De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Globaal bekeken

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Globaal bekeken

7 minuten leestijd

Dr. E. P. Meijering (1940), die van 1968-1995 remonstrantse gemeenten diende en van 1976- 2001 lector was in de theologiegeschiedenis aan de Universiteit Leiden, schreef een boek Vijftig jaar onder theologen - Hoe het veranderde en gelijk bleef (uitgave Meinema, Zoetermeer), waarin hij zichzelf als 'Piet' opvoert. Op het voorfront prijken de namen van acht theologen. In die reeks komt ook de naam van wijlen de oud-gereformeerde ds. E. du Marchie van Voorthuijsen voor. Meijering vertelt over hem uit de tijd dat hij als student op Ruimzicht vertoefde.

'Een onvergetelijke belevenis was voor Piet het bijwonen van een kerkdienst in een heel andere hoek van kerkelijk Nederland. In Leersum stond de oud-gerefomeerde dominee Du Marchie uan Vqorthuijsen. Tot woede van Dekker (directeur van Ruimzicht, v.d.G.) gingen sommige leerlingen daar ook wel eens luisteren. Dat het uitsluitend gebeurde met de bedoeling om te horen hoe gek het daar toeging, stemde hem niet milder. Piet hoorde Du Marchie - later vernam hij dat deze in eigen kring ook wel "Du Marchietje" werd genoemd en dat dit niet denigrerend was bedoeld - preken over het in Handelingen 8 vertelde verhaal van de bekering van de kamerling. Du Marchie had zijn preek in vier punten ingedeeld: ten eerste de hartelijke begeerte van de kamerling om gedoopt te worden (naar aanleiding van diens vraag "Wat verhindert mij gedoopt te worden?"), ten tweede de hartzoekende voorwaarde van Philippus (naar aanleiding van "Indien gij gelooft is het geoorloofd"), ten derde de hartgrondige belijdenis van de kamerling (naar aanleiding van "Ik geloof dat Jezus de Zoon van God is") en ten vierde - dit kwam na de tussenzang aan de orde - de hartverkwikkende doop (naar aanleiding van "en zij daalden af in het water en hij doopte hem"). Het woordje "hart" maakte duidelijk dat Du Marchie "bevindelijk" wilde preken. Du Marchie's "hartelijkheid" moest vooral niet met zachtzinnigheid worden verward. "Je moet de mensen slaan, zeiden onze vaderen, niet dat aaien om de neus!" riep hij op een gegeven moment uit. Dit verbale geweld trok in ieder geval wel mensen. Het zat er stampvol, met opvallend veel jonge mensen, die overigens niet allemaal aandachtig zaten te luisteren en meermalen door Du Marchie werden opgeroepen om niet te slapen tijdens de preek. De Marchie zei opmerkelijke dingen: Philippus stelt een hartzoekende voorwaarde, omdat een foute bekering erger kan zijn dan helemaal geen bekering. Bij zijn uitleg van de hartgrondige belijdenis van de kamerling gaf Du Marchie blijk van theologiehistorische kennis en voegde een paar woorden toe: "Ik geloof dat Jezus de Zoon van God is, één in wezen met de Vader". Het was zonder meer duidelijk dat Du Marchie ontologisch dacht en niet joods of semitisch. Bij het vierde punt gaf De Marchie blijk van een interessante schriftbeschouwing. "Wij zouden denken dat na de bekering de doop niet meer nodig is. Maarzo redeneert Philippus niet, want daar denkt Philippus veel te schriftuurlijk voor: Woord en sacrament, zo weet hij, horen bij elkander." In de Schrift denkt men dus ook al schriftuurlijk, concludeerde Piet. Wat was het verschil tussen deze visie en die van Dekker, dat de bijbel een joods boek is en dat de bijbelse figuren dus allemaal joods denken? De preek maakte nieuwsgierig naar de gedachtewereld van Du Marchie van Voorthuijsen. Nog diezelfde zondag probeert Piet hem te bellen met het verzoek om eens te mogen praten. Maar er werd niet opgenomen. Du Marchie deed aan zondagsheiliging. Na een paar dagen lukte het wel. Een week later zat hij bij Du Marchie op de studeerkamer. Piet probeerde het gesprek bij de preek te houden, maar dat lukte niet erg. Op zijn tegenwerping dat de door Philippus gestelde voorwaarde en de door