De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Allerlei vertroosting  in Zijn wonden [3]

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Allerlei vertroosting in Zijn wonden [3]

CALVIJN OVER DE VERZOENING

8 minuten leestijd

Grootmeester
'God was in Christus de wereld met Zichzelf verzoenende.' Dit is een van de vele zinnen, die de apostel Paulus wijdt aan het geheimenis van de verzoening. Inderdaad, het geheimenis. Want als ik dit wonder vatten wil, staat mijn verstand van eerbied stil. Wie kan erover uit, wanneer Christus hem door Woord en sacrament betuigt: 'Ik voor u, daar gij anders de eeuwige dood had moeten sterven.'
Niettemin mogen we bij de 'grootmeesters' van de theologie aankloppen met de vraag of zij iets van het geheimenis voor ons kunnen vertolken. In dit derde artikel naar aanleiding van het proefschrift van dr. A. H. van Veluw (De straf die ons de vrede aanbrengt) willen we een ogenblik luisteren naar Calvijns vertolking van het mysterie van de verzoening. We slaan daarvoor de Institutie op. Dit artikel wil niet meer zijn dan een beknopte weergave van enkele paragrafen uit de hoofdstukken 12, 15 en 16 van boek 2. Daarin brengt Calvijn de verzoening ter sprake. Af en toe staat er een verklarende of parafraserende opmerking mijnerzijds tussen.

Christus werd mens om Middelaar te kunnen zijn
Onze Middelaar moet waarachtig God en waarachtig mens zijn. Dat 'moeten' is geen wetmatigheid, waaraan God onderworpen zou zijn, maar een hemels besluit, genomen door onze goedertieren Vader met het oog op onze zaligheid. Want onze ongerechtigheden staan als een donkere, dreigende wolk tussen God en ons, en hebben ons totaal vervreemd van het Koninkrijk der hemelen. Wie kan er nu tot God naderen om de vrede te herstellen? Adam of een van zijn nakomelingen? Zij allen huiveren ervoor God te aanschouwen. Een van de engelen? Ook zij zijn niet rechtstreeks met God verbonden. Wat dan? Is onze zaak niet hopeloos?
Nee, want de Majesteit Gods is tot ons neergedaald, omdat het ons onmogelijk was tot Hem op te klimmen. Daarom werd de Zoon Gods ons tot een Immanuël, dat is: God met ons. In Hem zijn Godheid en de menselijke natuur op hun innigst met elkaar verbonden. Dichterbij kon God niet komen en geen verwantschap was sterker.
Dat is uiterst hoopgevend! Want er gaapt een diepe kloof tussen onze vuilheid en de hoogste reinheid Gods. Stel dat de mens rein en vrij van alle smet was gebleven, dan was toch zijn staat te nederig geweest, om zonder Middelaar tot God door te dringen. Hoeveel temeer geldt dat, nu hij door zijn dodelijke val in dood en hel verzonken is?
Godzijdank, er is een Middelaar! Dat is - zoals Paulus Hem noemt - de Middelaar Gods en der mensen, de mens Jezus Christus.

Het priesterambt van de Middelaar
Het ambt, dat Christus in opdracht van Zijn Vader bekleedt, bestaat uit drie delen: Profeet, Koning en Priester. Wat Zijn priesterschap betreft: doel en nut daarvan is dat Hij Middelaar kan zijn. En wat voor een Middelaar! Een, Die vrij is van elke smet en door Zijn heiligheid God met ons verzoent.
Hoe noodzakelijk is dat. Want er rust een vloek op ons. Daardoor wordt ons de toegang tot God versperd. Bovendien, als Rechter is God vertoornd op ons. Nu wil Christus als Priester Gods gunst verwerven en Zijn toorn stillen. Daartoe moet Hij met Zijn zoenoffer tussenbeide komen.
Zo was het trouwens al bepaald in de wet van Mozes: het was de priester niet geoorloofd om zonder bloed het heiligdom binnen te treden. Want de gelovigen moesten beseffen dat - al was de priester de voorspraak van het volk - God pas gunstig gestemd kon worden, wanneer de zonden verzoend waren.
Daarover handelt de apostel uitvoerig in de Hebreeënbrief. Hij wil daarin vooral aantonen dat uiteindelijk alleen aan Christus de eer van het priesterschap toekomt, omdat Hij met het offer van Zijn dood onze schuld tenietgedaan en voor onze zonden voldaan heeft. Zo zien we dat we beginnen moeten bij de dood van Christus. Want daaraan hangt ons heil.
Nu is Hij onze eeuwige Voorbidder, door Wiens voorspraak wij genade ontvangen. Uit deze wetenschap ontstaat het vertrouwen om te bidden, alsook de rust voor vrome gewetens: ze kunnen veilig steunen op Gods vaderlijke goedertierenheid, in de vaste overtuiging dat Hem behaagt alles wat door de Middelaar geheiligd is.

