In memoriam ds. Jac. van Drenth 1921 - 2002
In ds. Co van Drenth is ons een predikant ontnomen met een sterke eigen persoonlijkheid, oprecht en praktisch, situaties onmiddellijk doorziend en ook in staat daar woorden aan te geven. Ik zou niet direct iemand weten om hem mee te vergelijken, zeker niet in de kring van de predikanten. Bovendien was hij te allen tijde zichzelf, niet uit op bevallen in de ogen van mensen, of op eigen eer of reputatie: die waardering kwam vanzelf los bij hen die hem leerden kennen, zijn beleid meemaakten, zijn prediking hoorden. Wanneer je iemand van jongs af hebt gekend en meegemaakt, zie je de lijnen lopen. Ds. Van Drenth was, zoals gezegd, praktisch en levenswijs, maar bovenal voorzien van geestelijk inzicht in dingen. En hij is nooit gewend geweest dit inzicht onder stoelen of banken te steken. Maar achter zijn, nooit scherpe maar altijd zakelijke, manier van de waarheid zeggen, school een diepe liefde voor mensen: nooit sprak hij vanuit meerwaarde of agressie. Toch is dat op zichzelf best confronterend, maar het is opvallend hoe weicentueert ten koste van de religieuze aannig vijanden hij maakte: eigenlijk alleen diegenen die dingen te verbergen hadden of, onuitgesproken, wisten dat ze doorzien waren, of wier gevoel van eigendunk was doorgeprikt.
Een van zijn grondeigenschappen was: trouw. Kerkelijke vergaderingen waren er niet voor niets, en wanneer ze in aantocht waren, was Co degene die in de telefoon klom, vooral in zijn Ooltgensplaatse tijd, toen de grote brug er nog niet was, om te vertellen dat er nog geen pont over het Haringvliet vergaan was, en wanneer collega's soms klaagden over hun gemeente - komt voor! - vroeg hij gewoon waarin de mensen bij die ander dan groter zondaars waren dan bij hem, en of je soms zelf een uitzondering was, en datje dus het beste als allen zondaar met elkaar verder moest kunnen, en dus ook niet te beklagen was. Waar dat begrepen werd, luchtte het op. Alleen, niet ieder houdt van klare taal, wanneer hij daarin ook zelf voorkomt. Ds. Van Drenth wan een man met de nuchterheid van de wijsheidsboeken uit de Bijbel, die ook alle Christus als achter- en ondergrond hebben, en had bovendien de gave daar woorden aan te geven. Hoe wonderlijk het klinken moge: dat maakt een mens ook mild. Wie in de fout ging, vond hem tot het einde toe, niet bedekkend maar wel beschermend, aan zijn kant, maar wie verkeerd wilde, kreeg dat onomwonden maar nooit scherp te horen. Vele aanvankelijke tegenstanders zijn dan ook later zijn vrienden geworden.
De jonge kandidaat Van Drenth, geboren 1921, was eerst in de, nu helaas afgebroken in plaats van gerestaureerde wijk C, de omgeving van de Utrechtse Jacobikerk, een paar jaar hulpprediker. Onder dat volk voelde hij zich thuis, kon hij uit de voeten. Daar onstond ook de band van diep en wederzijds respect met zijn leermeester, mijn vader, die een leven heeft stand gehouden, en een ander soort band met het meisje dat door de uiteraard levensgevaarlijke Utrechtse straten van 60 jaar geleden 's avond achterop de fiets moest worden thuisgebracht: Fem Tichelaar. Beiden afkomstig uit het trouwe Utrechtse milieu werden ze een
heel gelukkig stel. In 1946 riep Waverveen hem. Tot kort voor zijn heengaan wist hij de namen nog van zijn gemeenteleden daar, en sprak hij er met liefde over. Na vijf jaar, het was toen de tijd van de vele beroepen vooral uit de ie gemeente, riep hem Ooltgensplaat, het 16e beroep: ik was er bij toen hij het hoorde, en hartgrondig zei: 'Alweer? dat nooit!'
