Verzoening tussen kerken in Europa
CHARTA OECUMENICA
Op 18 januari jl. uond in de Geertekerk te Utrecht de onderte-kenin^ plaats uan de 'Charta Oecumenica'. Het werd ondertekend door vijftien vertegenwoordigers v Nederlandse kerken, verenigd in de Raad van Kerken. Voor de Rooms-Kath tekende kardinaal Simonis, uoor de SoW-kerken tekende dr. B. Plaisier. De Charta Oecumenica is een Europees document, tot stand gekomen in samenwerking tussen de Conferentie uan Europese Kerken (CEC) en de Raad uan Europese Bisschoppenconferenties (CCEE). De ondertekening in de Geertekerk maakt uan dit document dus een Nederlands gebeuren.
De Charta beoogt voor het nieuwe millennium de samenwerking tussen de kerken in Europa een nieuwe impuls te geven, met de bedoeling het spirituele erfgoed van het christendom een inspirerende kracht voor Europa te doen zijn. De Charta is min of meer een uitvloeisel van de tweede Europese Oecumenische Assemblee in Graz, Oostenrijk, in 1997 gehouden. Toen werd de aanbeveling gedaan om een gezamenlijk document uit te werken dat fundamentele oecumenische plichten en rechten bevat. In aansluiting hierop werd in de kringen van CEC en CCEE gesproken over het idee van een Charta Oecumenica als een middel om de verzoening tussen de kerken in Europa te bevorderen en daardoor ook de verzoening in Europa zelf te dienen.
Op een zitting in februari 1998 in Rome besloot het gemeenschappelijk comité van CEC en CCEE voor dit project een proces te starten. In dat kader kwam in oktober 1998 een door CEC en CCEE benoemde kleine werkgroep bijeen in Cartigny bij Genève, die na intensieve discussies een voorlopig ontwerp opstelde. Na bespreking in een grotere groep van kerkelijke vertegenwoordigers in april 1999 te Graz werd daarna de ontwerptekst vastgesteld. Nadat de diverse lidkerken gelegenheid hadden om opmerkingen te plaatsen en nadat deze verwerkt zijn geworden, is de eindtekst vastgesteld in Straatsburg op 22 april 2001.
Bereidheid tot omkeer
Wat de inhoud van de Charta betreft staan er zeker goede dingen in. Er wordt gesproken over het Evangelie van Jezus Christus volgens het getuigenis van de Heilige Schrift en zoals het tot uitdrukking komt in de oecumenische geloofsbelijdenis van Nicea- Constantinopel (381). Hiermee wordt geloof uitgesproken in de Drie-ene- God: de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Tegelijk wordt ermee beleden de 'ene, heilige, katholieke en apostolische kerk".
We vernemen over het samen luisteren naar Gods Woord in de Heilige Schrift. Ook wordt geschreven dat de oecumene leeft van het gezamenlijk luisteren naar Gods Woord en de werking van de Heilige Geest in ons en door ons. Er wordt gezegd dat Jezus Christus ons aan het kruis zijn liefde en het geheim van de verzoening heeft geopenbaard. Men heeft het over besef van eigen schuld en bereidheid tot omkeer en dat oecumene voor christenen begint met de vernieuwing van het hart en de bereidheid tot boete en omkeer.
Uiteraard wordt ook de bekende tekst uit Johannes 17 : 21 aangehaald namelijk 'dat ze allen één mogen zijn. Zoals U, Vader, in mij bent en ik in U, zo moeten zij in Ons zijn, zodat de wereld kan geloven dat U mij hebt gezonden'.
Ondertussen an wordt erkend dat men er olieke met deze Kerk Charta nog niet is. Daarom moeten de inspanningen voor het bereiken van een consensus in het geloof worden voortgezet. Want zonder eenheid in geloof is er geen volledige gemeenschap van kerken. Immers, tegenstellingen in de leer, in ethische vraagstukken en kerkrechtelijke bepalingen, hebben tot kerkscheuringen geleid. Daarom wil men onderzoeken welke uitkomsten van de dialoog officieel door de kerken bindend verklaard kunnen en moeten worden.
