Het gesprek over de prediking
TAAK VOOR DE OUDERLING [3]
De vorige keren
We hebben ons eerst beziggehouden met de hoorder van preken als gesprekspartner in het gesprek met de voorganger over diens concrete prediking. We hebben de hoorder als het ware in stelling gebracht. Of beter gezegd, in positie gebracht. Want 'in stelling gebrachf klinkt mogelijk wat te bedreigend, te agressief. Dat is nu juist niet te bedoeling. Echter, enig zelfbewustzijn lijkt de hoorder zich wel eigen te moeten maken om zichzelf als gesprekpartner te zien.
Vervolgens zijn we ingegaan op de plaats van het gesprek. Als het gesprek er niet zoveel toe doet, wat is dan de waarde of betekenis ervan? Zouden we ons de moeite dan wel willen getroosten? Maar daar lijkt toch weinig misverstand over te bestaan. Het gesprek in allerlei soorten en maten blijkt juist na(ast) de prediking in het leven van de gemeente een belangrijke plek te (kunnen) hebben. Ik eindigde de vorige keer met een korte impressie van gesprekken over de prediking in het kringwerk. Hoewel niet eenvoudig bleken ze wel leerzaam en onthullend, maar ook onthutsend soms. Toch was het ook zo dat sommigen intenser leerden luisteren, omdat we van onze gesprekken leerden.
Nu was het mij van het begin af te doen om het gesprek tussen voorganger en ambtsdragers, met name de ouderlingen, over de prediking. Ik zal nu eerst een paar voorbeelden geven, die ik weliswaar verzonnen heb, maar niet uit de lucht gegrepen. Ze lijken me heel herkenbaar. Daarna kom ik op datgene wat volgens mij voor zo'n gesprek nodig en belangrijk is om tot een goed gesprek te kunnen komen.
Voorbeeld: een technisch probleem?
We kennen allemaal het volgende probleem als ambtsdragers. De preek was een pastoraal bewogen preek. Geen twijfel over. En de stellige indruk van de dienstdoende broeders is dat vele kerkgangers er veel aan hebben gehad. Geen probleem dus. Alhoewel, op weg naar huis napratend bemerken twee broeders dat ze vragen hebben. Het komt eigenlijk hier op neer. Wat had deze pastoraal bewogen preek nu toch precies met het Schriftgedeelte en de tekst die voor de preek gekozen was te maken? Is de relatie tussen tekst en preek werkelijk zo belangrijk? Meestal vinden we van wel. Maar hoe los mag of hoe vast moet die relatie dan zijn? En als (bijna) iedereen er nu zoveel aan gehad heeft, waar hebben we het dan over?
Voorbeeld: vooroordelen?
Neem het volgende voorbeeld. Een van de kritieken op de hoorders is dat ze niet over preken praten (deden ze het maar) maar over predikers. Ze spelen niet de bal maar de man. En dat is niet sportief. Ze praten altijd over dominee zus en over dominee die en die. En dat is niet goed, zo heet het. Het gaat immers niet om de dominee, dus moet het ook niet over de dominee gaan. Ik vind dat een merkwaardig misverstand. Natuurlijk praten wij hoorders over de dominees. En daar is op zichzelf niets mis mee. Voetbalfans praten nooit alleen maar over het spel, maar ook over de spelers, of ze wel of niet in vorm zijn bijvoorbeeld. Wie naar een toneelstuk gaat, is niet alleen geïnteresseerd in het verhaal met de opmerking dat de acteurs er niet toe doen. Trouwens, dichter bij huis, er isf geen evangelie los van de persoon van de evangelist; mede daarom hebben we verschillende evangeliën. Er is geen brief los van de persoon van de apostel. We spreken niet over het werk van Christus los van Zijn persoon. Ik denk met andere woorden dat hoorders intuïtief de (inbreng van de) persoon van de prediker serieuzer nemen dan menige prediker zelf lief is of nodig acht. Maar hoe breng je dat nu ter sprake?
Voorbeeld: wie heeft gelijk?
