oproept om onvoorwaardelijk te vergeven, dit zelf niet zou doen'. - Opmerkelijk trouwens hoe dikwijls hij de zinswending 'we kunnen ons (niet) voorstellen' in dit verband bezigt (181v.).
Anselmus kaartte deze problematiek in zijn geschrift Waarom God mens werd ook al aan. Hij deed dat in een hoofdstuk, getiteld: 'Of het God betaamt de zonde kwijt te schelden uit louter erbarmen, zonder enige betaling van schuld'. Boso, Anselmus' gesprekspartner, werpt op een gegeven moment tegen dat God ons opdraagt onze schuldenaren totaal te vergeven, terwijl Hij dat Zelf niet schijnt te doen. Is dat niet ongepast? zo vraagt Boso zich af. Anselmus geeft ten antwoord dat wij onvoorwaardelijk dienen te vergeven, omdat God de wraak toekomt. Juist daarom geldt voor Hém niet dat Hij onvoorwaardelijk zou moeten vergeven.
Niet alleen vrijzinnige maar ook veel orthodoxe theologie vertoont in dezen een 'Ritschliaanse' trek. De Duitse theoloog Ritschl (1822-1889) zei namelijk dat ons spreken over Gods toorn een misverstand is. Van Veluw (er)kent terdege de notie van Gods toorn, maar de bijbelse angel haalt hij er niettemin uit op het moment dat hij beweert dat met het oog op de vereffening van onze directe schuld tegenover God de komst van Christus niet per se nodig is geweest. Dat blijkt uit de zinsnede: 'Het kruis moet (...) niet in verband worden gebracht met het stillen van Gods toorn' (189; cursivering van AHvV). Hiertegenover wil ik het omgekeerde stellen, namelijk - ik gebruik de woorden van het avondmaalsformulier - dat de toorn van God over de zonde zo groot was dat Hij die (nog eerder dan die ongestraft te laten) aan Zijn lieve Zoon Jezus Christus met de bittere en smadelijke dood van het kruis gestraft heeft. Zo slechts werd Zijn toorn over mijn zonde en mijn persoonlijke schuld gestild.
Laat Van Veluw niet tegenwerpen dat ik hem niet goed begrepen heb of dat ik diverse vormen van schuld, straf etc. verwar. Ik meen juist goed te begrijpen welke onderscheidingen hij aanbrengt. Of liever: welke scheidingen. Hij legt uiteen (wat op zich een goed recht is in een proefschrift) én houdt vervolgens definitief uiteen wat ten zeerste verbonden is. Je zou bijna de woorden 'Wat God heeft samengevoegd, scheide de mens niet' hierop van toepassing verklaren.
Tegelijkertijd geldt: God Zelf geeft het bloed op het altaar (Lev. 17: 11). Het initiatief voor de verzoening ligt bij Hem. In Zijn grote liefde voor een wereld, verloren in schuld, zendt Hij Zijn eniggeboren Zoon. Het kruis openbaart dus zowel de toorn als de liefde Gods. Dit ineen-gestrengeld-zijn van toorn en liefde is voor ons verstand niet doorzichtig te maken. - We willen hierop de volgende keer uitvoeriger ingaan.
Meer onbalans
Juist vanwege de eenheid en de consistentie van dr. Van Veluws studie veroorzaakt zijn hoofdstelling (Christus stierf ten diepste slechts voor de slachtoffers) dat nog meer zaken uit balans raken.
Dat geldt de beide oudkerkelijke dogmata van de Drie-eenheid en van Christus' twee naturen. We lezen dat God Zichzelf een straf oplegt (186) en dat Hij Zich in Christus slachtoffer betoont (194). Hier wordt echter tekort gedaan aan de eigenheid van de drie Personen. Want de Vader is een Ander dan de Zoon, zoals de Zoon een Ander is dan de Vader en de Heilige Geest een Ander dan de Vader en de Zoon. Het is immers God de Vader Die verzoend moet worden. En het is God de Zoon Die lijdt. Wie zich eenmaal op het door Van Veluw betreden spoor bevindt, is ook niet meer in staat de plaats en de persoon van de Middelaar voluit tot hun recht te doen komen. Want God heeft niet Zichzelf tot zonde gemaakt, maar Zijn Zoon (2 Kor. 5: 21), in ónze plaats. Maar kan in Van Veluws conceptie de Middelaar nog Middelaar zijn? Dat is m.i. niet het geval, omdat Christus staat aan de kant van God en niét aan de kant van de mens. De auteur zal dit willen ontkennen en wijzen op het feit dat hij spreekt over de dood van God de Zoon ten behoeve van slachtoffers. Maar de theopaschitische (dat is: God lijdt aan het kruis) lijn in zijn studie spoort daar niet mee. Daarom doet zijn voetnoot waarin hij opmerkt zich ervan bewust te zijn dat hier grote christologische en trinitarische vragen liggen, die echter in het kader van zijn boek niet behandeld kunnen worden (196), te simpel aan. - We nemen aan dat dit alles niet de bedoeling is van Van Veluw, maar het is wel de consequentie van zijn standpunt.
