De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

10 minuten leestijd

Post-katholiek Nederland
Dat is de ondertitel van een bijdrage van Kees Fens in Ons Erfdeel, Algemeen-Nederlands tweemaandelijks cultureel tijdschrift (45e jaargang nummer 1, jan.-febr. 2002) waar hij boven zet: Geen kerktoren in zicht. Fens was tot 1994 hoogleraar moderne Nederlandse letterkunde aan de KU te Nijmegen waar hij nu nog bijzonder hoogleraar is in de literaire kritiek. Op een indringende manier schetst hij de recente geschiedenis van het roomskatholicisme in ons land. Hij begint met een herinnering aan een interview van de Volkskrant met aartsbisschop Simonis (6 maart 2001) dat werd aangekondigd onder de kop: Paars bant religie uit. De klacht van Simonis betrof het feit dat de regering de kerken in ons land links liet liggen: het christelijk geloof had geen enkele invloed op het regeringsbeleid. De ministerpresident nodigde Simonis uit om bij het genot van een kopje koffie een en ander uit te praten. Kort daarna werd het eerste homohuwelijk gesloten en werd in de Eerste Kamer de euthanasiewet aangenomen.

'De kardinaal had zowel gelijk als ongelijk. De regering laat het christelijk gedachtegoed misschien beter: het belang van het christelijk gedachtegoed, in het parlement vertegenwoordigd door de christelijke partijen, die in de oppositie zijn, terzijde. Men kan zeggen dat het zo nu eenmaal gaat in de politiek, als die negering door de regering niet bijna symbolisch was voor het verdwijnen van elke invloed van het christendom, als vertegenwoordigd door de kerken, in het publieke leven. Nederland is een heidens, beter gezegd een postchristelijk land geworden. Dat kan zelfs bij twee kopjes koffie niet worden ontkend. Dat seculariseringsproces heeft zich in zo'n vijfendertig jaar voltrokken, het sterkst onder de katholieken. Volgens een recent cijfer gaat op zondag nog tien procent van de katholieken naar de kerk. Bij de protestantse nominaties - er zijn twee grote en veel kleine protestantse kerken, verschillend in orthodoxie en strengheid - ligt het cijfer minder drastisch laag.'

Eind negentiger jaren bleek uit een enquête dat nog slechts drie procent van alle nominaal rooms-katholieken de traditionele leerstellingen van hun kerk beaamt. Fens zoekt naar achtergronden van het pijlsnelle verval in zijn kerk. Hij memoreert dat Nederland eeuwenlang officieel een protestants land is geweest. Pas vanaf midden negentiende eeuw konden katholieken zich vrij uiten. Ze sloten zich nauw aaneen en kozen voor een hecht rooms isolement: gelijke concentratie op het eigene zoals dat in diezelfde tijd ook het geval was in andere groepen van ons volk.

'Men kan zeggen dat zeker het katholieke geloof zich nauwelijks ontwikkeld heeft. Tot over de helft van de twintigste eeuw bleef zijn tijd van opkomst, de negentiende eeuw, overduidelijk. Dat betekent onder meer de grote nadruk op het onderhouden van geboden en plichten, binnen het collectief, onder gezag van de geestelijkheid. Op eigen verantwoordelijkheid - als bij de protestanten - werd nauwelijks een beroep gedaan. Zelfvoldaanheid was de gesloten gemeenschap niet vreemd.
Het Nederlandse protestantisme had al in de negentiende eeuw, toen de katholieken maar net aan hun publieke leven waren begonnen, het modernisme ondergaan en de confrontatie met de "buitenwereld" aangegaan. Met afscheidingen van meer rechtgelovige groepen als gevolg. Modernistische stromingen, die zich in het begin van de negentiende eeuw ook in de katholieke kerk manifesteerden, werden onderdrukt. Men hield de gelederen gesloten. Misschien is die geslotenheid ten slotte fataal gebleken: ze leidde tot isolatie.'

Toen echter eenmaal de emancipatie van deze bevolkingsgroep op gang kwam, bleken de muren om het bolwerk van de kerk volop poreus, aldus Fens. 'Intellectuele en culturele isolatie begonnen openingen naar buiten te vertonen. Het geloof bleek niet in staat de gaten te dichten...'

