De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Het gesprek over de prediking

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Het gesprek over de prediking

TAAK VOOR DE OUDERLING [I]

9 minuten leestijd

De voorbije weken zijn er u; eer op vele plaatsen en op velerlei ivijzen ambtsdragers bevestigd en herbevestigd in het ambt. De herbevestiging als ouderling is ook mij te beurt gevallen. Naar aanleiding daarvan ivil ik graag de aandacht vestigen op een naar mijn inzicht belangrijke maar nog onvoldoend erkende taak van ambtsdragers, met name van de ouderling. De taak die ik op het oog heb, kivam onlangs in dit weekblad ter sprake in een interview dat drs. P. J. Vergunst had met twee ambtsbroeders (de Waarheidsvriend 2001, nr. 49, blz. 814-815).

De taak die ik bedoel, is het gesprek over de prediking in het algemeen, het gesprek over de prediking met de oorganger in het bijzonder. Met nae dat laatste bedoel ik. Maar ook dat iet in algemene zin, maar juist conreet naar aanleiding van deze of die eredienst. Ik meen overigens dat die taak verder reikt dan alleen het gesprek met de voorganger. De gemeene in haar geheel moet (geleerd worden) zo'n gesprek (te) kunnen voeren.

Maar ik beperk me hier met opzet. Ik noem het een taak, omdat ik het om allerlei redenen belangrijk vind en omdat het wat mij betreft zonder meer samenhangt met wat het klassieke formulier leert over de taken en verantoordelijkheden van de ouderling. Die aken en verantwoordelijkheden imliceren mijns inziens ook de beoegdheid om de taak die ik hier beoel aan te pakken.

In dit eerste deel wil ik eerst ingaan op de aanleidingen en overwegingen om aandacht voor deze taak te vragen. In het tweede deel gaat het om de plaats an het gesprek in de praktijk van het leven van de gemeente. In het derde deel kom ik dan op het gesprek over de prediking met de voorganger zelf. isschien is het goed even te vermelen dat mijn indrukken berusten op ervaringen als ouderling, maar ook als voorganger. Alvorens nu echter mijn verhaal te beginnen wil ik eerst kort reageren op het genoemde interview.

Een interview

De broeders Den Hartog en Roth hebben, zo is mijn indruk, tamelijk vrijuit gesproken over een niet zo simpele jaak. Zij hebben zich dan ook zorgvuldig uitgedrukt. Wat mij is duidelijk geworden, is dat ze beiden spreken vanlit een grote achting voor het ambt 'an de predikant. Net als ik beoog, zien ze een relatie tussen het gesprek met de voorganger na de dienst en de verantwoordelijkheid om toezicht te houden. Bedoeld is dan natuurlijk het toezicht op de 'lering' (en de wandel) van de dienaren van het Woord.

Ik wil die achting voor het ambt gaarne onderschrijven. Maar dan geven de broeders ook een aantal overwegingen en gedachten die ik zou willen typeren als terughoudend. Zo is ook, zo komt het me voor, hun houding in dezen. Daarin gaan ze naar mijn overtuiging te ver. Dat oogt meteen tamelijk ongenuanceerd als ik het zo schrijf. Uit het vervolg moet blijken of het werkelijk zo ongenuanceerd is. In de derde plaats geven zij een aantal behartenswaardige wenken, maar nog altijd met een zekere terughoudendheid. Dat is enerzijds wel te prijzen, maar anderzijds kleven er ook nadelen aan. Ik zal ook iets van mijn ervaringen vertellen.

Sterker, ik zou wel willen dat daarover iets uitgewisseld zou kunnen worden met lezers. Mijn ervaringen gaan over prachtige, verdiepende, rijke momenten, met ook ervaring van zachte stilte, waarin onmiskenbaar de Heere was. Maar het gaat ook over verschil van inzicht, emotie, teleurstelling, onenigheid. En dat allemaal uit respect voor het ambt van de ouderling!