de kamerling afgelegde belijdenis in de nieuwe vertaling tussen haakjes waren gezet, omdat die kennelijk niet in de meest betrouwbare handschriften stonden, reageerde Du Marchie met: "De nieuwe vertaling? Mijn hele leven lang hoop ik tegen dat vergif te mogen blijven waarschuwen! Wie hebben in die commissies gezeten? Een stelletje dolerenden, en dan die crypto-communist Beek! Ongezalfde, goddeloze mensen! De Statenvertaling is tot stand gekomen in de bloeitijd van de Reformatie, vlak na de Dordtse Synode. Dan geeft de Heere geen onbetrouwbare handschriften, maar de meest betrouwbare handschriften die er zijn". Aan de dolerenden bleek Du Marchie inderdaad een bijzondere hekel te hebben. In zijn preek had hij al gewaarschuwd dat, toen Philippus aan de kamerling de betekenis uan de doop uitlegde, "hij hem niet den dolerenden doop, veronderstelde wedergeboorte, leerde".
Du Marchie bleek niet erg in kwesties als de triniteit te zijn geïnteresseerd. Daarover praatten naar zijn mening de mensen die meer "godgeleerd" dan "van God geleerd" waren. Van theologiseren had Du Marchie een afkeer, waarschijnlijk, omdat hij zich op dat terrein onzeker voelde. "Als doctor Berkhof hier met mij zou zitten te praten, dan zou hij mij theologisch van de ene hoek in de andere drijven. Maar dan zou ik hem op een gegeven moment één vraag stellen, en die zou aan al dat getheologiseer een einde maken: '"Zijt gij door Christus beroerd geworden?." De dogmata van de kerk moesten uiteraard allemaal worden beaamd, maar het ging uiteindelijk alleen maar om de dubbele predestinatie: op welke lijst stond je, op die korte die tot de zaligheid leidde, of op die veel langere, die in de hel zou eindigen? Toen Piet vertelde dat volgens de uitverkiezingsleer van Barth alle mensen uitverkoren zijn, riep Du Marchie in ontzetting uit: "Dit is erger dan remonstrantisme, dit is erger dan remonstrantisme, en daartegen zeiden onze vaderen al ite, ite!" Barth was volgens hem een warhoofd, die beter filosoof had kunnen worden, zich in ieder geval niet met godgeleerdheid bezig moest houden. Du Marchie speelde ten aanzien van Piets eeuwige toekomst open kaart: "U bent door de voorzienigheid op mijn weg geplaatst. U kunt op de jongste dag, als wij samen voor de rechterstoel van Christus staan, niet zeggen, dat u niet wist wat de waarheid is. Ik zal dan in ieder geval tegen Christus zeggen dat ik, toen u bij mij was, geen theologiserend praatje met u heb gevoerd, maar dat ik u heb gewezen op die ontzaggelijke eeuwigheid". "Zou Du Marchie werkelijk geloven dat er op de jongste dag nog pogingen worden gedaan om zichzelf er uit te liegen, en dat God er nog op moet worden gewezen dat mensen dat proberen te doen?", dacht Piet toen hij dat hoorde. Hij trachtte Du Marchie mild te stemmen door te zeggen dat hij wel in de Institutie van Calvijn had gelezen. Maar dat kon volgens Du Marchie niet als verzachtende omstandigheid in aanmerking worden genomen. Er waren zelfs nog belangrijkere theologen dan Calvijn. "Heeft u wel eens in de oude schrijvers gelezen?" vroeg Du Marchie. Hij was niet verbaasd over het ontkennende antwoord en zei: "Het is al een genade om die te mogen lezen". Wat de mogelijkheid om in de hemel te komen betreft, zette Du Marchie de deur toch nog wel op een kier: "U gaat naar de hel, tenzij u bekeerd wordt. Die kans is er, maar hij is niet groot". Het gesprek eindigde op een vrij positieve manier. Du Marchie stak zijn hand uit en zei: "Meneer Meiling, ik wens u sterkte in die ontzaggelijke eeuwigheid". "Mijn grootmoeder is kennelijk niet de meest orthodoxe inwoner van Nederland", dacht Piet toen hij naar Ruimzicht terugfietste.'

V.D.G.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 maart 2002

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Globaal bekeken

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 maart 2002

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's