Het gesprek over de prediking
TAAK VOOR DE OUDERLING [2]
De vorige keer
Het eerste deel van deze overwegingen liep uit op een pleidooi om de hoorders van preken, in het bijzonder de ouderling, in hun waarde te erkennen en serieus te nemen. Ik bedoelde daarmee te zeggen dat de hoorder niet alleen gehoord moet worden in het pastorale gesprek om na te gaan wat de verkondiging in zijn en haar leven betekenen mag. Dat moet ook gebeuren en dat gebeurt ook. Ook al is zo'n gesprek in mijn ervaring als ouderling bepaald niet eenvoudig. Maar over zo'n gesprek gaat het hier niet. Het gaat om het gesprek over de prediking tussen de voorganger en de hoorder(s), in het bijzonder de ambtsdragers, als (ervarings)deskundigen. De voorganger heeft zijn eigen verantwoordelijkheid en deskundigheid. En er zal onderling tussen voorgangers overleg en studie met elkaar zijn. Er zijn wellicht na- en bijscholingsactiviteiten om die deskundigheid te bevorderen en te stimuleren. Dat hoort er allemaal bij. De hoorders, met name de ambtsdragers, hebben hun verantwoordelijkheid en deskundigheid. Ik pleit er dus voor dat die verantwoordelijkheid en deskundigheid over en weer herkend en erkend wordt. Ik maak er bezwaar tegen als ambtsdragers die verantwoordelijkheid en deskundigheid niet nemen of er niet aan werken. Ik kan moeilijk begrijpen waarom voorgangers die verantwoordelijkheid en deskundigheid niet aanvaarden en aangrijpen. Mijn pleidooi komt voort uit respect voor beider ambt: dat van de dienaren van het Woord én dat van met name de ouderling.
Heeft het gesprek wel een plaats?
Nu moet ik eerst iets opmerken over, laat ik nu maar zeggen, de status van het gesprek. Want ja, waarom zouden we een gesprek als hier bedoeld voeren als het kerkelijk gezien niets te betekenen heeft? Mijn stelling is nu dat het gesprek een onvervangbaar traditioneel element is in het leven van de christelijke gemeente, in de werkzaamheden van ambtsdragers in het bijzonder. Dat wil ik nu eerst toelichten. In de traditie van de kerk en in de gereformeerde traditie is de prediking het overdrachtsinstrument bij uitstek. In de prediking gebeurt van alles en wordt van alles bedoeld, maar ook dit: de prediker verkondigt, hetgeen hij ontvangen heeft, zoals eertijds de apostelen en zoals Paulus met zoveel woorden schreef (i Kor. 15). Er zit altijd een element van overdracht, overlevering, traditie in. Daarnaast had de kerk de sacramenten in de Reformatie teruggebracht tot twee in getal. Niet dat Gods belofte dat zozeer nodig heeft om krachtig of effectief te zijn, maar 'onze goede God' houdt rekening met 'onze grovigheid en zwakheid' (NGB art. 33). Maar ondertussen heeft de kerk naast deze laat ik nu maar zeggen officiële overdrachtsinstrumenten nog wel meer mogelijkheden. Neem het onderwijs in allerlei vorm. Ook zo'n onvervangbaar traditioneel element.
Maar we hebben ook het lied, om nog iets te noemen. En, dat vermoedde u ondertussen al, het gesprek. We zullen niet uitgebreid ingaan op wat theologen hierover geschreven hebben, maar toch iets daarvan.
Het gesprek: middel en doel
Ik haal even de benadering van Berkhof naar voren, zoals die te vinden is in zijn Christelijk Geloof. Hij brengt (net als anderen) het gesprek in relatie tot de prediking. Het gesprek komt niet in de plaats van de prediking. Natuurlijk niet! Maar de preek kan ook niet zonder. Dat is meteen al heel wat, maar toch heeft het gesprek in die zin nooit een echte status gekregen. En zeker niet als middel naast prediking en sacramenten. Terwijl het toch evident is dat het gesprek onmisbaar is bij prediking, sacramenten en Ieren. De ambtsdragers functioneren niet als ze het gesprek niet (weten te) voeren. Berkhof verwoordt dan ook dat het de ervaring van velen is dat voor geloof en groei ervan het gesprek in allerlei vorm van onschatbare waarde is gebleken. De Geest, zo stelt hij, gebruikt 'dit middel eenvoudigweg' en 'in de moderne tijd in toenemende mate'. Het lijkt mij dat deze indrukken juist zijn en inderdaad door velen onderschreven zullen worden.
