Boekbespreking
Drs. J. J. Grandia, Zijn Naam belijden; handreiking voor het gesprek. Uitg. De Groot, ni blz. € 1, 48.
De schrijver is docent godsdienst in het voortgezet en hoger beroepsonderwijs en ouderling in de gereformeerde gemeente te Gouda. Hij schreef dit boek als een handreiking om zinvol met anderen te kunnen spreken over het geloof. We kunnen met name in onze tijd kritische vragen krijgen en weten we dan te antwoorden? Terecht zegt de schrijver dat het niet alleen onze woorden zijn, maar ook onze daden en de oprechte Godsvreze, zodat anderen kunnen gaan nadenken over wat ze van ons zien en horen. Maar het kan ook tot een gesprek komen en dan moeten we, naar het woord van Petrus, altijd bereid zijn tot verantwoording aan eenieder die ons rekenschap afeist van de hoop die in ons is en dat moeten we ook nog doen met zachtmoedigheid en vreze (1 Petr. 3 : 15).
Aan de orde komt onder andere de apologetiek, dat wil zeggen hóe men rekenschap aflegt van het geloof, waarbij de schrijver leerzame voorbeelden uit de kerkgeschiedenis laat zien: van Tertullianus, Augustinus, Thomas van Aquino, Pascal, en uit onze tijd onder anderen: C. S. Lewis, Fr. A. SchaefFer en Lloyd-lones. De schrijver zegt: Het is onze roeping om onze geloofsovertuiging zo helder mogelijk te kunnen formuleren.
Andere hoofdstukken zijn: onze levensovertuiging, 'God bestaat niet' (Wonderen kunnen niet. Wat een lijden in de wereld! Godsbewijzen). Citaat: 'De zogenoemde Godsbewijzen zijn meer getuigenissen voor het bestaan van God, dan bewijzen in de strikte zin van het woord; ze kunnen ons dieper doen wortelen in de christelijke levensovertuiging.' Verder: Alle godsdiensten leiden tot God, waar tegenover de schrijver in navolging van H. Kraemer erop wijst dat de plaats van Christus uniek is, totaal anders dan de plaats van een centrale persoon uit een andere religie. Verder komen ter sprake: het lijden, waarmee we door de media bijna dagelijks geconfronteerd worden, zelf uitmaken wat je gelooft en het al of niet achterhaald zijn van de bijbel, waarbij de schrijver heel beslist wijst op het zelfgetuigenis van de Schrift.
Conclusie: een goed boek, helder en met vaak korte zinnen geschreven, rustig betogend, waarbij de lezer stap voor stap gebracht wordt waar de schrijver hem wil hebben. Toerustend en opbouwend! Misschien zijn de laatste twee hoofdstukken wat aan de beschouwende kant, waardoor de dialoog met de lezer, die in de voorgaande hoofdstukken zo helder is, wat op de achtergrond raakt. Excuses aan de schrijver voor de late bespreking van het boek. Ik haast me nu om te zeggen dat het een goed geschenk is voor hen die de komende weken belijdenis doen van het geloof.
H. VELDHUIZEN, WAPENVELD
W. Aalders, De apocalyptische Christus. Volgens Tenach, Septuagint en Evangelie. Uitgave Groen, Heerenveen 2001, 184 blz., pb., € 17, 99.
Met respect en dankbaarheid kondig ik dit nieuwe boek van deze hoogbejaarde auteur aan. Respect vanwege het feit dat ook uit dit boek blijkt hoezeer Aalders op de hoogte is van allerlei ontwikkelingen in de bijbelwetenschap. Dankbaarheid vanwege het feit dat God hem de vitaliteit en de kracht geeft om zijn kennis vruchtbaar te maken ten dienste van de gemeente en haar geloofsopbouw. In zekere zin is dit boek een vervolg op zijn studie over de Septuaginta. Aalders plaatst het nieuwtestamentisch getuigenis aangaande Christus in een brede context. In zijn eerste hoofdstuk schetst hij de figuur van de joodse historicus Josefus als integer vertolker van Tenach, de gecanoniseerde overlevering van Israëls historie. Aalders wijst erop dat voor Josefus de profetie van Daniël van grote betekenis is geweest, maar dat deze tegelijk zwijgt over het visioen van Daniël 7 aangaande het rijk van God en de hemelse Mensenzoon. Een fraai hoofdstuk is gewijd aan de prediking van het boek Jesaja. De in dit boek verkondigde visie op de geschiedenis, met name in Jesaja 24-27 en 40-55, is gericht op de voleinding contra nationalistische dromen. Maar het is vooral de apocalyptische profeet Daniël die uitzicht biedt op de doorbraak van het rijk van God en de terneerwerping van de wereldmachten. Het is deze heilstijding die ons helpt de evangelieprediking van het Nieuwe Testament te verstaan. Terecht wijst Aalders op de joodse achtergrond van het woord 'evangelie' als het woord dat de eschatologische en profetische heilsprediking verbond met de geschiedenis. Het eerste evangelie geschreven door de ooggetuige en discipel Mattheüs, wordt door Aalders, in navolging van geleerden als Dodd, getypeerd als een document van de gerealiseerde eschatologie. Dat wil zeggen: in de komst en het werk
van Jezus Christus, de Zoon des Mensen breekt het rijk van God zich baan. Hij is als de apocalyptische Christus de vervulling van het profetisch en apocalyptisch getuigenis en zo het midden van de geschiedenis. De boog wordt gespannen van de Immanuel-boodschap (i: 23) naar het woord van de opgestane Christus in 28 : 20. Aalders brengt een scherpe markering aan tussen Jezus' optreden in Galilea en zijn verschijning en werken in Jeruzalem. Hij spreekt over een apocalyptisch reveil in Galilea als een belofte van de grote toekomst die op handen is. In de intocht in Jeruzalem zet zich dit reveil voort, al tekent zich ook de dreiging en de tegenkanting af van de joodse leiders.
