Globaal bekeken
Bij uitgeverij Biblion in Den Haag verscheen een boek van Richard van Schoonderwoerd den Bezemer over 'de geschiedenis van de vrijzinnig protestantse jeugdlectuur in Nederland', onder de titel Vroom en vrij. Die lectuur kwam op nadat rondom 1860 lectuur voor het protestantse kind was ontstaan 'geheel orthodox van aard'. Over die orthodoxe jeugdlectuur (met name over kerstboekjes) wordt het volgende vermeld:
'Een niet onbelangrijk gedeelte van de vrijzinnig protestantse jeugdliteratuur bestond uit kerstverhalen. De protestants-christelijke kinder- en jeugdlectuur als kerstverhaal is een product van het Reveil. Deze 19e-eeuwse internationale beweging, ontstaan in Zwitsterland, richtte zich tegen het verlichtingsdenken uit de voorafgaande eeuw. Daarbij was, vond men, God te veel in de schaduw van de mens komen te staan. Het Reveil stelde God als middelpunt, de mens was daar tegenover een zondig, nietig schepsel. Slechts bekering kon de mens redden. Daarbij stelde men zich zeer orthodox op, de bijbel werd beschouwd als het absolute woord van God. De meeste vrijzinnigen, de modernen, dachten daar vaak anders over.
In de loop van de 19e-eeuw was de interesse voor kinderboeken toegenomen, veroorzaakt door het toenemen van het schoolbezoek en ook door de oprichting van de vele zondagsscholen. Er konden meer kinderen lezen. Naderhand werd dit nog versterkt door de leerplichtwet, er kwam dus een behoefte aan lectuur. De eerste die zich binnen de Reveilbeweging daarmee bezighield was de Amsterdamse predikant J. de Liefde. In 1845 verscheen van hem De diligence of de reis naar de stad der erfenis, dat algemeen beschouwd wordt als het begin van de protestantse jeugdlectuur. Verscheidene andere titels volgden, andere schrijvers volgden zijn voorbeeld, onder wie zijn leerlingen E. Gerdes en A. J. Hoogenbirk. Uitgangspunt van deze lectuur was: het kind brengen tot God. Gods alom omvattende macht was de leidraad. Dat men daarbij voor kinderen schreef kwam eigenlijk op de tweede plaats. Men ging nauwelijks van de belevingswereld van het kind uit, de boodschap stond voorop. Deze typische zondagsschoollectuur werd ook door algemene uitgevers zoals bijvoorbeeld Sijthoff te Leiden uitgegeven. Veel werk van de papenhater E. Gerdes kwam daar van de pers. Met de uitgave van deze zondagsschoollectuur gingen snel ook diverse christelijke uitgevers zich op grote schaal bezighouden. In de door hen uitgegeven jeugdlectuur ging men zonder scrupules te werk: fors werd de ellende, vaak veroorzaakt door het ongeloof, uitgemeten. Het aantal sterfgevallen in deze boekjes, in de begintijd, maar ook tot ver in de twintigste eeuw, was legio. Meestal vonden al de stervenden, vaak kinderen, maar ook volwassenen, op hun sterfbed het geloof en zijn ze gelukkig het aardse met het eeuwige te mogen verwisselen. Bekering en zonde belijden neemt in de vroege orthodoxe kinderlectuur een belangrijke plaats in. Daarbij moet men vaak door diepe dalen gaan. De algemeen voorkomen de armoe speelt ook vaak een rol in de boekjes. De auteurs waren kinderen van hun tijd, die armoe moest men accepteren; weinig schrijvers zetten zich in voor verheffing van de armen, het is een geaccepteerd, blijkbaar door God gedoogd, verschijnsel. De boekjes worden in groten getale met kerst uitgereikt op de zondagsscholen en ook wel op scholen en vinden daarom een ruime verspreiding. Men kan ze zuiver als evangelisatielectuur beschouwen.
Voor de vrijzinnig protestanten golden toch wat andere normen. De modernen hadden een duidelijk andere visie op belangrijke zaken als de interpretatie van de bijbel, wonderen en zonde.
• Dan volgt hier nog een passage over uitgevers en oplagen rondom 1900:
'Als Callenbach in 1907 een contract sluit met de N.Z.V., komt de uitgever in een riante positie te zitten. In 1909 neemt uitgeverij Kok te Kampen ook nog Höveker over. Kok richtte zich meer op lectuur voor volwassenen en de andere rond 1900 bekende uitgeverijen verdwijnen stuk voor stuk of worden overgenomen, zoals Berends door Callenbach. Voor Callenbach braken gouden tijden aan. Over de oplages van de boekjes van Callenbach kan het volgende opgemerkt worden:
In 1903 bedroeg het aantal verkochte exemplaren van de kerstboekjes, volgens een door G. F. Callenbach zelfbijgehouden verkoopschrift: 242.236 exemplaren, in 1902 waren dit 239.427 exemplaren. Een later voorbeeld: van de succesauteur W. G. van de Hulst werden tot en met de 29e druk in 1988 van het boek Jaap Holm en z'n vrinden 258.000 exemplaren verkocht, van Rozemarijntje tot en met de 24e druk in 1987: 242.500 exemplaren en van Rozemarijntje naar school tot en met de 24e druk in 1985: 224.000 exemplaren. De geschatte totale verkoop van boekjes van Van de Hulst gedurende de twintigste eeuw overstijgt ruim de tien miljoen exemplaren. Hierin zijn ook opgenomen de zo bekende stripverhalen van Inde Soete Suikerbol en uitgaven bij andere uitgevers dan Callenbach, zoals Ploegsma en Van Goor. De oplagen van de vrijzinnig protestantse zondagsschoolboekjes waren zeer beperkt en konden in de verste verte niet tippen aan deze grote aantallen. (...)
