Gij richt de tafel toe
BELIJDENIS DOEN EN AVONDMAAL VIEREN
Alle dingen zijn gereed
Broeders en zusters... U hebt een dezer dagen - of al veel langer geleden - ja gezegd tegen God, met de gemeente van Christus om u heen als getuige. Het kwam uit uw hart. Hoe ik dat weet? Ik wil mij graag houden aan de belijdenis, de spreekregel van de Kerk.
Ouer degenen die hun geloof uiterlijk belijden (...) moet men naar het uoorbeeld der Apostelen het beste oordelen en spreken (D.L. III-IV, 15).
Welnu, uwjawoord klonk in de kerk... klom voor Gods heilig aangezicht. Het geloof dat u daarmee beleed, heeft als basis Gods 'ja', verzegeld in uw doop. Heeft tot inhoud uw Heiland te belijden en te volgen in leven en sterven. Draagt vrucht in dagelijkse bekering. Tot dit laatste behoort zonder meer: getrouw te zijn onder de bediening van het Woord en de sacramenten. Slechts een enkele stap verwijderd van de plek waar uw ja hoorbaar werd, staat de avondmaalstafel. Een stille herinnering aan uw belofte.
Zonder dat iemand iets zegt, komt het me voor dat uw God en Heiland hiermee zeggen wil: Kom, want alle dingen zijn nu gereed. Immers het uur van geloofsbelijdenis betekent niet 'pas op de plaats maken'. Hoe nu verder? In de geest van het Woord van God ooit en eens tot Elia, de krachtfiguur onder Israëls profeten, gericht: 'Sta op en eet, want de weg zou voor u te veel zijn'. De lijn van belijdenis naar Avondmaal dient een rechtstreekse verbinding te zijn. Vindt iemand dit te kort door de bocht, dan moet hij of zij zich nog eens rekenschap geven van wat u God beloofde.
Waarom Avondmaal?
Voor een antwoord op die vraag kies ik
toch voor een andere insteek. Graag wil ik uw belofte heel serieus nemen. Toch stel ik voor aan de andere kant te beginnen. Bij Gods belofte(n) aan u. De Heere zélf wil met ons verder. Het is Hem niet om 't even of u de stap naar het Avondmaal zet of niet. In dit verband gaan mijn gedachten uit naar het opschrift boven deze bijdrage, het bekende woord uit Psalm 23: Gij richt de tafel toe uoor mijn aangezicht. Machtig toch, overweldigend, vol van genade, dit ene woordje 'Gij'!
God heeft uit eigener beweging de hand in het klaarzetten van Zijn (avondmaals)tafel. Bijbels gezien gaat het niet om een uitvinding van mensen, niet iets door de Kerk bedacht. Onder het Oude Testament waren besnijdenis en Pascha inzettingen van God, geldig voor het héle verbondsvolk Israël. Voor de gemeente van Christus, het volk Gods in de nieuwe bedeling, gelden dienovereenkomstig de Heilige Doop en het Heilig Avondmaal als goddelijke instellingen.
Hebt u iets van de betekenis van het woordje 'Gij' begrepen, dan ziet u in dat Doop en Avondmaal zowel een geschenk als een opdracht van Christus aan Zijn verbondsgemeente zijn. Toegespitst op het Avondmaal, gaat het niet aan om het 'Gij' opzij te schuiven, uw eigen gang te gaan, naar eigen inzichten te werk te gaan. Wanneer u uw geloof beleden hebt, kunt u God toch niet verlegen met Zijn toegerichte tafel laten staan? Er toch niet aan voorbij lopen?
Geschenk en opdracht
Wanneer we het Avondmaal een geschenk van onze God en Vader noemen, dan stalt de Heere in de tekenen van brood en wijn het volle heil uit. Een tafel vol, een beker vol. Vol van Christus en Zijn volbracht werk. Een schatka-
mer vol verzegelde beloften, die ons spreken van vergeving van zonden, vrijspraak, heiliging van het leven, toekomstige heerlijkheid. Hemels brood en wijn. Jezus' verbroken lichaam en vergoten bloed voor onderweg. De kruisweg, de levensweg, de smalle weg. God wil dat u aan deze maaltijd deelneemt.