Toch is er volgens de schrijver geen reden om de door Mattheüs gegeven schildering te kenschetsen als een passie-verhaal. Veeleer blinkt door de vernedering heen in toenemende mate zijn glorie door. Een gruwelijk drama werd, zegt Aalders in de voor hem typerende stijl, getransfigureerd tot een evangelie, niet eerst achteraf vanuit de opstanding, maar ontleend aan de harde realiteit van de historische feiten die ons spreken van de troonsbestijging van de Zoon des mensen. Het evangelie bevat zo in samenklank met andere nieuwtestamentische getuigen de prediking van de Kurios die in Galilea(!) zijn macht proclameert, zijn leerlingen uitzendt en hun zijn nabijheid verzekert. De terugkeer naar Galilea in 28 : 16-20 heeft heilshistorische betekenis. Ik heb dit boek van Aalders, dat evenals zijn andere werken in een fraaie stijl geschreven is, geboeid gelezen. De verbanden die hij aanwijst tussen Daniël, Jesaja en het nieuwtestamentisch getuigenis vormen een rode draad die je helder laat zien dat Jezus Christus de Messias van Israël is die Gods plan met zijn volk vervult. Boeiend is ook de wijze waarop Aalders gedurig weer wijst op de betekenis van de oudtestamentische Godsnaam (Ex. 3 : 14) als een naam die de Here God typeert als een God die leeft en werkt. De wijze waarop de schrijver nadruk legt op de gerealiseerde eschatologie roept wel de vraag op of hij hier niet te veel schatplichtig is aan de Engelse theologie van auteurs als Dodd. Spreekt het N.T. ook niet met twee woorden: reeds en nog niet? In verband daarmee vraag ik me ook af of de schrijver de tegenkanting die Jezus ook in Galilea ondervond niet te weinig aandacht geeft. En wat de laatste hoofdstukken betreft kun je inderdaad zeggen dat Mattheüs de verwerping van Jezus in Jeruzalem en zijn kruisdood niet beschrijft als een passie-verhaal? De Zoon des mensen van Daniël 7 is toch tevens de lijdende Knecht van Jesaja 53. Het gaat me ook wat te ver om het gebeuren op Golgotha te typeren als een koningsdrama. Al is het niet onmogelijk dat Jezus aan het kruis de hele Psalm 22 gebeden heeft - maar zekerheid hebben we niet - het is toch veelzeggend dat de evangelist de eerste woorden van deze psalm uit de mond van Jezus aanhaalt. Tegenover diegenen die deze kruisreep typeren als een roep van vertwijfeling is het goed om te laten zien dat we hier een geloofsgetuigenis hebben. Jezus zegt immers: Mijn God, mijn God... Maar aan de klacht over de verlating doe je geen recht als je de roep typeert als een triomfroep. De woorden uit het klassieke avondmaalsformulier, dat Christus van God verlaten is opdat wij nimmermeer door Hem verlaten zouden worden, vormen voor mijn besef een betere vertolking van de kruistheologie van de evangelist. Mijn opmerkingen mogen voor de auteur een bewijs zijn met hoeveel vreugde en aandacht ik zijn boek gelezen heb. Ik vind het bovendien een voorbeeld van bijbelonderzoek dat de resultaten van de moderne bijbelwetenschap ernstig neemt, maar ze weegt vanuit diepe ernst voor het gezag van de Schrift als getuigenis van Gods openbaring.
A. NOORDEGRAAF, EDE
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 februari 2002
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 februari 2002
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's