Berkhof wil dan vervolgens wel pleiten voor het 'sacramentele' karakter van het gesprek. Nu ja, dat is mij te ingewikkeld. Echter, er zijn voldoende aanwijzingen in de Schriften om het belang van het gesprek te onderkennen. In het Evangelie is het gesprek dat de Heere Jezus voert gesprek. Men moet daar geen preken van willen maken. Als zou Hij voor Nicodemus preken. Onzin natuurlijk. Matt. 18 : 20 is dikwijls aangehaald om het belang van het gesprek te onderstrepen. En hoe graag verwijzen we niet naar 'die' van Berea (Hand. 17) als voorbeeld. Berkhof laat trouwens in zijn kleine lettertjes kort zien welke plek het gesprek na de Reformatie in onderscheiden tradities heeft gekregen. Daarin komt vanzelfsprekend het kringwerk aan bod. Het kringwerk (onder allerlei na-men bekend) is de plek waar het gesprek georganiseerd plaats kan vinden. Het is dan ook essentieel dat het kringwerk er is met het oog op het gesprek. Ook dat wordt dacht ik door velen erkend.
Toch, dat constateerde Berkhof al, blijft de aandacht voor het gesprek een meer terloopse en tussen de regels. Om een voorbeeld te geven. In de belangwekkende serie Bouwen aan de Gemeente, deeltje Gemeenteopbouw. Rondom het Woord, van de hand van drs. M. van Campen koirit 'de kleine groep' (de huiskring) 'als bouwsteen' ter sprake. De doelstelling van de huiskring is, zo schrijft hij, op z'n minst vierledig: geloof, gebed, gemeenschap en getuigenis. Nu, dat lijkt me zo helder als glas. En het gesprek? Nu dat, zo maak ik eruit op, is dan vooral instrument, middel. We praten met elkaar, hoe anders. Maar dan blijft het mij te veel middel alleen. Ik zou er graag ook doel in zien: het met elkaar in gesprek komen en blijven. Want let wel, een heleboel heen en weer gepraat is nog geen gesprek. Een variant van dit gesprek is bijvoorbeeld het gemeenteberaad inzake de vele vragen waarvoor de gemeente zich vandaag gesteld ziet. Dr. A. Noordegraaf heeft daarop geattendeerd in zijn Vijf broden en twee uissen (hfst. VI).
Gesprek: in de kerk en door de Geest
Kortom, de status van het gesprek is niet altijd even duidelijk, maar gezien het door velen onderkende en onderschreven belang ervan verdient het alle zorg en aandacht. Er is een gedachte die ik er als laatste nog aan toe wil voegen. De kerk is onze moeder. De kerk is één groot gezin rondom moeder, rondom het Woord (Geest en traditie) en de ambtelijke bediening ervan (vader). Het lijkt mij dat wanneer ze bij elkaar zijn er, naast van alles en
nog wat, één ding in ieder geval gebeurt: ze zijn in gesprek met elkaar. Ik ben zelf rond advent en kerst nogal onder de indruk geraakt van de 'gesprekjes' die in het Evangelie gevoerd worden. Denk aan Elisabet en Maria, aan Maria en de engel, aan de herders als de engelen weer gegaan zijn, aan Simeon met Maria en Jozef. Het heeft mij getroffen dat menig keer gezegd wordt dat de Geest 'erbij' is (en Zijn verborgen werk doet). En in het verband van mijn overwegingen is het van belang dat het 'gesprekjes' zijn in samenhang met horen. Het Woord overbrengen en het Woord horen vormen een eenheid, zoals horen en geloven door de Geest een eenheid vormen. Ik zag er 'zomaar' het oerbeeld van de kerk in: mensen in gesprek met elkaar (terwijl de Geest 'verborgen' Zijn werk doet) over, vanwege, omwille van Christus alleen.
