De eed in de Heilige Schrift [7]
Publiek belijden
Publiek belijden We zagen dat bij het afleggen van de eed de naam van God openbaar beleden wordt. Zowel wanneer voor het gerecht de eed wordt afgelegd door een getuige, alsook wanneer bij de aanvaarding van een openbaar ambt door een kamerlid gezworen wordt is dat verbreiding van Zijn naam. Hij is de eeuwige Getuige der waarheid in rechtsgedingen. Hij is ook de eeuwige Koning mensen als regeerders aanstelt op aarde. Hij is het waard genoemd, beleden en geprezen te worden. We zagen al dat de toestemming van de overheid om in plaats van de eed de
Het kan moeilijk worden wanneer de eed op de grondwet van een staat in spanning komt te staan met het onderhouden van Gods geboden. Dan zal voor de christen-politicus de wet van God boven alles uitgaan en gelden.
Soms wordt zo een op zijn best nog gedoogd. Hij kan pogen de wet te doen veranderen. Maar het kan zo gaan worden dat we net als in de tijd van de oud-christelijke kerk bepaalde overheidsambten niet meer door de christen kunnen worden uitgeoefend. De naam des Heeren mag en moet ons boven alles lief zijn.
De eed in de kerk
In het jawoord bij de doop van onze kinderen, uitgesproken bij de openbare belijdenis en bij de aanvaarding van een kerkelijk ambt, zit iets tweevoudigs.
Daar is de door Hem bewerkte en gegeven vrijwilligheid om de Heere te dienen zoals bij de roeping van Jesaja 'zend mij'. En daar is ook de vraag van de kerk die mensen stelt voor Gods aangezicht.
De eed hoort thuis op het terrein van de algemene genade, ter beteugeling van de leugen in de samenleving door God. De eed hoort niet thuis op het terrein van Gods bijzondere genade, in de kerk.
de kerk. Vandaar ook dat wijlen ds. W. L. Tukker in zijn catechismusverklaring 'Om treurigen te troosten' duidelijk onderscheid maakt, aarzelt en voorzichtig is. 'Mogen de overheid en het gericht van onderdanen en getuigen de eed vorderen, de kerk mag dat in zekere zin vragen van haar leden'. Zo wordt men op verschillende wijze dienaar van God. Hij ziet toe op de trouw pag. 182-184. Laat ook ons gegeven jawoord ons heilig zijn.
Een misverstand zij intussen even rechtgezet. Nimmer hebben we als ambtsdragers een of andere kerkorde ondertekend. De Schrift is onveranderlijk. De belijdenis van de Kerk is in de weg van de strijd geboren, maar door de vaderen nimmer op één lijn met, laat staan boven Gods Woord gesteld. Gravamina mochten dan ook worden ingediend langs de geordende, kerkelijke weg. Die zijn onbestaanbaar als het gaat om de Heilige Schrift. Maar een kerkorde ondertekenen kan niet, deze kan immers vele malen ook gewijzigd worden en dat is ook herhaaldelijk geschied.
Wel hebben we als dienaren van het Woord in de Nederlandse Hervormde Kerk artikel 10 - over het belijden van de Kerk - van de huidige, sedert 1951 geldende kerkorde ondertekend, ons plechtig vooraf voorgelezen. Daar zullen we ons aan hebben te houden. Deze belofte zal ons als een eed heilig zijn. Maar nimmer is aan ons een eed op de kerk gevraagd of door ons afgelegd. Dat zou ook heel vreemd zijn. Op welke kerk doen we een eed? Is die kerk de Kerk van God. Verlating van Deze leidt tot eeuwige ondergang. Wie zou zo hoogmoedig zijn te beweren dat dit ook van toepassing is op 'zijn 'of'haar' kerk? Dat zou een goddeloze vereenzelviging zijn en niet minder dan afzichtelijke kerkelijke hoogmoed.
Een uit een der afgescheiden kerken afkomstige broeder die later ouderling in een hervormde gemeente werd, getuigde op zijn sterfbed dat de 'ambtelijke jaren in die gemeente en kerk de meest vruchtbare van heel zijn leven -alleen door Gods genade - geweest zijn.
Wijlen ds. J. van Sliedregt schrijft in 'Mijn wet in uw binnenste' in de behandeling van Zondag 34-44 dat de eed op het terrein van de kerk niet afgenomen wordt zoals we die op dat van de overheid kennen. Wel als het gaat om de zaak die de eed bedoelt, om trouw en waarheid te bevestigen. De vorm bij het zweren van de eed gebruikelijk ontbreekt, er worden geen twee vingers van de rechterhand opgestoken.
En dan vervolgt hij met 'zoals reeds gezegd is, de eed mag en kan op het erf van de kerk niet voorkomen. De eed is er om der zonde wil. Ook in het Rijk der heerlijkheid zal er geen plaats voor de eed zijn. In de kerk is, anders dan in de samenleving, in beginsel het Godsrijk reeds aanwezig, in de heerschappij van Christus door Zijn woord en Geest in de harten van de gelovigen. En vandaaruit is het te verstaan dat ook op het erf van de kerk voor de eed geen plaats is', zie verder blz. 139 en 140.
Mij dunkt, behartenswaardige woorden, het nader overdenken en betrachten alleszins de moeite waard. Ik sluit af. Ik hoop dat deze bijdragen iets hebben laten zien van de zin en inhoud van de eed in en naar het onderwijs van de Schriften.
W. CHR. HOVIUS, APELDOORN
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 maart 2002
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 maart 2002
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's