'Wat heeft heel langzaam die poreusheid veroorzaakt? Het zo radicaal verlaten van de kerk als sinds de tweede helft van de zestige jaren heeft plaatsgehad, is zonder voorgeschiedenis onverklaarbaar. Ik denk dat de afwezigheid van een verdiepende spirituateit een van de belangrijkste oorzaken is geweest. Het geloof was teruggebracht tot een klein aantal plichten: het op zondag bijwonen van de mis, ten minste een keer per jaar biechten en de communie ontvangen (omstreeks Pasen), op vrijdag geen vlees en op vastendagen vasten, zijn er enkele van. Het schematiseren van een geloof tot vijf geboden maakt dat geloof er een van uiterlijkheden, van minima ook. Geen plichtsverzuim zonder straf. De plichten hebben het door de angst voor straf en hel lang kunnen houden. Plichten als programma, maken van gelovigen een collectiviteit. Aan individuele vergeestelijking werd nauwelijks iets gedaan. Toen de angst voor de verdoemenis begon te wijken en - misschien een van de meest gevolgrijke besluiten van Rome - de zogenaamde zondagsplicht ook op zaterdag vervuld kon worden (waardoor alle plichten een verschuifbaar karakter konden krijgen, tot ze haast vanzelf gewoon weggeschoven werden) begon de kerkverlating, niet individueel, maar uiteraard ook collectief. Voor velen had het plichtsgeloof geen inhoud. Pijn is er niet geleden. Er had alleen een verandering in uiterlijke levensomstandigheden plaats. De grote vraag kan zijn of het geloof onder de katholieken zo veel heeft betekend als de succescijfers uit de jaren dertig, veertig en vijftig deden vermoeden. Voor veel protestanten daarentegen, met hun persoonlijke verantwoordelijkheid en ook persoonlijke verhouding met God was het verlaten van het geloof vaak een uiterst smartelijk proces, met de ernst van hun geloofsbeleving in overeenstemming.'

Louter vormendienst in stand gehouden door dreiging met goddelijke sancties houdt uiteindelijk geen stand. Wat Fens hier signaleert kom je ook tegen in het boek De Gereformeerden van Agnes Amelink. Ook zij stelt zich de vraag hoe het toch gekomen is dat het hechte bolwerk der gereformeerden zo snel en grondig geslecht is? Haar antwoord komt ongeveer hier op neer: Waar de 'vreze des Heeren' als een geestelijke en levende werkelijkheid gaat ontbreken, breekt het formalisme van een louter uitwendig geworden kerkelijk leven een kerkgemeenschap op in een geweldig afbraakproces. Als het geloof niet een diep in het mensenleven gewortelde werkelijkheid is (wij noemden dat altijd graag 'bevindelijk'), dan houdt het onder de druk van de moderniteit niet lang stand.
Fens noemt nog andere oorzaken en hij analyseert de Nederlander: onze cultuur wordt gekenmerkt door afwezigheid van gevoel voor traditie. 'Nederlanders hebben het slechtste geheugen van alle Europeanen', zo vindt hij. In feite is de Nederlander een momentalist. 

'Velen die zeggen nog te geloven, kiezen uit het geloofsaanbod wat men kan gebruiken of wat met het gevoel overeenkomt. Veel Nederlanders geloven a Ia carte, waarbij zij meer uit de dessertkaart dan uit de hoofdkaart kiezen. De meesten Iaat alles onverschillig. Ik meen dat wat men tolerantie noemt, in feite onverschilligheid is. En die hangt samen met het bovengenoemde momentalisme van de Nederlandse cultuur. De hele hierboven gegeven geschiedenis is nodig om de huidige situatie te begrijpen. Het eindpunt van alles is, dat de kerken binnen de Nederlandse maatschappij en cultuur nauwelijks of geen gezag meer hebben, dat ook niet meer kunnen afdwingen, ook door het niveau van de geestelijke leiders. Hierbij moet worden aangetekend dat door de zeer grote immigratie, uit Suriname, Turkije en Marokko en vele andere landen, de Nederlandse cultuur een steeds meer samengestelde wordt; zij is verre van enkelvoudig; de wereld is aanwezig en daarin neemt niet alleen de kerk, maar ook de christelijke cultuur een kleine plaats in.'

Waar Fens zich over verbaast is het anti-papisme dat in bepaalde kringen zich nog altijd weet te handhaven. Zelf werd ik ook opgevoed met angst voor 'het roomse gevaar'. Het heeft, vindt Fens, een Don Quichotkarakter. Een anti-papist is tegen iets wat er niet meer is.