Hoewel vaak wordt gesproken over het aangaan van wederzijdse verplichtingen, heeft de Charta geen leerstellige status of kerkjuridisch karakter. Het bindend karakter bestaat veeleer in de verplichting die de Europese kerken en oecumenische organisaties zichzelf opleggen. Immers, verschillen in geloof verhinderen nu nog de zichtbare eenheid. Er zijn verschillende opvattingen, vooral over de kerk en haar eenheid, over de sacramenten en de ambten.
Hoofdverschil
Na deze wat globale weergave van enkele inhoudelijke zaken van de Charta willen we nu enige evaluerende opmerkingen maken. We beginnen met de verschillen waarvan erkend wordt dat die er nog zijn. Ze worden benoemd als gaande over de kerk en haar eenheid, over de sacramenten en de ambten. En daarin zal ongetwijfeld de rooms-katholieke kerkopvatting meespelen. Want Rome ziet de eenheid uiteindelijk toch als iets waarin we allen 'onder de paus terechtkomen'.
Daarom kan en wil Rome nog steeds de kerken van de Reformatie niet als kerken erkennen. Zij staan immers los van de apostolische ambtssuccessie, dat wil zeggen los van de ononderbroken opvolging van de ambtsdragers, begonnen met Petrus. Dus ook de ambten in de reformatorische kerken kunnen bij Rome geen echte erkenning vinden. Dat de Reformatie de Woordsuccessie in de plaats van de ambtssuccessie heeft gesteld, vindt bij Rome dus geen waardering. En met Woordsuccessie bedoelt de Reformatie het doorgeven van het zuivere Evangelie.
Het is dan ook onbegrijpelijk dat de Charta het verstaan van het Evangelie niet als kerkscheidend verschil noemt. Zeker, de andere genoemde verschillen bestaan ook. En als een protestant werkelijk protestant is, zal men dat ook erkennen. Doch het hoofdverschil is stellig toch altijd geweest het verstaan van het Evangelie. En dat hoofdverschil bestaat nog. Althans wat de officiële rooms-katholieke leer betreft, waarbij we niet spreken over het geloof van afzonderlijke rooms-katholieke mensen.
De officiële rooms-katholieke mensopvatting is toch immers nog steeds die van het semi-pelagianisme. Een opvatting die aan de menselijke inbreng een zekere verdienste toekent voor het zaligworden. Een optimistische mensvisie, die tekort doet aan het bijbelse mensbeeld dat ons spreekt van totale verdorvenheid door de zonde.
Tegelijk doet het tekort aan het volbrachte werk van Christus. Want als Hij aan het kruis uitroept dat het volbracht is, dan bedoelt Hij dat alles is volbracht. Jezus heeft het 'karwei' voor de volle honderd procent geklaard. En dat was nodig, omdat de verlorenheid door onze zonde zo groot is dat wij met onze goede werken ook nog geen
nagelschrapsel tot onze zaligheid kunnen toedoen.
Mensvisie
Daarom is de semi-pelagiaanse mensvisie uitermate onterend voor Christus. Want door te stellen dat wij zelf ook nog iets moeten en kunnen verdienen voor onze zaligheid, geven wij Hem een onvoldoende voor zijn volbrachte werk.
Bovendien is deze visie uitermate onterend voor de Heilige Geest. Want het doet afbreuk aan het belijden van de Godheid van die Geest. Dat de oude kerk zozeer gestreden heeft voor het God-zijn, ook van de Geest, heeft immers als achtergrond de overtuiging dat wij als zondaren totale herschepping nodig hebben, doordat de Heilige Geest ons in de wedergeboorte van dood levend maakt. En enkel op deze wijze is het dat de Geest ons tot geloof in Christus brengt.