Eenheid van de Schrift
Een ander punt van onbalans is de eenheid van de Schrift. Enerzijds neemt Van Veluw het op tegen Den Heyer, bij wie het erop lijkt dat hij vooral geïnteresseerd is in de manier, waarop nieuwtestamentische teksten elkaar tegenspreken. Terecht geeft Van Veluw aan dat de theologie tot taak heeft om de vele beelden en modellen van het gebeuren op Golgotha met elkaar te verbinden, zodat het verzoenend handelen van God in Christus beter verstaan kan worden (148). Daarom is het anderzijds bevreemdend in zijn proefschrift te lezen dat Johannes meer gericht is op 'verzoening door vergeving', terwijl Paulus zich richt op 'verzoening door voldoening' (206). Wordt er op deze manier tussen beide apostelen geen onterechte en overtrokken tegenstelling gecreëerd? Niet ontkend behoeft te worden dat er onderscheid is tussen Paulus en Johannes. Van Veluw verbindt daaraan echter consequenties, die wel zijn these staven, maar de eenheid van de Schrift teloor doen gaan. En onder andere in de eenheid van de Schrift ligt het geheim dat Christus de '(culpa)schuld overnemende Borg' is. Wordt Den Heyer, die door de voordeur eruit is gestuurd, door de achterdeur toch weer binnengehaald?
Afgevlakte Godsleer
Van Veluws these eist nog meer tol: een Godsbeeld, dat van wezenlijke trekken is ontdaan. Kan de God en Vader van onze Heere Jezus Christus nog wel voluit God zijn, als Zijn toorn niet gestild behoeft worden? In dit proefschrift wordt God tot een sympathieke God, Die tegenover slachtoffers berouw toont en boete doet (182), en Die 'boos en verdrietig' is als mensen zich bewust van Hem afkeren (192). Maar is dit nog wel de God van de Schrift, voor Wie ik wegzink en van Wie de Psalmen zingen dat Hij vreselijk is en geducht? Is dit nog wel de God, voor Wie ik enkel en alleen bestaan kan, als er zich in mijn leven een complete ommekeer, een wedergeboorte voltrekt? Het is dan ook niet verwonderlijk dat Van Veluw geen eeuwige straf voor ongelovigen kan en wil verdedigen, 'aangezien dit om morele redenen niet te verenigen is met het (bijbelse) belijden dat God goed is en voor zo'n leer de bijbelse gegevens daaromtrent ontoereikend zijn' (196). Hier gaat de auteur echter lijnrecht in tegen het klare getuigenis van de Schrift. Niet dat wij zo graag opkomen voor de (afschrikwekkende) werkelijkheid van de eeuwige verdoemenis. Een rechtgeaard prediker, een rechtgeaard christen gunt het heil aan iedereen. Meer nog: God Zelf wil dat alle mensen zalig worden en tot kennis der waarheid komen (1 Tim. 2: 4). Maar artikel 37 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis spreekt niet voor niets over het laatste oordeel. Guido de Brés wist zich geroepen te belijden dat er naast een eeuwig wel ook een eeuwig wee was.
