Afgehaakte oud-ambtsdragers
HERVORMDE SYNODE SPREEKT OVER BETROKKENHEID BIJ KERKDIENST
Hij is een man uan middelbare leeftijd. Vele jaren is hij actief geweest in de ker gemeente in zijn wijk. Gedurende acht jaar was hij ouderling en de laatste jar hij scriba van de kerkenraad. Hij voelde zich op een gegeven moment als een 'motoren' uan de wijkgemeente. Inmiddels heeft hij ajscheid genomen als lid uan d kerkenraad. De ambtstermijn tuas uoltooid. Hij gaat echter niet langer naar de ke In zijn eigen woorden: 'Met mijn Junctie hoorde ik in de kerkdienst, zonder junctie uoelde ik mij er minder thuis. Ik had last uan 'moeheid'. Ik uond en vind gemeenteleden zo bureaucratisch, ueeleisend, uerlangend naar regels en procedures. Als scriba ben ik daar acht jaar mee geconfronteerd en ik had het even gehad. Al ueruolgens een, twee jaar wegblijft, is de drempel om weer wel te gaan steeds hoger. Het is ook steeds aangenamer op zondagochtend rustig thuis te blijuen. Omzien naar zo'n niet kerkgaand ambtsdrager gebeurt weinig.'
Dit is de ervaring van een oud-ambtsdrager uit de provincie Gelderland. Het proces dat hij doormaakte, resulteerde erin dat deze voormalige scriba zich niet meer betrokken wist bij de zondagse samenkomst van de gemeente, de eredienst. Zijn persoonlijke verhaal gaf hij door aan prof. dr. H. P. de Roest, hoogleraar praktische theologie aan de Universiteit Leiden, die samen met drs. T. T. J. Pleizier onderzoek deed naar de verminderde betrokkenheid van oud-kerkenraadsleden aan de kerkdienst. De hervormde synode besprak op vrijdag 22 maart dit rapport, verschenen onder de titel 'Ik geloof het wel...'.
Aanleiding voor het onderzoek was het verslag van de visitatie uit de provincie Noord-Holland, waar het aantal niet meer meelevende oud-ambtsdragers blijkbaar opvallend groot was. Het onderzoek werd vervolgens uitgevoerd in Gelderland, de provincie die model staat voor het geheel van de Nederlandse kerkelijke kaart: steden als Arnhem, Nijmegen en Zutphen, relatief grotere kerkelijke betrokkenheid in de Bommelerwaard en op de Veluwe en minder betrokkenheid in de Achterhoek.
Wat is het geval in de Hervormde Kerk? Een groot deel van de oud-kerkenraadsleden komt na beëindiging van de ambtstermijn niet meer in de kerk. Men is jaren actiefin de toerusting van de gemeente, in pastorale zorg of diaconale arbeid, is sterk betrokken bij het beleid, terwijl na het vertrek uit de kerkenraad er een weloverwogen keuze gedaan wordt of een proces zich inzet, om niet meer deel te nemen aan de eredienst. Ongeveer 675 hervormde gemeenten - landelijk gezien - zullen dit verschijnsel herkennen. In 225 gemeenten was er zelfs sprake van meer dan vijf afgehaakte ambtsdragers in de afgelopen tien jaar, de periode waarover het onderzoek ging. In de jaren 1990-1999 zijn naar een (lage) schatting ruim drieduizend kerkenraadsleden met het bezoeken van de kerkdienst gestopt.
Resultaten
Het rapport laat zien dat de problematiek vooral voorkomt in middenorthodoxe gemeenten: in 73 procent ervan wordt het probleem herkend, in 60 procent daarvan gaat het om vier of meer ambtsdragers. In 59 procent van de gemeenten die zich rekenen tot de Confessionele Vereniging, komen afhakende ambtsdragers voor. Het probleem wordt vervolgens in vijf van de 51 ondervraagde gemeenten die zich rekenen tot de Gereformeerde Bond, herkend. Opvallend is ook dat de problematiek vaker herkend wordt in SoW-gemeenten (78 procent) dan in niet SoW-gemeenten (42 procent). Dr. De Roest merkt op dat 'afhaken' in orthodoxe gemeenten zich in een andere vorm kan tónen: door avondmaalsmijding of door over te gaan naar kerkdiensten in een andere (wijk)gemeente.