Ten vierde doet deze semi-pelagiaanse mensvisie afbreuk aan het belijden van de Drie-ene-God. Immers juist het belijden van het God-zijn van Christus en de Geest, wijst elke vorm van, ook gedeeltelijke, zelfverlossing af. God Zelf moet er aan te pas komen. En dat op drievoudige wijze. Namelijk als God de Vader in zijn verkiezende liefde vanuit soeverein welbehagen, als God de Zoon in zijn verlossende arbeid die Hij als het vleesgeworden Woord aan het kruis heeft verricht en als God de Heilige Geest in zijn levenwekkend en vernieuwend werk. Het afwijzen van de semi-pelagiaanse mensvisie, dus het aanvaarden van de bijbelse mensvisie die stelt dat wij Van nature dood zijn in zonden en misdaden, verhoudt zich tot de leer van de Drie-ene-God als hol en bol. Het belijden van de Drie-ene-God houdt dus in, het belijden van de totale verdorvenheid van de mens zonder geloof in Christus. Anders gezegd: het aanhangen van de semi-pelagiaanse mensvisie is in strijd met het rechte belijden van de Drie-ene-God.
Daarom heeft de Reformatie het ook altijd als haar taak gezien om de kerk van Rome te reformeren. En die taak ligt er nog. Doch dan moet alles wel helder boven tafel komen, zodat de onderste steen boven komt. Een verdoezelende dialoog helpt niet verder.
Godsleer
Het feit echter dat de Charta juist dit meest essentiële verschil niet noemt, is een teken aan de wand. Tegelijk keert het zich als een beschuldigende vinger naar de kerken van de Reformatie toe.
Hebben ze geslapen of zijn ze totaal ontzonken aan dit authentiek katholiek reformatorisch gegeven? Onbekend kan het toch niet zijn. Want er is voldoende ook wetenschappelijke literatuur waar de niet te blussen gloed van het reformatorische sola gratia en sola fide aangrijpend verwoord wordt, ook in haar theologische verbanden met de leer van de Drie-ene-God.
Het conflict met Rome heeft als diepste achtergrond de overtuiging van de Reformatie dat de leer van de Drieene-God bij de Rooms-Katholieke Kerk niet zuiver functioneerde. De Godsleer was dus in het geding. Daarom ook de leer inzake de mens. En daarmee was de ware verootmoediging in het geding en het zuivere roemen in genade alleen. Over dat alles wordt in de Charta gezwegen.
Daarom kunnen we er onmogelijk mee uit de voeten. Al bijven er wel vragen. Wat betekent bijvoorbeeld het herhaaldelijk noemen van het verplichtend karakter? Ondertekening van de Charta zou ons bepaalde verplichtingen opleggen. Al wordt tegelijk ook weer gezegd dat het document geen kerkjuridisch karakter heeft. De vraag blijft echter: 'Wie verplicht wie'? En dat temeer omdat voor de SoW-kerken de ondertekening heeft plaatsgehad door dr. B. Plaisier. Maar welke kracht heeft die ondertekening in onze presbyteriale kerkstructuur? Bisschoppelijke betekenis kan het in ieder geval nooit hebben. Bovendien, is ondertekening van de Charta door één persoon namens de SoW-kerken niet vooruitlopen op een mogelijk fusiebesluit?
Nieuwe opbloei
Blijft over als diepe wens het krachtige waaien van de Heilige Geest, zodat het vuur van het Evangelie alles wat onbijbels is, zal verbranden en tegelijk zoveel warmte en licht zal verspreiden dat er in Europa een nieuwe opbloei van het christelijk erfgoed zal komen. Aangezien de Geest altijd werkt met inschakeling van eigen menselijke verantwoordelijkheid, wordt van ons in elk geval gevraagd in diepe verootmoediging en vast geloofsvertrouwen, God te smeken om de krachtige werking van zijn Geest door de verkondiging van het Evangelie. Dat zal de Charta overbodig maken en tegelijk energie geven om op het menselijke vlak, ook interreligieus, allerlei zaken bijbels aan te vatten. Gods heilzame geboden zullen de samenleving in Europa herscheppend structureren. En wanneer de Rooms-Katholieke Kerk op dat moment nog niet tot gezuiverde visie op de rechte verhouding tussen de Godsleer en de leer aangaande de mens gekomen is, dan geve God dat het rechte protestantse geluid in Europa niet zal ondersneeuwen, doch heilzaam zal functioneren tot eer van God en tot redding van zondaren.
R. H. KIESKAMP, LIENDEN
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 april 2002
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 april 2002
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's