Aandacht voor de hoorder

Laat ik meteen maar zeggen wat mijn probleem is. De hoorder wordt zelden gehoord. De hoorder komt zelden zelf aan het woord als het om de prediking gaat. Dat geldt ook voor de ouderling, die nota bene in dat horen een ambtelijke taak heeft. Wat bedoel ik? Ik heb mij erover verbaasd dat er ook in dit blad over de prediking en de kloof en de crisis van de prediker geschreven en gediscussieerd kon worden zonder substantiële inbreng van de hoorders. Natuurlijk, 5, 10, 30 jaar preekervaring, dan mag je wel weten waarover je praat. Maar 15, 20, 40 jaar luisterervaring, heeft dat ook iets te betekenen? Als een ouderling zegt: ik kan daar . niets over zeggen, ik heb er geen verstand van, of, ik heb er niet voor geleerd, wat zegt hij dan eigenlijk? Ik vermoed dat ik wel begrijp wat zo'n ouderling bedoelt, maar ik vind het niet best. Mijn vraag is dan ook steevast: hoe lang hoort u sinds u bent gaan geloven? Meestal valt het even stil, maar antwoord krijg ik altijd: 10, 25, 40 jaar. Hoe kun je dan zeggen dat je er geen verstand van hebt? Dat lijkt mij een onderwaardering en onderschatting van het belang van de hoorder. De geoefende (laat ik dat er voor de zekerheid bijzetten) hoorder heeft er wel degelijk kijk op en verstand van. Van de ambtsdrager mag dat ook verwacht worden. Het lijkt me zelfs noodzakelijk. En voor de prediker geldt dat de hoorder een genadegave voor hem is.

De kwaliteiten van de hoorder

Over mijn laatste zinnetje moet ik iets zeggen. Feit is namelijk dat de hoorder bij menige prediker niet zo goed bekend staat. In Kontekstueel (juli 1998) werd daar iets over geschreven. Predikers (in de kring rond Kontekstueel) blijken niet zulke hoge gedachten over de hoorders te hebben. Verschillende predikers blijken noch qua motivatie om te horen, noch qua intellectueel niveau veel van hun hoorders te verwachten. Ai, dat doet als hoorder wel even behoorlijk pijn. Gelukkig geeft de schrijver van het stuk er een aardige draai aan. Die predikanten kijken heus niet op hun hoorders neer hoor. Neen, het is juist pastoraal bedoeld. Ze stellen niet te hoge eisen aan hun hoorders! Nou ja zeg. Wie houdt hier nu wie voor de gek? Er is natuurlijk helaas geen twijfel over dat hoorders aanleiding geven tot deze beeldvorming bij predikers. Dan moet het ook wel aanvechting geven om de hoorder nog als een genadegave te blijven zien.

Ik begrijp het niet zo goed. We kunnen niet allemaal een stukje schrijven. Neen, maar daar gaat het niet om. Hoe kan het toch dat de hoorder zich zo weinig in het gesprek over de prediking mengt. Ik bedoel nu niet het pastorale gesprek of het huisbezoek. Dan kan er geïnformeerd worden, zo voorzichtig als nodig, naar de betekenis die de prediking in het leven van deze en gene heeft. Of het ook vrucht draagt, of mensen gebouwd worden, tot geloof mogen komen, noem maar op. Dat is op zichzelf een kunst, zo'n gesprek. Maar dat is niet het gesprek dat ik hier bedoel. Ik bedoel een gesprek waarin net als de prediker vanuit zijn ambt en deskundigheid en geloof de hoorder zich vanuit zijn ambt, als ouderling in het bijzonder, en deskundigheid en geloof rekenschap geeft van het gehoorde. Bijvoorbeeld: Heeft het beantwoord aan de bedoeling? Welke bedoeling trouwens? Wiens bedoeling?

Nu, daarmee zitten we midden in het gesprek! Hoezo? De bedoeling is toch dat Gods Woord verkondigd wordt? Zeker, maar dat is tegelijk zo ontzettend waar, dat het zo heel veel ook niet zegt. En wat is daar dan trouwens de bedoeling van? Dat is meteen al een stuk moeilijker. In ieder geval is daar al niet meer één antwoord op te geven. En de voorganger zou dat allemaal zonder het gesprek met de hoorder (nogmaals, niet als voorwerp van pastorale zorg, maar als deskundige) kunnen 'uitvinden'? Daar geloof ik niet zoveel van. En sinds de regels van ds. Maasland in Kontekstueel (maart 1999) en een interview met hem over de prediking en preken 'tegen de klippen op' zou niemand dat nog moeten geloven. Hij hoeft het toch niet in z'n eentje te doen? Ik begrijp wel wat u bedoelt, denk ik. Maar zo verdwijnt de hoorder weer geruisloos uit beeld, uit het gesprek. Uit respect voor het ambt van de prediker moet dat nu juist niet gebeuren.