Ontwarring van de knoop
Hier ligt wel een vraag. Want enerzijds belijden we dat God als Eerste in Zijn barmhartigheid naar ons toekomt; anderzijds zeggen we dat Hij onze vijand was, totdat Hij door Christus met ons verzoend is. Hoe zit dat? In Christus hebben we immers een bijzonder pand van Gods liefde. Dat kon Hij ons toch slechts dan geven, als Hij ons tevoren met onverdiende gunst omhelsde? Hier doet zich dus een schijn van tegenstrijdigheid voor, een knoop die ontward moet worden.
In deze knoop zijn de volgende draden te ontdekken. Ten eerste, we hebben hier te maken met de taal, die de Heilige Geest in de Schrift spreekt. God staat vijandig tegenover ons en wij zijn van Hem gescheiden, totdat wij door Christus' offerdood in genade aangenomen en met God verzoend zijn. Ten tweede, dit soort uitspraken is aangepast aan ons bevattingsvermogen. Daardoor gaan wij des te beter begrijpen hoe ellendig en rampzalig onze toestand buiten Christus is; met ronde woorden moet dat ons gezegd worden, opdat wij schrikken voor Gods toorn en voor de eeuwige dood. Maar zo ontdekken wij ook hoeveel wij te danken hebben aan Gods onverdiende barmhartigheid en vaderlijke liefde, die Hij ons in Christus bewijst. Ten derde, al spreekt de Schrift over Gods toorn met het oog op ons geringe bevattingsvermogen, toch is het niet zo dat Gods toorn slechts een menselijk begrip zou zijn. Integendeel, Gods toorn is een uiterst reëel iets. Want God is een en al Gerechtigheid en daarom kan Hij ons vanwege de ongerechtigheid, die Hij in ons ziet, niet beminnen, maar toornt Hij ten zeerste op ons.
Ten vierde, wij zijn en blijven ondanks onze zonde toch Gods schepselen. Daarom wil Hij ons niet aan het verderf prijsgeven. Al hebben wij de dood over ons heen gehaald, Hij heeft ons tot het leven geschapen. Onze zonde heeft Zijn liefde niet de doodsteek kunnen geven en daarom is Hij erop uit om ons weer in genade aan te nemen. Ten vijfde, de liefde van de Vader gaat aan de verzoening door Christus vooraf. Niet voor niets zegt de apostel Johannes: 'Hij heeft ons eerst liefgehad.' Vervolgens heeft God ons met Zichzelf verzoend. Maar dat gaat niet buiten Christus om. Want wij blijven onder de vloek en de toorn van God, totdat Christus ons door Zijn dood te hulp komt. Alleen Hij schenkt ons de onverbrekelijke gemeenschap met God. Zonder Christus wordt de onverzoenlijke strijd tussen Gods gerechtigheid en onze ongerechtigheid niet beslecht.
Ziehier enkele punten, die ons kunnen helpen de knoop enigszins te ontwarren, waarom er tegelijkertijd sprake is én van Gods toorn én van Zijn liefde. We moeten vooral Christus in het oog houden. Want in Hem is de liefde, waarmee God ons vóór de schepping der wereld heeft liefgehad, gevestigd en gefundeerd. Daarom kunnen we enerzijds in de Schrift lezen dat God Zijn liefde jegens ons daarin betoond heeft, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon aan de dood over gegeven heeft, en dat Hij anderzijds toch onze vijand was, voordat Hij door de dood van Christus verzoend was.
Ook Augustinus brengt op deze manier de verhouding tussen Gods toorn en Gods liefde onder woorden. Ook hij onderstreept dat God ons niet pas begon lief te hebben, toen wij met Hem verzoend waren door het bloed van Zijn Zoon; nee, voor de grondlegging der wereld heeft Hij ons al bemind. Op een korte formule gebracht: God beminde ons op wonderbare en goddelijke wijze, ook toen Hij ons haatte.

Het oordeel is tenietgedaan
Maakt Gods liefde Christus' komst niet overbodig? Geenszins. Want én door Zijn leven én door Zijn sterven heeft Hij de losprijs betaald om ons te verlossen. Hij kwam immers als het Lam Gods om de zonde der wereld weg te dragen. Dit moeten we vasthouden: God kon op geen andere wijze verzoend worden dan doordat Christus Zichzelf aan Gods oordeel onderworpen en overgegeven heeft. Zo nam Hij onze vervloeking van ons over en gaf Hij Zijn Vader genoegdoening door het offer van Zijn leven. Daarom behoeven wij Gods toorn niet meer te vrezen. Zo heeft de Vader de kracht van de zonde vernietigd, toen de vervloeking der zonde op Christus terechtkwam.
Wat doet nu het geloof? Dat grijpt de vrijspraak aan in Christus' veroordeling en de zegen in Zijn vloek. In Zijn volkomen offerande vinden onze geplaagde gewetens rust. Of om het nogmaals te verwoorden met onze Nederlandse Geloofsbelijdenis: in Christus' wonden vinden wij allerlei vertroosting.

H. J. LAM, NIEUWERKERK AAN DEN IJSSEL

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 februari 2002

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Allerlei vertroosting  in Zijn wonden [3]

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 februari 2002

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's