Een broeder vertelt mij het volgende. Hij heeft een gesprek gehad met een broeder uit een andere gemeente. Het ging over de prediking. Deze broeder had nogal uitgepakt. Wat er allemaal niet deugde. De broeder die het mij vertelde had al pratend het gevoel gekregen dat het een soort van competitie en opbieden werd in dat gesprek. Hij had zich moeten verdedigen op een manier waarover hij zich helemaal niet goed voelde. Hij zat ermee. Wat was er nu gebeurd? Vanwaar die sfeer? Waarom deze competitie en ergernis? U vermoedt wel, er zouden nog vele voorbeelden te geven zijn.
Wat voor gesprek zou nu toch het beste zijn? Wat valt daar over te zeggen? Daarvoor is nodig dat we ons een paar dingen realiseren. Waar moeten voorganger en hoorders, met name ouderlingen, verdacht op zijn? We praten over de preek. In de eerste plaats wordt het preken, het maken van preken, gekenmerkt door allerlei aspecten en vaardigheden die ik nu maar samenvat in het woord 'ambachtelijkheid'. Het is een kunst, die de voorganger zich met veel studie en oefening eigen kan maken. De een is daarin meer begaafd dan de ander. Daar is geen twijfel over. Men kan als voorganger niet maar doen waar men zin in heeft. Dan houdt men zich niet aan de regelen der kunst. Er zijn bepaalde technieken en regels die men toepast en waaraan men zich binnen een bepaalde bandbreedte moet houden. Anders is het geen preek meer, maar een lezing of een ander soort praatje. En dat alles, niet te vergeten, vanuit het perspectief van geloven en geestelijke oefening. Dat hangt met elkaar samen.
Maar daar komt nog weer een aantal aspecten bij. Ik bedoel de psychologische aspecten, de achtergrond en de ontwikkeling van de voorganger, de omstandigheden van zijn leven. Van de hoorder geldt ondertussen iets vergelijkbaars. Horen is een hele kunst. Waar en hoe wordt die eigenlijk geleerd? Het hoe en het wat van het horen is veel minder omschreven en lang zo duidelijk niet. Maar het is een kunst, een vaardigheid, die met bijbelstudie en oefening geleerd wil worden, én door er veel over te praten. De een is er begaafder in dan de ander. Horen van het Woord kan niet naar eigen willekeur. En ook hier geldt het perspectief van geloven en geestelijke oefening in combinatie met psychologische aspecten, achtergrond en ontwikkeling van de hoorder.
Voor een goed gesprek is minimaal nodig dat de deelnemers van deze dingen besef hebben en er enig inzicht in hebben. Dat red je zeker niet met één keer per jaar een gesprek. Dat besefis nodig om zich te realiseren dat simpele ideeën geen pas hebben; een preek is niet een kwestie van de tekst uideggen en horen is niet een kwestie van uitgeslapen zijn. Zodoende zullen de gesprekpartners waar nodig elkaar moeten informeren over deze aspecten. Anders zal er veel onduidelijk blijven, waardoor er een te smalle basis blijft voor wederzijds begrip. Je moet met andere woorden wel inzicht hebben (en willen werken aan dat inzicht) in waarover je het met elkaar hebt. Dit is echter niet voldoende. Want men kan zulke dingen allemaal meer of minder weten en intuïtief aanvoelen dat ze belangrijk zijn, er is ook zelfreflectie, zelfonderzoek zó u wilt, nodig voor zo'n gesprek. Waarom? Omdat ook als men van alles, van de hoed en de rand, weet, dan speelt daarin nog van alles mee en door wat niet zo makkelijk te beredeneren valt en op voorhand toch ook niet zo duidelijk is. Zonder zelfreflectie heeft men daar geen besef van en realiseert men zich de effecten ervan in het gesprek nauwelijks. We hanteren allerlei aannames, gewoonten, vooroordelen, noem maar op. Dat is op zichzelf niet erg, het is de realiteit. Maar aangezien ons spreken niet alleen maar gebaseerd is op beredeneerbare zaken, ook al lijkt het nog zo logisch of vanzelfsprekend, is er zelfreflectie nodig.