In ruim veertig procent van de situ- kelijke aties zijn negatieve ervaringen opge- en daan tuas in de kerkenraad de reden voor het uan wegblijven de uit de kerkdiensten. De e ex-ambtsdragers vertellen dat hun af- rk. haken voornamelijk wordt veroorzaakt door een negatief klimaat in de kerkenraadsperiode en/of door de zwaarte van de taak en het ontbreken van s waardering. je Bij een negatief klimaat gaat het om onveiligheid en een gering vertrouwen in elkaar, een gesloten communicatie, zich niet serieus genomen weten, een onbevredigende wijze van besluitvorming. In een bloemlezing lezen we dan zinsneden als 'Men weet veel te veel wat er zich achter de schermen afspeelt' en 'te weinig teamgeest in de kerkenraad: te veel ieder voor zich: teleurstelling'. Daarbij komt dat een te zware taak een negatieve invloed op de motivatie heeft. Opnieuw een bloemlezing: 'Door de zwaarte van het ambt raakt geloof vaak steeds verder op de achtergrond' en 'te zwaar belast met allerlei werk waar men niet voor gekozen heeft, men wordt er hondsmoe van'. Een gevoel van oververantwoordelijkheid kan maken dat men onvrijwillig toestemt in het vervullen van taken die door bepaalde mensen niet vervuld kunnen worden, zeker als anderen ook minder functioneren of er vacatures zijn. Frustratie over het werk speelt ook nogal eens een rol: te veel vergaderen, te veel organisatorische zaken, waarbij de inhoud van het werk naar de achtergrond verdwijnt.
Negatieve ervaringen hebben niet alleen met het klimaat, ook met de identiteit van de gemeente te maken. Een gemeenschappelijk gedragen visie versterkt de motivatie. Opnieuw een kleine bloemlezing van afgehaakte ambtsdragers: 'De gemeente verrechtst', 'men voelt zich door federatievorming niet langer thuis bij wat gezegd wordt' en 'evangelisch georiënteerden voelden zich spiritueel niet meer thuis'. De ervaren leiding binnen de kerkenraad of het gebrek eraan, is eveneens een behoorlijke factor in het wegblijven van oud-ambtsdragers. 'Open dialoog of discussie - ook met predikant - bleken niet echt mogelijk'.
Het rapport gaat ook in op de vraag hoe zorgelijk het is als oud-ambtsdragers de kerkdienst niet meer bezoeken. Terwijl enerzijds wordt gezegd dat dit niet direct tot afbrokkeling van de gemeente hoeft te leiden en er ook geloofsoriëntatie kan plaatsvinden binnen kleine groepen, wordt anderzijds aangegeven dat ongerustheid evenzeer op zijn plaats is. Voor dit laatste hanteert het rapport argumenten uit de godsdienstwetenschappen - -i J (de kerkdienst betreft de gehele mens), de sociologie (de kerkdienst is een vorm van sociale ondersteuning van het geloof) en de theologie (de kerkdienst maakt deelgenoot van de gemeenschap met Christus). ?
Bespreking
Tijdens de synodevergadering waren er maar liefst negentien ambtsdragers die op de inhoud van het rapport wilden reageren, een bewijs van de herkenning van de problematiek én van het verlangen om kerkbreed eindelijk eens met andere dan kerkordelijke (SoW)-vragen bezig te zijn. Dat er niettemin een relatie is tussen de grondslag van de kerk en het nadenken over het afhaken van ambtsdragers, bleek onder meer uit de vragen van ds. P. van der Kraan uit Bleskensgraaf (Welke ambtsvisie hebben we? ) en ds. J. L. Schreuders uit Aalst (Het gaat toch om wat God in het ambt van ons vraagt en om de vervulling van onze roeping? Hij gaf aan dat de concept-kerkorde van de verenigde kerk een ambtsstructuur heeft met een hoog D66-gehalte).
Ds. S. H. Hiemstra (classis Doetinchem) pleitte voor een zo klein mogelijke afstand tussen ambtsdragers en gemeente.
Ouderling M. Bons-Storm (classis Leiden) zei dat de deelname aan het gemeente-
leven in deze tijd nauwelijks meer af te leiden is uit de aanwezigheid in de kerkdienst.
Ds. A. A. S. ten Kate (classis Breda) wilde dat de kerk minder domineeskerk zou zijn.
Ds. H. E. G. Reejhuis (classis Haarlem) zei dat de kerk te veel als een instituut van instructie gezien wordt. Ds. B. H. Weelink (classis Katwijk) merkte op dat vele oud-ambtsdragers met wijsheid en mildheid hun plaats in de rijen der gemeente weer innemen.
