Volmacht in de voordracht als toedracht [I]
BEZINNING OP DE PREDIKING [2]
Instrument
De prediker is voor Luther louter instrument. Daardoor verricht het levende Woord zijn scheppende werk. Instrument! Niets meer, maar ook niets minder! Aldus A. de Reuver op de contio van hervormd-gereformeerde predikanten in januari 1989. En hij voegde eraantoe: 'Zó zeer is Luther ervan overtuigd dat in de prediking de eeuwige God zélf op ons toekomt.'
Daarmee wilde De Reuver in de eerste plaats gezegd hebben dat de prediker staat op de plaats van de onmachtige. Weliswaar onmacht in overmacht, maar dan toch zó dat wij hart en stem volledig ter beschikking hebben te stellen als een instrument aan de lippen en de adem van de Heilige Geest. En daarmee wilde hij maar gezegd hebben dat alleen de deemoed de moed tot prediken mag hebben. Want wij zijn niet geschikt, wij wórden geschikt, heeft Miskotte eens gezegd. En daarmee zullen wij niet meer willen zijn dan een aarden vat! Dit brengt ons tot de grootst mogelijke ootmoed en deemoed. De verwoording van het Woord van God behoort niet tot de mogelijkheden en de kwaliteiten waarover wij van nature vrijelijk de beschikking hebben. Paulus' exclamatie: 'Wie is tot deze dingen bekwaam? ' zal ons dan ook door merg en been trekken. En zijn vertolking vinden in een hoogst persoonlijke 'cri de coeur' (hartenkreet): 'Hier sta ik, ik kan niet anders. God helpe mij!'
Enerzijds is de prediker dus instrument, waardoor het Woord Gods tot mensen komt. Ontwikkeling, begaafdheid of originaliteit doen er dan eigenlijk niet toe. God 'bediende' zich van Amos én van Jesaja, van Petrus én van Paulus. Het gaat er dan ten diepste en ten slotte maar om, dat het Woord wordt gehoord. En waar het Woord wordt gehoord, daar doet het wonderen van genade.
Anderzijds zal deze instrumentele benadering en omschrijving van de prediker ons behoeden voor automatisme in de zin van professionalisme. Dan is de factor 'menselijkheid' zo ongeveer gereduceerd tot het nulpunt en is er aldus voor de dienovereenkomstige be-wegelijkheid en levendigheid geen of nauwelijks plaats meer. Daar komt bij dat het woord 'instrument' behoort tot de technologie en niet tot de theologie. Het woord 'instrument' als zodanig is dan ook in de onderhavige kwestie allerminst een bijbels woord. In ieder geval brengt het woord 'instrument 1 inhoudelijk gezien slechts enkele aspecten van de prediker onder de aandacht, namelijk van zijn onmacht als zodanig in zichzelf én van zijn totale onderworpenheid en afhankelijkheid.
Uitdeler
Maar er is meer! En minstens van zo vitaal bijbels belang. Een direct bijbelse omschrijving van de prediker vinden we terug in het woord 'uitdeler', vgl. 1 Kor. 4 : 1, 2 'Alzo houde ons een ieder mens als dienaars van Christus en uitdelers der verborgenheden Gods'. Dit wordt dan betrokken op de gehele gemeente, en daarmee in ieder geval op de voorganger: 'Een ieder, gelijk hij gave ontvangen heeft, alzo bediene hij dezelve aan de anderen, als goede uitdelers der menigerlei genade Gods' (1 Petr. 4 : 10). En dit impliceert dan een levende bewegelijkheid door de Geest in het Woord en vanuit het Woord.
Daarbij getuigt het van een levendige betrokkenheid bij de zaak van God en is de uitdeling of overdracht hem kennelijk een aangelegen zaak in de richting van degene aan wie hij uitdeelt, toedeelt of meedeelt. Daar zit niet alleen dynamiek in, maar ook intentie en competentie. In die zin dat de uitdeling zelf en als vanzelf een gegeven blijkt te zijn. Een gegeven en een geven van God, maar wel door mensen aan mensen. Dit doet niets af van het instrument-zijn, maar voegt er wel wat aan toe in die zin dat er nu ook ruimte komt voor de menswetenschappen om de werkelijkheid van God en van de mensen op elkaar te betrekken en de werkelijkheid van God bij mensen te doen intrekken.