'Beter wellicht dan theorieën en speculaties kan de geschiedenis van een enkele plek iets bewijzen. Ik kies mijn meest persoonlijke plek: de kerk van mijn jeugd. Mijn kerk stond in een drukbevolkte buurt in Amsterdam. De kerk werd rond 1924 gebouwd, de eerste pastoor ervan zou later bisschop van Haarlem worden. De kerk had elfhonderd plaatsen. Rond de kerk gingen veel jong katholieke echtparen wonen. Daaronder mijn ouders. Geleidelijk werd de kerk het centrum van de buurt, hoeveel niet-katholieken er ook woonden. Rond de kerk stonden een katholieke kleuter- en meisjesschool, geleid door zusters, die met velen een zeer groot klooster bewoonden. Op zondagen, in de late missen, was de kerk overvol: een, achteraf gezien, grotendeels onpersoonlijke massa die zijn plicht kwam doen. De kerkelijke kalender gaf de tijd vorm, in de kerk en thuis. Er waren in de veertiger en vijftiger jaren vijf priesters aan de kerk verbonden. Mijn moeder, die lang in de buurt is blijven wonen, heeft het begin van de ontlediging meegemaakt. Van de elfhonderd plaatsen bleven er steeds meer leeg, het aantal priesters werd kleiner. Er kwamen nieuwe mensen in de buurt wonen, die geen contact met een kerk kenden, later heel veel allochtonen, die op dit moment zelfs een meerderheid worden. Zo'n twaalf jaar geleden ben ik er nog eens op een zondag naar de kerk geweest. We zaten met een handvol mensen en onder hen herkende ik vele vertrouwden van eens, nu grijs en verouderd. De laatste getrouwen, de restpartij van wat een bloeiende gemeenschap was of misschien toch beter: leek, het getal heeft te lang een schijn opgehouden. De kerk is nu gesloten, het zusterklooster is al lang geleden opgeheven, - religieuze gemeenschappen bestaan nu in hoofdzaak uit bejaarden; over een decennium moeten nagenoeg alle sporen van het eens in Nederland zo drukke kloosterleven zijn verdwenen. Mijn kerk zal wel gesloopt worden, zoals er in Amsterdam en trouwens in heel Nederland de laatste decennia talloze kerken gesloten of gesloopt zijn, waaronder kerken die nog geen veertig jaar geleden in nieuwe wijken werden gebouwd. Een van de grootste moskeeën in Amsterdam is een vroegere jezuïetenkerk. De islam is in Nederland het enige geloof dat groeit. Op vrijdagavond ziet men veel moslimmannen naar de moskee gaan.
De zondag is van de Dag des Heeren tot koopzondag geworden. En van de meeste christelijke feestdagen weten velen de betekenis niet meer.'

GEEN WOORD VAN SPIJT
'Misschien is dit het verbijsterende: het gemak en de geruisloosheid waarmee zich die totale verandering heeft voltrokken. Dat geldt natuurlijk ook voor het hele maatschappelijk leven, waarin mijn geboortejaar, 1929, dichter bij de zeventiende eeuw lijkt te liggen dan bij de eenentwintigste. De geruisloosheid van de ontkerkelijking is misschien nog minder verbijsterend dan de vanzelfsprekendheid waarmee ze is aanvaard. Dat moet betekenen dat de wortels niet diep in de gewijde grond hebben gezeten. Het proces begint met de al vroeg aan te wijzen afval van de arbeidersklasse en later van de intellectuelen. De middenstand heeft zich het langst gehandhaafd.
Het is te gemakkelijk om te zeggen dat het materiële welzijn in de plaats van het geloof is gekomen. De economische rijkdom stelt men dan tegenover de geestelijke armoede. Het kan niet ontkend worden: de structuur van leven in het vooruitzicht van een hiernamaals is gelijk gebleven, alleen: het hiernamaals is de periode na het werkzame leven geworden. In reclameteksten, die in alle opzichten herinneren aan de taal van de aflatenhandel van eens, wordt voor het paradijs van de zorgeloosheid reclame gemaakt. "Een leuk leven leiden", - daar gaat het om. De befaamde zuinigheid van het calvinisme lijkt verdwenen. Er is voor wat gebeurd is bijna geen andere verklaring mogelijk dan dat de structuur van kerk en geloofsbeleving gewoon historisch is geworden. En aangezien de structuur voor het wezenlijke is gehouden, is het geloof met de totale vergrijzing van die structuur verdwenen. Bij mijn talrijke vrienden en kennissen, eens katholiek of protestant, heb ik nooit een woord van spijt gehoord. Het is mooi geweest. Hun kinderen kennen het kerkgebouw nog van binnen, maar zijn al heel vroeg verdwenen. Hun kleinkinderen zullen de eersten zijn met geen enkele herinnering aan geloof of kerk. Dan is de ontkerkelijking compleet. Geen kerktoren meer te zien. Wij zijn definitief de Lage Landen. De enige spitse torens, die beginnen talrijk te worden, zijn de minaretten.'

Een aangrijpend verhaal over wat er zich om ons heen afspeelt. Wat ik er voor mezelf van heb geleerd is opnieuw: formalisme zal onze gemeenten niet echt bewaren bij het 'geloof der vaderen'. Als er geen persoonlijke geloofsrelatie met Christus (meer) is, zullen formules en letters het gereformeerd karakter van onze kerk niet kunnen redden.

J. MAASLAND

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 april 2002

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 april 2002

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's