Christus' opdracht is: 'Doe dat - vier Avondmaal - tot Mijn gedachtenis'. Niet af en toe, maar uw leven lang. De gemeente van Christus moet deze instelling van Hem onderhouden, de eeuwen door. Totdat Hij komt!
Voor Zijn gelovigen
Bekend is de zinsnede uit ons Avondmaalsformulier, 'dat Christus het avondmaal alleen voor zijn gelovigen verordend of ingesteld heeft'. Geen woord te veel. Nu kun je het woord 'gelovigen' onderbelichten. Dat gebeurt wanneer je er vanzelfsprekend van uitgaat dat elk gemeentelid 'zomaar' aan het Avondmaal gaat. Zich er niet om bekommert of hij of zij wel oprecht gelooft, een geestelijke band met Christus heeft, of wil leven in overeenstemming met wat men belijdt. Doop, belijdenis, avondmaal verzanden dan in een traditionalistische trits. Zelfbeproeving is niet aan de orde. Het geloof is afwezig. De vorm mist de inhoud. Kort en goed, als de vergeving der zonden, de versterking van het geloof, de begeerte om de Heiland te volgen, niet gevonden wordt, hebt u aan het Avondmaal niets te zoeken. U bekeren is het enige wat overblijft. N v
Je kunt het woord 'gelovigen' ook overbelasten. De eisen om aan Christus' tafel te gaan zo buiten alle proporties opschroeven, dat niemand durft naderen dan op straffe van dood en oordeel. En zoiets komt veelvuldig voor binnen de gemeenten van reformatorische signatuur. Het antwoord op de vraag: 'voor wie is het Avondmaal ingesteld? ' kan dan beter luiden: voor de enkele super-gelovige, een i N
stuk of wat te goeder naam en faam bekendstaande bekeerde mensen in de gemeente.
Afgezien van beide extremiteiten blijft nu de vraag: 'Gelovigen', hoe vullen we dat begrip in?
Gelovigen in bijbels licht
De apostel Paulus kan ons, vanuit 1 Korinthe 10 : 1-5, aan het juiste zicht op de gemeente van Christus helpen. Hij trekt daar een parallel tussen Israël, het volk van Gods verbond, en de gemeente van Christus, met wie God eveneens een verbond heeft.
Deze gemeente is in haar geheel verbondsgemeente. Wie dit krachtens de Doop belijdt, kan nooit meer zeggen, dat God Zijn verbond alleen maar met de uitverkorenen heeft opgericht en dus niet met ieder lid van de gemeente. Anders gezegd: met ieder die gedoopt is. Immers kan niemand Gods verbond ontheiligen, als hij er niets mee te maken heeft. Helder toch! Niet uitverkoren betekent geen verbondskind. Dus je hoeft je ook niets van de tafel die God toericht, aan te trekken. Je hóórt er niet. Glashard.
Nee, nee, zegt Paulus, zo gaat het niet. Heel Israël, allen, zijn gedoopt in Mozes, in de wolk en in de zee. Allen, (heel Israël), hebben dezelfde geestelijke spijs gegeten. Zijn gevoed door manna, hemels brood. Allen mochten eten van Gods tafel in de woestijn. Niet eten betekende van honger steren. Dat was toen de consequentie van het minachten van Gods inzettingen. En als er dan staat dat het merendeel van Israël in de woestijn omgekomen is, dan kwam dat door hun ongeloof. Niet door de ontrouw van God.
Conclusie: ieder die tot de gemeente behoort krachtens het verbond Gods en krachtens zijn belijdenis, dient aan het Avondmaal te gaan. Hij schendt het verbond, als hij niet deelneemt aan de Dis des Heeren. In dezelfde mate als ieder die zonder oprecht geloof wel aan het Avondmaal gaat. Neem een voorbeeld aan Israël, zegt Paulus. 'Het
Avondmaal heeft op zich geen beschermende werking tegen Gods oordelen en straffen, maar het wegblijven van het avondmaal evenmin' (dr. J. van Beelen).