De vrijzinnig protestanten vonden de boekjes van Callenbach en de andere uitgevers vaak te zwaar op de hand en daarom niet geschikt voor hun kinderen. Zij gingen zelf uitgeven, eerst mondjesmaat. Zo verscheen onder de titel Zaadkorrels in 1893 bij de uitgever M. F. de Grauw te Ouderkerk aan den Amstel, "vanwege de Commissie voor de zondagsscholen van den Nederl. Protestantenbond" een boekje van Dora Jacobi met zes verhalen, o.a. Simpele Trijntje, Na duister licht, Vaderland en Vorst en Cato's hoed. Dit boekje wordt door Jacoba F. D. Mossel in Vrij en Vroom nr. 88, 8e jaargang, december 1893, afgekraakt. Zij schrijft: "De verhalen zijn veel te lang voor den inhoud. De toon is praterig en preekerig; de stemming eer vlak moreel dan religieus. De kinderen die geteekend worden, leven niet, het zijn aangeklede kindergebreken en kinderdeugden".'
Ds. M. van Campen stuurde ons het volgende over Domineeskinderen:
'Sommige jongeren moeten er niet aan denken dat hun vader predikant zou zijn. Een pastorie is een glazen huis en op de kinderen van een predikant wordt extra gelet. Zo wordt het nogal eens gezegd. Hoe kijken domineeskinderen zelf tegen hun opvoeding aan? Welk vaderbeeld nemen zij mee als ze het huis uittrekken? Dat zal, net als in "gewone"gezinnen, heel divers zijn. De kinderen van ds. G. van den End stonden op de dag voor kerstfeest bij het graf van hun vader. Ruim een maand eerder, op 10 november, vierden ze zijn laatste verjaardag in de Dorpskerk te Voorthuizen. Ze hadden hem als "cadeau" een orgelconcert aangeboden, waarvoor familie en enkele vrienden waren uitgenodigd.
Op deze dag hebben ze ook proberen te verwoorden wat hun vader voor hen betekend heeft. Op deze wijze hebben ze naar hem toe uitdrukking willen geven aan hun liefde en dankbaarheid. Hijzelf noemde het de mooiste verjaardag van zijn leven, al zal hij het beeld dat ze van hem tekenden ongetwijfeld te positief gevonden hebben. Met hun toestemming heb ik in de rouwdienst een paar dingen genoemd. Ter overweging worden hun herinneringen ook in deze rubriek doorgegeven aan pastoriebewoners en andere gezinnen.'
• Liefde voor mama. Het eerste wat papa altijd vroeg als hij thuiskwam was: 'waar is mama' om vervolgens gelijk naar haar toe te gaan om haar een kus te geven en zijn ervaringen van die dag te delen.
• De enorme toewijding aan het werk in de gemeente en ook zijn liefde voor dit werk. Hij genoot van de catechisaties (kwam vaak fluitend thuis); het preken in verschillende gemeenten; de contacten met mensen etc. De gemeente van Christus had zijn hart en hij leefde ervoor.
• Puurheid en echtheid. Papa paste zijn woorden nooit aan om mensen naar de mond te praten maar hij was eerlijk en transparant. Hij had nooit een masker op. Hij zei wat hij dacht.
• Papa was trouw. Hij leerde ons altijd om beloften na te komen. 'Je ja moet ja zijn en nee nee.' Hij probeerde koste wat het kost afspraken te komen.
• Papa leefde uit Gods woord en scherpte ons dat in. Aan tafel werd steevast gelezen, er werd over gepraat en er werd hardop gebeden, hoe druk iedereen ook was.
• Sterk rechtvaardigheidsgeuoel. Papa kon niet tegen onrecht en probeerde in situaties waarin onrecht geschiedde in te grijpen. Hij kwam ook op voor het zwakke.
• Stabiliteit. Papa kende geen sterke ups en downs maar was in ons gezin als een rots die evenwicht en vastheid bracht.
• Grondigheid, perfectionisme en discipline. Dit kwam tot uiting in het maken van de preek (daar werden steevast twee volle dagen in gestoken), het lezen van boeken (ze staan voI onderstrepingen en extra aantekeningen), zijn dagelijkse boswandeling etc.
• Papa was consequent. Wat hij leerde, leefde hij ook uit.
• Echte betrokkenheid bij mensen in het algemeen en bij ons als kinderen. Hij had belangstelling voor onze bezigheden, stelde vragen en kon goed luisteren.
• Er wordt vaak gezegd dat je vaderbeeld van God bepaald wordt door dat van je vader. Als je een strenge autoritaire vader hebt kun je een negatief Godsbeeld hebben etc. Bij ons is het omgekeerde het geval. Papa heeft ons laten zien wat onvoorwaardelijke liefde is.
• In ons gezin was hij als vader tegelijkertijd ook dominee, en als dominee ook vader. Zo heeft hij als vader en predikant ontzettend veel meegegeven.
• Als prediker/theoloog valt in het bijzonder zijn grote evenwichtigheid op. Hij was een fijnzinnig theoloog. Het ging bij hem om de rechtvaardiging, maar ook de heiliging. De bekering maar ook de wedergeboorte, het praktische leven, maar ook het eschaton.
V.D.G.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 februari 2002
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 februari 2002
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's