Ten diepste gaat het om proclamatie van Gods waarheid, en dan niet 'ins Blaue hinein', maar doelgericht en doeltreffend met de intentie van de recreatie van harten van mensen van en in deze tijd. Proclamatie is daarbij niet alleen informatie, maar ook donatie. Uitdeling van God in onze bedeling.
Volmacht in onmacht
De uitdeler is dan kennelijk in beweging vanuit Gods bewogenheid in de beweging van de Geest en hij is dat royaal en loyaal als goede uitdeler van de menigerlei genade van God. En als dienaar van Christus is hij uitdeler van de verborgenheden van God vanuit de overmacht en de spankracht van de bediening der verzoening. In deze spankracht ontvangt hij volmacht door overmacht in eigen onmacht. De over-
macht van de genade doet hem de handen uitstrekken naar God óm hulp en heil en naar mensen mét hulp en heil. In deze tweeledige beweging krijgen Gods Wet en heilig Evangelie gehalte en gestalte. Als een kruiselingse beweging van God naar mensen, waarbij de vastgenagelde handen van Christus borg staan voor bedeling en uitdeling. Ten diepste is het dan niet de prediker die het Woord voert, maar is het God in Christus die door zijn Heilige Geest het Woord voert en uitvoert. Zó is prediking ten principale Godswerk en geen mensenwerk en juist in haar verborgenheid is zij vertegenwoordiging en tegenwoordigheid van God. Prediking overkomt een mens, zowel prediker als hoorder. Eén keer, en dan ook steeds weer. Paulus noemt dit: prediking 'in de tegenwoordigheid Gods' (2 Kor. 12 : 19). Doorvertaling van het 'Alzo spreekt de HEERE!'. Op de wijze van profeten en apostelen. Met dien verstande en in dier voege dat wij niet meer en niet minder zijn dan dienaren van het Woord, dat door hun mond en hun geschrift tot ons kwam en in ons werd gelegd als zijnde Gods Woord. Dit wijst ons onze plaats en zet ons op onze plaats.
Hun kerugmatische passie (verkondigende bewogenheid) hadden de reformatoren dan ook van profeten en apostelen. 'Hier sta ik, ik kan niet anders!' En wel als 'verbi divini minister' (dienaar van het Woord van God). En het monologisch karakter van zijn preek hangt blijkbaar heel wezenlijk samen met haar inhoud als een doorgeven van de woorden van God. Zoals Jezus zelf leerde 'als machthebbende' (Matth. 7 : 29 en Mark. 1: 22). Waarbij het zijn van God ons 'zijn' en 'er zijn' en 'zó zijn' als prediker in de prediking wezenlijk bepaalt. Daarbij zal de hele persoonlijkheid van de prediker in de prediking betrokken zijn, waarbij zijn zelfvertrouwen zal worden geelimineerd dan wel gestileerd door godsvertrouwen. Volmacht in de voordracht realiseert en manifesteert zich daarom vanuit Gods opdracht.
Dr. Martyn Lloyd-Jones zei ooit: 'The greatest need in the Church today is to restore authority to the pulpif ('De grootste behoefte in de kerk vandaag is dat het gezag aan de kansel wordt terugge ven').
Gezag op de preekstoel vanuit Gods zeggingsschap en zeggingskracht! Alleen zó hebben we wat te zeggen. Geen verbalisme, maar het verbaal uitzeggen en zó uitleggen van de woorden van God. Dan komt God aan het Woord in en met Zijn Woord! En met name in het vleesgeworden Woord, Jezus, de Christus!