Van Veluw mag hiertegen niet aanvoeren dat bovenstaande passage slechts één zin is uit zijn proefschrift, waarvan het hoofdthema de verzoeningsleer is en niet de eeuwige straf. Ik kan mij namelijk voorstellen dat hij deze regel niet zou hebben neergeschreven, maar dat - gezien het feit dat Van Veluw zijn puzzel zozeer wil oplossen dat er van de Deus absconditus (de verborgen God; een uitdrukking van Luther) amper iets overblijft - dan de vraag was geweest: wat doet Van Veluw met het eeuwig oordeel? Met andere woorden: de conceptie van deze dissertatie brengt met zich mee dat Van Veluw vraagtekens gaat plaatsen achter bijvoorbeeld de eeuwige straf voor ongelovigen. Het eeuwig oordeel is weg, omdat de ernst, de diepte en de verschrikking van Gods toorn weg is. Anselmus zou zeggen: 'Ge hebt nog niet overwogen van welk groot gewicht de zonde is'.
In het voorbijgaan
De vraag is tevens of het in een wetenschappelijk vertoog past om 'in het voorbijgaan' bepaalde kwesties aan de orde te stellen. Althans, op de manier waarop dr. Van Veluw dat doet. Naar mijn gevoelen gebeurt dat bij hem met een zekere naïeve opzettelijkheid. De eeuwige straf is er een voorbeeld van, evenals de bovenvermelde voetnoot over grote christologische en trinitarische vragen.
Het is ook in het voorbijgaan dat hij bepaalde theologen 'annexeert'. Over de totale linie heb ik dat niet kunnen natrekken, maar het viel me op bij wat hij te berde brengt over dr. G. van den Brink, die - zegt Van Veluw (205) - in een artikel over Anselmus diens verzoeningsleer wel noemt maar de vergeving niet. Deze constatering moet dan weer dienen tot bewijs dat verzoening-door-voldoening de zakelijke relatie tussen God en mens herstelt, waar de vergeving dat doet met de persoonlijke relatie. Liggen deze zaken voor Van den Brink niet ineengevlochten? Ik denk aan zijn uitspraak dat alleen de verzoening werkelijk soelaas biedt 'voor de afgrondelijke werkelijkheid van het kwaad. Hier is alleen hoop vanuit het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegdraagt.' (Theologia Reformata 43 (2000) 34) Volgens Van den Brink bewerkt Christus verzoening zowel voor mijn persoonlijke relatie met God als voor mijn zakelijke.
Deze handelwijze van Van Veluw ligt nog kritischer, wanneer hij Calvijn opvoert, die 'nooit een objectieve verzoeningsleer, geïnterpreteerd als een 'op verandering in God gerichte verzoeningsleer', heeft verdedigd' (175). Voor zover - zegt hij - er toch iets objectiefs in zit, verwijst deze term niet naar God, 'maar naar iets objectiefs in de wereld', namelijk Gods eer en orde in de schepping. Hier wordt echter geen recht gedaan aan Calvijn. Dat blijkt hopelijk uit mijn volgende artikel.
Graag positiever
Graag had ik een positievere bespreking van dit proefschrift gegeven. Maar dr. Van Veluw herinterpreteert de traditie der kerk op het punt van de verzoening zó ingrijpend dat dit helaas niet kan. We zien ons genoodzaakt in theologisch en geloofsmatig opzicht afstand van deze studie te nemen. We beseffen dat daardoor het betrekkelijke waarheidselement in zijn stelling dat God het opneemt voor de slachtoffers, ondergesneeuwd raakt. Eveneens daardoor moet de waardering voor het feit dat hij anno 2002 de verzoening in juridische termen wil doordenken, getemperd blijven. Dat is jammer. Want wie, die volop in het (post)moderne leven staat en dat ook door zichzelf heen voelt gieren, herkent zich niet in de tweeledige drijfveer van Van Veluws studie, namelijk om ten eerste een aantal begripsmatige, theologische puzzels op te lossen en ten tweede het hoofd te bieden aan puzzels vanuit het moderne levensgevoel aangaande verzoening door voldoening? Aan dat moderne levensgevoel is echter ook Van Veluw op een wijze tegemoet gekomen, die het 'skandalon', de ergernis uit het Evangelie weghaalt.
De volgende keer willen we Calvijns verzoeningsleer voor het voedicht halen. In dit artikel kwam namelijk vooral naar voren hoe het niet zit; terwijl het er bij de verzoening toch met name om gaat te bespreken, te belijden hoe het wél zit. Want slechts daardoor vinden wij allerlei vertroosting in Christus' wonden.
H. J. LAM, NIEUWERKERK AAN DEN IJSSEL
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 februari 2002
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 februari 2002
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's