Op de agenda Ik kan het nog nader aangeven. De gemiddelde hoorervaring en deskundigheid in een kerkenraad zullen veelal tientallen jaren betreffen. Een schat aan kennis en deskundigheid, zo houd ik vol. En dan kun je lezen, bijvoorbeeld in het stuk van ds. Maasland indertijd, dat een keer per jaar de prediking onderwerp van gesprek is op de kerkenraadsvergadering. En in het interview met de twee broeders wordt gezegd dat het goed zou zijn het nagesprek eens te agenderen op de kerkenraadsvergadering. Hoe heb ik het nu? Nota bene, we hebben het over de 'core business' - om zo te zeggen - van het werk in de gemeente. Want zo hoog heb ik ondertussen de prediking wel: core business, daar gaat het om! Verbijsterend vind ik daarom zulke zinnen; een keer per jaar! En ik zou het absoluut niet begrijpen als er nog kerkenraden zijn waar dat nooit gebeurt. Bij ons, en dat is het enige wat ik over de kerkenraad waar ik zelf lid van ben ga schrijven, staat de eredienst sinds enige tijd altijd op de agenda. En geeft dat dan vervolgens altijd van die verheffende of diepe gesprekken? Neen, natuurlijk niet. Maar wie beweerde dat zo'n hoge norm een vereiste is? En toch gaat het bijna altijd ergens over. En dat heeft grote voordelen. Ik noem er een paar. De predikant krijgt een indruk van wat door het ambt gekwalificeerde hoorders horen, waar ze op letten en wat ze belangrijk vinden. Bovendien hoort hij iets terug over de verrichtingen van gastpredikers. En ook, niet onbelangrijk, wat de hoorders overslaan en niet horen. En dat is mooi, want horen wil ook geoefend worden en geleerd worden. Dat kan door het erover te hebben. Want dat zet aan tot nadenken. En de kerkenraadsleden ontdekken en leren van elkaar hoe en wat ze horen, en wat niet. Dat is buitengewoon leerzaam.

Want gemiddeld gesproken zal dat ook wel een afspiegeling zijn van het horen van de gemeente. En dat maakt het natuurlijk ook heel leerzaam. En de ambtsdragers horen en zien de voorganger reageren. Waar gaat hij wel of niet op in? Wat vindt hij kennelijk (on)belangrijk? Wat is bespreekbaar en wat niet? Waarom wel of niet? Zo leren ze elkaar een beetje kennen. Er doen zich dus allerlei leerzame mogelijkheden en momenten voor in zo'n gesprek. Daarom moet het toch spijtig heten, wanneer die mogelijkheden ongebruikt blijven liggen.

Dat zo'n gesprek toch ook niet eenvoudig is en ook mis kan gaan (dat hoeft overigens niet zo erg te zijn als het lijkt), laat zich raden. Daar komen we nog op. Mijn uitgangspunt is dat de hoorder, in het bijzonder de ouderling, de vaardigheid en de bevoegdheid heeft om te horen en te oordelen. De hoorder, de ouderling in het bijzonder, mag geacht worden er 'verstand van te hebben'. In die zin komt de hoorder de positie van serieuze gesprekspartner toe. Dat vraagt om erkenning daarvan van de zijde van de voorganger. Is die wederzijdse erkenning er niet, tja, dan wordt zo'n gesprek lastig (en misschien wel onmogelijk), het zal in ieder geval oppervlakkig blijven. Het niet doorgaan van zo'n gesprek kan mogelijk ook schadelijk zijn voor prediker en hoorders).

P. J. VERHAGEN, HARDERWIJK

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 februari 2002

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Het gesprek over de prediking

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 februari 2002

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's