Relatie geloofsbelijdenis-avondmaal in reformatorisch licht
Dit onderdeel suggereert meer dan ik u in dit artikel bieden kan. In onze belijdenisgeschriften wordt er sterk de nadruk op gelegd dat voor deelname aan het Avondmaal een geloofsrelatie met Christus vereist is. Dat geldt ieder belijdend lidmaat persoonlijk. In de tijd van de Reformatie hoorde het Avondmaal helemaal bij het gemeenteleven. Hoe ligt dat nu met name in reformatorische kringen? Hóórt het Avondmaal erbij of hangt het erbij? Het antwoord is jammer genoeg niet moeilijk.
Voordat we ons weer eens beroepen op 'de vaderen', zouden we ons eerst moeten bekeren tot het geloof en de avondmaalspraktijk der vaderen. In hun tijd was niet deelnemen teken van ongeloof, afval. In sommige gevallen censurabel.
Calvijn beklemtoont dat Doop en Avondmaal beide hun plaats hebben en in de kerk thuishoren. Tot de gemeente des Heeren behoren en tóch niet aan de Tafel des Heeren deelnemen, is voor Calvijn iets ongerijmds. In zijn Catechismus van 1545 (Zondag 54) komt de vraag voor: 'Hoe moet men oordelen over één, die aan de sacramenten niet wil deelnemen? Antwoord: Dat zou inderdaad een verloochening van Christus zijn. Men kan hem niet voor een christen houden, • die, door zich zo te gedragen, weigert zich als christen te openbaren'. U vraagt: Zag men dan alle avond-
maalgangers als ware gelovigen? Dat maakt de kerk niet uit. Dat make iedere avondmaalganger in de telkens terugkerende zelfbeproeving met God uit. De naam 'gelovigen' staat in de reformatorische optie tegenover degenen die zich in hun belijdenis of leven als ongelovigen gedragen. Voor de Kerk is het voldoende dat wij tot haar leden behoren en ons ook als zodanig gedragen. In de reformatietijd heeft de Kerk zich nooit begeven op het glibberige pad van diepgaand gewetensonderzoek, dat vaak maatstaven aanlegt waaraan de speurders en keurders zelf op geen stukken na voldoen.
Een pastorale handreiking
Ter wille van onze nieuwe lidmaten - jongeren, ouderen - en ter wille van lidmaten die echt met de vraag worstelen of zij wel mogen naderen tot het Avondmaal, als tot de dood, het bloed en de gerechtigheid van Christus, een pastorale hartsterking.
Het niet deelnemen moet u even ernstig nemen als het wel deelnemen. Als u wel aangaat, vreest u het oordeel. Ik kan hier in dit bestek niet dieper op ingaan. Behalve dit, dat uw opvatting berusten kan op een verkeerd verstaan van 1 Korinthe 11. Kijk het nog maar eens na. Vreest u dan het oordeel niet als u afblijft? Is geen gehoor geven een uiting van geloof of ongeloof? Hiermee geef ik u het antwoord in de mond.
Als medicijn tegen deze diep gewortelde ongeloofsziekte dient het voorbeeld van de vader van de maanzieke jongen. Kniel voor Jezus neer en belijd opnieuw: Heere, ik geloof, kom mijn ongelovigheid te hulp. Aan de Tafel des Heeren komt u toch niet om uzelf te profileren, uw vroomheid en standvastigheid, of uw geloof te demonstreren. Nee toch? Wel om uw God en Vader te eren, die zo groot een liefde voor u uitspreidt, dat Hij met brood en wijn, de zwakken in het geloof wil versterken, de kleinmoedigen troosten. En ieder die zijn zaligheid buiten zichzelf in Christus zoekt, wordt bevestigd in het geloof in de eeuwige beloften van God, die om Christus' wil eeuwig mijn genadige God en Vader is. De toegerichte tafel is een verbondsmaaltijd, waarbij het gaat om de verbondenheid van de gemeente aan Christus, zijn vlees en zijn bloed, en aan zijn lichaam, dat is zijn gemeente.
H. VISSER, KATWIJK AAN ZEE
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 maart 2002
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 maart 2002
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's