Ds. R. uan Kooten (classis Amersfoort) wees op het belang van het gesprek in de kerkenraad aan de vooravond van de bediening van het Heilig Avondmaal en legde het verband tussen de boodschap in de kerkdienst en het blijven komen naar de kerkdienst. 'Paulus verkondigde de hoop, Johannes predikte de liefde, maar Christus sprak over de ernst van de twee wegen. Preken wij die nog in de kerk, in de Gereformeerde Bond? '
Ds. G. J. uan de Tocjt (classis Zoetermeer) vroeg de visitatoren vooral de ambtsdragers te bemoedigen. Ds. R. de Reuver (classis Alphen aan d Rijn) merkte op dat men in een goed klimaat en met een bijbelse ambtsvisie toch innerlijk kan weggroeien van het geloof.
Ds. E. Westrik (classis 's-Grauenha^e) signaleerde dat de groep die in de kerk de communicatie gaande moet houden, steeds kleiner wordt. Ds. H. J. Jansen (classis Emmen) noemde de knelpunten tegelijk kansen voor de toekomst, waarbij een charismatische opvatting aandacht verdient.
De vraag is tot slot vooral wat dit onderzoek naar de kerkelijke betrokkenheid van oud-ambtsdragers ons leert. Allereerst dat bezinning op de kern van het ambt en op de dienst van de ambtsdrager in onze tijd hard nodig is. Aandacht hiervoor behoorde niet tot de opdracht van dr. De Roest, maar kan in een vervolg wel aan de orde komen. Wat betekent het immers om opziener te zijn in de gemeente, die gemeente van Christus is? Wat vraagt dat van het ambtelijke werk én van ons eigen leven? Wat betekent het dat ambtsdragers beloofd hebben zich te oefenen in de verborgenheden van het geloof? Ligt daar niet blijvend de basis voor het werk in de kerk? En wat betekent het om in navolging van Jezus Christus een schakel te zijn in de leniging van allerhande nood en van wereldwijd gebrek? Geeft dat geen innerlijke vreugde, die ook na twee of drie ambtstermijnen blijft? En maakt de overtuiging geroepen te zijn, niet weerbaar tijdens teleurstellende momenten?
Vanuit de beantwoording van deze vragen kunnen knelpunten inzake besluitvorming, motivatie, te zware belasting en binnen de kerkenraden open aan de orde komen. Het rapport van dr. De Roest biedt hiervoor veel bruikbare handvatten. Zodra er financiën voor beschikbaar zijn, zal het daarom terecht aan de kerkenraden toegestuurd worden, die er hopelijk een kapstok in zien om door te praten over de motivatie van de ambtsdragers. Hoewel de verminderde betrokkenheid in hervormd-gereförmeerde gemeenten in 'slechts' tien procent van de Gelderse gemeenten voorkomt, kan open gesprek voorkomen dat dit percentage de komende jaren toeneemt, juist ook in een tijd waarin er meer van ambtsdragers wordt gevraagd.
Onderling pastoraat
Dat betekent dat ambtsdragers persoonlijk en gezamenlijk steeds weer dienen te leren dat hun gezag in de gemeente niet gekoppeld is aan hun persoon, aan hun leeftijd of'dienstjaren', maar dat zij een middel zijn om het gezag van Christus, die door Zijn Woord regeert, gestalte te geven. Dat kan slechts in dienstbaarheid aan Hem, die zich boog om de voeten van Zijn discipelen te wassen.
Vandaaruit is er ruimte om te spreken over ieders verwachtingen, beperkingen, spanningen. Dan zal er op spontane wijze ook onderling pastoraat plaatshebben en kan er lering getrokken worden uit de teleurstellingen van anderen. Zo geeft elke oud-ambtsdrager de kerkenraad een kans naar zichzelf te kijken.
Dat betekent ook concentratie op de kern van het ambtelijk werk, juist in een vergadercultuur. Het is goed bij tijden het kerkelijk poldermodel maar eens te doorbreken en pastorale zorg de hoogste prioriteit te geven, de eenzamen te bezoeken en door zo te geven tegelijk te ontvangen.
Tot slot: het was ook in een gemeente in Gelderland, waar drie kerkenraadsleden de dag nadat hun opvolgers bevestigd waren voor het laatst de kerkenraadsvergadering bijwoonden. Ze kregen een dankwoord en een blijvend geschenk, maar halverwege de avond stonden ze buiten toch met tranen in de ogen. Loslaten was moeilijk, want dienen in het ambt had de liefde van hun hart. Zulke broeders dragen de gemeente, in het verborgene.
P. J. VERGUNST
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 april 2002
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 april 2002
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's