Vervolgens is het nodig dat de een zich duidelijk maakt aan de ander, en de een de ander probeert te begrijpen. Het gesprek over de prediking tussen voorganger en ambtsdragers is geen debat. Het is zeker geen (wed)strijd. Het zinnetje: dat staat er toch, werkt menig keer als een fluitsignaal van een
scheidsrechter: nu kan de wedstrijd beginnen, óf er gebeurt na deze woorden helemaal niets meer. Het is ook niet gewenst dat de een de ander probeert te overtuigen van zijn gelijk, zodat er aan het eind een winnaar en een verliezer is. Integendeel, dat bederft het gesprek alleen maar. De argumenten die ik hier beoog, zijn bedoeld om zichzelf te verduidelijken en om redenen, motieven en gevoelens te verhelderen, zonder de pretentie of drang beter dan de ander of superieur te zijn. Het is geen politiek, het is een geestelijk gesprek. Natuurlijk veronderstelt dat enige communicatieve vaardigheden, maar dat laat ik verder rusten. Het gaat me om deze drie aspecten die nodig zijn voor een goed gesprek: inzicht, zelfonderzoek en een niet-competitieve stijl van argumenteren.
De voorbeelden nog een keer
Mijn drie voorbeelden illustreren een en ander. Het eerste lijkt te gaan over kennis van zaken. Hoe zit het nu? Maar dat is het natuurlijk niet alleen. Het gaat natuurlijk ook over (onuitgesproken) verwachtingen en bijvoorbeeld over (onuitgesproken) ideeën over wat goed is voor een gemeente. Dat kan allemaal meespelen. Het gaat om inzicht. Het tweede gaat over zelfreflectie bij voorganger en hoorder over eigen oordelen en vooroordelen jegens de ander; de persoon in het geding. Het derde gesprek mislukte in feite omdat het een uitgesproken competitief gesprek werd, tot grote ergernis van de vermoedelijke verliezer.
Tot besluit
Een stevig debat op z'n tijd is niet verkeerd. Maar de neiging (drang) om elkaar te overtuigen (bijvoorbeeld omdat de een nu eenmaal meer 'weef dan de ander) zal vrij makkelijk kunnen ontsporen in een emotionele twist en heftigheid naast onnodige competitie (wie heeft gelijk!) of kunnen leiden tot een uit de weg gaan van het gesprek. Mijn zorg is nu dat juist vanwege deze risico's het gesprek gemeden wordt. Of dat als het een keertje niet helemaal goed verlopen is de neiging ontstaat om het er maar bij te laten. Dat is zeer te betreuren en onnodig. De aspecten die ik hiervoor noemde, kunnen uitkomst bieden. Het gesprek met de voorganger over de prediking is niet bedoeld om te debatteren, maar om te leren. Bij debatteren komt algauw iets om de hoek van emotie, op het gemoed werken, autoriteit, slimmigheid, de suggestie van hogere ontwikkeling of intelligentie, noem maar op. Ervaring leert dat zo'n gesprek af en toe wel leuk is, maar doorgaans niet veel oplevert of verder helpt dan de beruchte hete hoofden. Daarvoor is de prediking toch te hoog.
Maar om het gesprek dan maar te laten? Het eerste doel is niet de ander te overtuigen van dit of van dat, maar om zichzelf beter te verstaan en zichzelf beter te verstaan te geven, elkaar beter te begrijpen en samen een leerzame weg te gaan. En zo'n (voortdurend) gesprek zal nu juist, zo is mijn verwachting, de relatie en het gesprek tussen voorganger en hoorder(s), met name de ambtsdragers kunnen verdiepen, het begrip voor eikaars ideeën en overtuigingen aangaande de prediking doen groeien en de kwaliteit van de communicatie in (s)preken en horen verhogen. De status van het gesprek mag dan niet altijd even duidelijk zijn, het is wel de gelegenheid bij uitstek om in het wisselen van onze woorden het Woord met elkaar te delen.
P. J. VERHAGEN, HARDERWIJK
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 maart 2002
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 maart 2002
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's