Alleen met en in deze volmacht redden we het en redden we mensen in onze reddeloos en redeloos geseculariseerde samenleving. Gezag is op z'n retour. Annex God. Althans naar onze perceptie (waarneming) en evaluatie (afweging). Als dit zo is: gezag op z'n retour, annex God, dan gaat dat uiteraard samen. Zij gaan uiteraard samen. Want onze postmoderne tijd verdraagt per definitie, en zo ook heel wezenlijk, geen gezag. De postmoderne mens verdraagt zelfs absoluut geen gezag. Laat staan een absoluut gezag! Hij heeft het immers zélf voor het zeggen, en wel omdat hij dit zo voelt en vindt. Kom als prediker eens met het gezag van Gods Woord - en hij kan nu eenmaal en ook andermaal niet anders - de mens (en daartoe behoort hij ook zelf) komt daar niet om, maar de postmoderne mens komt daar al helemaal niet voor. Hij heeft zo z'n eigen zegje en hij heeft onmiddellijk zijn eigen woordje klaar. Klaar uit! Het contact wordt niet verbroken - het werd niet eens gelegd. Wegens een consequent doorgevoerd structureel individualisme. Of is het zo dat het postmodernisme zichzelf momenteel overleeft en zo langzamerhand is uitgeleefd? ! Om van pure ellende zich langzamerhand weer te laten gezeggen. Maar waar zijn dan de woorden om het Woord van God te verwoorden? ! Het postmoderne vocabulair (woordenboek) is per definitie zinledig geworden en het heeft in ieder geval geen zin om aan zingeving te doen met zinnen uit een klassiek verleden. Tenzij de prediker woorden spreekt naar de zin en mening van de Heilige Geest. Maar dan gaat het om recreatieve (herscheppende) kracht in de reactieve macht van de postmoderniteit! Ondertussen is er wel een heel taalveld weggegleden, want gestorven bij gebrek aan leven. Daar hebben we als kerk wellicht zelf schuld aan, omdat wij op onze beurt ons zegje deden, en ge- ook omdat we dit zo voelden en zo vonden en dan zonder de zeggingskracht van het Woord en van de Geest.
En naarmate we minder overtuigd waren, getuigden we te luider - gereformeerd of niet - van de dingen die onder ons volkomen zekerheid hebben. Waarbij onze reformatorische assertiviteit (zekerheid) al helemaal niets meer te maken had met de certitudo fidei (zekerheid des geloofs). En zo schiep nota bene de kerk zelf, en zelfs vanaf de kansel, een binnenkerkelijke godloze cultuur die de postmoderne cultuur mede in het aanzijn riep en vervolgens voedde en zelfs in zekere zin opvoedde. Haar woorden misten zeggingskracht, omdat ze haar eigen zegje deed. Met deze woordcultuur raken we 'uitgepreekt' en uitgepraat, terwijl we doorgaans gewoon doorpreken en doorpraten. Maar dat we zó niets meer te zeggen hebben, spreekt voor zichzelf!
Waarmee maar gezegd wil zijn, dat, voordat we ons in de taalvelden begeven van de postmoderne mens, ook in de kerk, en juist ook in de kerk, ons eigen taalveld geregenereerd (wederom geboren) zal dienen te worden, willen we de huidige generatie nog wat te zeggen hebben.
Volledige onderhorigheid en zó horigheid aan het Woord van God in Zijn Geest zal dan ter sprake moeten komen en zo ter sprake dienen te worden gebracht, wil de God van het Woord weer aan het woord kunnen komen. Volmacht in onze postmoderne binnenkerkelijke onmacht als manifestatie en proclamatie van Gods almacht in zijn genade. Dit vereist en verstrekt niet minder dan bekering van de prediker en van de hoorder. Alleen dat heeft en geeft onvermoede en mogelijk onverhoopte verstrekkende gevolgen in onze Woordloze reformatorische en postmoderne cultuur in en buiten de kerk.
Volmacht in de voordracht - bij God vandaan! Op hoop van zegen - gelet op Christus, die onze hoop is. Daarbij worden taalbarrières doorbroken, vanwege het in 'no time' doorbreken van de geluidsbarrière door de Geest. En dan is het Woord waar het wezen wil. Ofwel dan is God bij de godloze en de goddeloze bij God, uit genade en door het geloof.
Gaven
In ieder geval zal de prediker van het Woord charismatisch begaafd zijn, dan wel bedeeld en toegerust met genadegaven. En deze genadegaven of Geestesgaven zijn bij Testament vermaakt aan de gemeente. Ook in dit opzicht zal de prediker 'voorganger' zijn van en in de gemeente. Dan is het uiteraard aan de vrijheid van de Geest met welke, en in welke mate, Hij de uitdelers van menigerlei genade bedeelt met charismata (genadegaven).
In dit verband gaan ook de talenten een woordje meespreken, als sprake van de Geest in het spreken van de Woorden Gods. Het valt immers niet te ontkennen in de geschiedenis van de Kerk dat zeer charismatisch begaafde predikers een dienovereenkomstige respons (weerklank) ontvingen op hun prediking. Ik denk aan Spurgeon, maar er zouden vele anderen te noemen zijn, ook in ons eigen land en in onze eigen traditie.
Het valt evenmin te loochenen dat deze charismata dan sterk toegesneden en toegespitst bleken te zijn op de tijd waarin 'betrokken' prediking werd gebracht. