De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De eed in de Heilige Schrift [6]

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De eed in de Heilige Schrift [6]

6 minuten leestijd

Duivels zweren

We hebben in deze serie artikelen over de eed al gewezen op het ondoordacht en noodzakelijk zweren. Maar er is ook een duivels zweren. Een aangrijpend voorbeeld daarvan hebben in Hand. 23 : 13 w.

Er wordt een complot op touw gezet door enige joden om Paulus gewelddadig uit de weg te ruimen.

Heel opvallend is dat in de nacht de Heere bij hem stond en hem zalig vertroostte en dat in de daarop volgende dag een aanslag op het leven van de apostel wordt beraamd! Het zijn maar niet twee of drie heethoofden of wanhopige lieden die zich onder ede verbinden de moordaanslag ook uit te zullen voeren. Meer dan veertig joden zweren door een eed hem te doden! Zij zullen stellig behoord hebben tot de richting van de Sadduceers, gelet op het voorafgaande. Het Sanhedrin gaf zwijgend blijkbaar toestemming ertoe. Daarmee krijgt de samenzwering bijna een nationaal en godsdienstig karakter.

Lukas bezigt de naam 'joden' in zijn evangelie slechts als een algemene categorie. Hij heeft beslist niet bedoeld dat alle joden zo haatdragend en moordzuchtig waren! Onder de samenzweerders kunnen wel terroristen hebben gezeten, Zeloten genaamd, die gewelddadig streden tegen de Romeinse bezettingsmacht. Verbijsterend is het te lezen dat zij aan God vroegen hen te vervloeken en te gronde te richten als zij enig voedsel of drinken zouden gebruiken voordat ze de apostel hadden omgebracht. Ze durven dat aan omdat ze verwachtten binnen vierentwintig uur deze klus te hebben geklaard.

Opgemerkt wordt door S. J. Kistemaker in zijn grote commentaar op Handelingen dat Lukas als meester - verteller met een enkele pennenstreek heel deze scène schildert, met een vleug van humor als zou, nu er zoveel samenzweerders zijn, dit complot geheim kunnen blijven.

Hoe dan ook, ontzettend is het te zweren bij de heilige God op de dood van een mens en dan nog van een van Zijn knechten! Zij doen zich in de ban om een man die hun volk zo liefhad en die zelf wel van Christus verbannen wilde zijn als dat maar in Zijn heil zou delen, Rom. 9 : 2.

Joodse rabbijnen meenden dat een dergelijke eed alleen voor verbindend kon worden gehouden als de uitvoering ook mogelijk bleek. Dat is dan nog te schrijnender en spot met de heilige naam van God. De samenzweerders zullen hun eed wel niet gehouden hebben en ze hebben zich ze-ker niet laten doodhongeren. De neef van Paulus, verderop genoemd, die het complot ontdekt en de apostel waarschuwt, zal wel geen geloofsgenoot van hem zijn geweest, maar wel een jongen die afkerig was van zulk een schelmenstreek.

Onvoordelig zweren

Nog één facet wil ik met u bespreken om daarmee ook de weg te banen tot enige afrondende conclusies. En dat betreft het zweren tot eigen nadeel, waarbij men dus zelf schade kan oplopen. Sommigen raden wellicht al wat ik bedoel. Ik duid dan met name op de woorden van Psalm 15 : 4, waar we in het slotgedeelte lezen 'heeft hij gezworen tot zijn schade, evenwel verandert hij nief.

Er staat in de grondtekst letterlijk 'heeft iemand gezworen om kwaad te doen' (nl. aan zichzelf). Daarbij is kennelijk gedacht aan een eed waartoe men zich verbonden heeft die bij het houden van deze nadeel kan berokkenen.

Nu zal degene die de Heere welgevallig is ook dan de eed gestand doen. Hij verandert niet. Voor het woord 'veranderen' is hier hetzelfde woord gebruikt als in Lev. 27 : 10 en 33 waar over de wet op de geloften gesproken wordt.

De rechtvaardige is onkreukbaar en acht de eed aan God hoger en heiliger en daarom meer waard dan wat hem het gestand doen van deze oplevert. Luther merkt op dat 'wat hier van de eed wordt gezegd eigenlijk van elke belofte geldt die men doet. De bedoeling is immers trouw en integriteit onder mensen te verzekeren'.

En Calvijn meent dat de gelovige eerder en liever zelf schade lijdt dan zijn woord te breken en als onbetrouwbaar onder de mensen bekend te zijn. Een kleine schade kan men beter voor lief . nemen dan als voorwendsel gebruiken om onder de eed of een plechtige belofte uit te komen.

Vragen

Interessant is dat de hervormer daarbij enige vragen behandelt. Stel dat we een rover of ontvoerder losgeld beloven als deze ons vrijlaat, moeten we dan toch nakomen wat we hebben beloofd? Calvijn meent van niet. Wie de rover of ontvoerder geld brengt loopt in een andere val en zonde, hij steunt namelijk met zijn geld de misdadiger en moedigt hem aan om dergelijke praktijken voort te zetten. Zulk een last legt David een kind van God niet op. Hij beveelt alleen ernstig aan beloften en eden boven eigen voordeel te stellen.

Men kan ook, opzettelijk door valse voorspiegelingen bedrogen en misleid, een eed doen die groot nadeel veroorzaakt. De heiligheid van de naam moet ons dan zoveel waard zijn dat we liever zelf schade lijden dan dat deze onteerd wordt.

Maar in zulke gevallen kan men, als men erachter komt lelijk bedrogen te zijn, beter eerlijk en kalm met de te-

genpartij onderhandelen. Calvijn verwerpt ten slotte de gedachte dat David hier over geloften aan God zou spreken bij voorbeeld om zich met vasten te kwellen. Dat bedoelt de psalmist helemaal niet volgens de hervormer.

Hij spreekt hier alleen van de tweede tafel van de wet, de eerlijke omgang met de naaste. Hoe heerlijk nuchter en bezonken is het oordeel van hem, vindt u niet?

Belofte aan een stervende

Dat werpt ook licht op de vraag of een belofte aan een stervende afgelegd om niet te trouwen en nooit van een kerkgenootschap te veranderen, gehouden moet worden.

Men mag zulk een belofte niet laten doen, die het geluk en welzijn van een achterblijvende ernstig in gevaar brengt.

Men kan ook weigeren een eed erop te doen nooit meer te trouwen en in die kerk altijd te blijven, zeker als er druk wordt uitgeoefend. Op deze wijze snijdt men ook de weg af die de Heere wel eens kan gaan met een weduwe of weduwnaar door na verloop van tijd een ander op haar of zijn levensweg te plaatsen. Men blokkeert zelf zodoende Gods voorzienig bestel dat over alle dingen gaat.

Natuurlijk heb ik er hoge achting voor dat als men een eed zwoer deze ook houden wil vanwege de heiligheid van

God.

Maar ik meen te moeten waarschuwen voor het met dwang opleggen van een belofte en het onvoorzichtig afleggen van een eed. Hoeveel we ook hielden of houden van iemand, nooit mag deze boven de Heere gaan en Zijn mogelijke levensleiding tegenhouden.

W. CHR. HOVIUS, APELDOORN

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 februari 2002

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

De eed in de Heilige Schrift [6]

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 februari 2002

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's