Op het eiland werd de naam van ds. Van Drenth voor een periode van elf jaar niet slechts een bekende, maar een begrip. Er is geen gemeente waar hij geen consulent van is geweest: het predikantentekort uit die tijd maakte dat mogelijk. Hij oogstte waardering en vertrouwen. Zijn prediking was doorwrocht, gespeend van dooddoeners, en werd begeleid door liederen uit het psalmboek die tot verbazing der aanschouwers er ook in bleken te staan, en direct op het gepredikte woord betrekking hadden. Oneerlijkheid gedoogde hij niet, onrecht liet hij niet lopen, en op het eiland zei men: je kunt hem wel pakken, maar hij pakt je wel terug. Eigenlijk zijn de jaren in de Plaat het hoogtepunt geweest van zijn ambtsbediening, waarover hij in zijn ouderdom nog graag sprak: met kennis van zaken en (nog) van mensen.
Geen wonder dat toen er een industriepredikantschap gesticht werd in Ede, ds. Van Drenth een eerste keus was. Het werden bijzondere jaren: van contacten op de werkvloer maar ook in de directiekamer, van gesprekken met kennis van zaken gevoerd, waarin de intelligente prakticus Van Drenth zijn hart ophaalde, en velen persoonlijk nabij was. Toen op den duur de financiƫle basis aan de stichting ontviel, deed hem dat pijn, maar het maakte hem niet bitter. Integendeel: 'Het is toch een gave dat een gemeente als Giessen-Rijswijk mij na dit alles nog hebben wil? ' En zo ging hij, in de wetenschap dat al zijn voorgangers onder de last van deze dubbelgemeente bij tijden bezweken waren. Een scherpe tijdsindeling bewaarde hem daar echter voor. En hij zou zichzelf niet geweest zijn wanneer hij niet aan de hand zowel van het te verrichten werk als van cijfers had voorgerekend dat beide gemeente er in de toekomst beter van zouden worden, afzonderlijk te gaan. Ze zijn er tot de dag van vandaag dankbaar voor.
Het was ook een moeilijke tijd. Familieleden vielen weg aan die satanische kwaal waarvoor nog geen kruid gevonden is, en Co bezocht ze trouw. In het geloof heeft daar ook zijn lieve vrouw het leven moeten leren loslaten, en hij haar. In later tijd is zijn tweede huwelijk hem tot grote troost geworden, en zo hebben zij het beiden nog vele jaren beleefd.
Als emeritus predikant te Ede kwamen na een aantal jaren de moeiten. De watersnood uit 1953, en de massabegrafenis in Oude Tonge, en zijn ziekte juist in die tijd en de vele spanningen, hebben hem niet tot een stukje inleveren gedwongen dat in later tijd voelbaar werd. Maar, met zijn vrouw naast hem in Ede, en vanuit zijn wekelijkse gang naar de Bethelkerk, en zijn leven bij het Woord, vond hij de kracht tot verder gaan. Totdat er- medisch ingegrepen moest worden en zich daarna complicaties voordeden die ook ons niet meer deden verlangen naar een langer leven op aarde voor hem. Wij gaven hem in Gods handen, ook samen, zoals hij het bewust ook zichzelf deed. En zijn vrouw - de Heere trooste haar - stond hem af aan hun God.
Moge de Heere ook de kinderen en hun gezinnen heel nabij zijn: ze hebben iets heel moois van thuis meegekregen, en Co hing zo aan hen... En de gesprekken met hem bewaren zijn vrouw, zijn vrienden, wij, als een kostbare herinnering: een belijdenis in korte, echt Co, praktische zinnen, veelal ook uit onze catechismus, waarin hij heel zijn toekomst besloten wist. Op 19 maart 2002 begroeven we hem, tot de dag van de opstanding. Wat is er dat we elkaar beter of meer gunnen kunnen? Het mag ook de troost zijn van zijn vrouw en kinderen.
S. MEIJERS, ZEIST
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 maart 2002
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 maart 2002
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's