Kringgesprekken over de prediking
Terug naar het gesprek over de preek. Ik wil een stukje ervaring met u delen. Enige jaren terug hebben we als huiskringen, die niet zozeer geleid als wel aangestuurd worden door ambtsdragers, een half seizoen lang stilgestaan bij de prediking. We hebben dat heel concreet aangepakt. Dus we hebben niet gewerkt aan de hand van een boekje over de prediking. Pas aan het eind van het seizoen hebben we onze oefeningen afgesloten met een gesprek met een ervaren prediker van elders. Onze concrete aanpak zag er als volgt uit: telkens waren er twee vrijwilligers, die ieder hun impressie, gedachten en vragen, gevoelens en beleving weergaven bij één van de twee kerkdiensten van die zondag. (U moet weten dat de huiskringen op zondagavond bijeen kwamen in het kerkge- • bouw, eerst in de grote groep om daarna in kleine groepen uiteen te gaan.) De inleiders gaven hun verslag voor de hele groep. Daarop konden er vragen gesteld en opmerkingen gemaakt worden. Vervolgens werd het gesprek in de kleine groepen vervolgd. Er waren niet zoveel vragen of opdrachten aan de inleiders vooraf. Maar naar aanleiding van het gesprek kon voor de volgende keer wel iets afgesproken worden in de trant van: laten we de volgende keer ook letten op... De voornaamste spelregel was in feite dat iedereen in de beslotenheid van de kring de ruimte mocht nemen om zich vrij uit te spreken zonder daarover gekapitteld te worden.
Het was geen onverdeeld succes, in ieder geval niet zo eenvoudig. Het was onthullend en onthutsend juist omdat de prediking voor alle deelnemers de hoogste prioriteit had. Het was buitengewoon leerzaam en op allerlei momenten verrassend openhartig. Mensen waren soms verbaasd, soms verbijsterd dat de een dit en de ander dat of dat juist niet gehoord had en wat daar dan de gedachten, gevoelens en overwegingen bij waren. Om misverstanden te voorkomen, de meeste deelnemers hadden jaren hoorervaring. Daar gingen we elkaar natuurlijk op bevragen. Hoe kan dat nu? Hoe zit dat met dat horen van ons? Wat is daar eigenlijk voor nodig? Hoe en van wie hebben we dat eigenlijk geleerd? Maar ook, het kan toch niet zo zijn dat iedereen 'maar' hoort wat hij of zij hoort? Het kan toch niet een kwestie van 'voor elk wat wils' zijn? En laten we elkaar daarom ook maar niet te veel lastig vallen, want dat geeft alleen maar gezeur en onenigheid. Er moet toch iets zijn wat daar bovenuit gaat, ons daar bovenuit tilt? Natuurlijk, dat wordt ons in de prediking overgeleverd. En die overlevering wil verwerkt worden. Dat kan vast op allerlei manieren, maar zeker ook op de wijze van het gesprek. Het gesprek uit de weg gaan, omdat het wel eens lastig of niet altijd even leuk zal zijn, lijkt mij een stap terug.
Er zou nog veel meer over onze gesprekken te melden zijn. Ik wil er echter vooral mee illustreren dat het gesprek over de prediking ontdekt werd als iets wat aanzienlijk verder gaat en meer behelst dan het bekende koffiepraatje op zondagmorgen. Er viel heel veel van elkaar te leren. En dat kwam ons horen weer ten goede. Inmiddels enige jaren later vraag ik me wel af hoe je zoiets onderhoudt. Een half seizoen is misschien ook 'maar' half werk?
Met dit voorbeeld heb ik meteen de overgang gemaakt naar wat de volgende keer aan bod komt, te weten het gesprek over de prediking zelf.
P. J. VERHAGEN, HARDERWIJK
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 februari 2002
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 februari 2002
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's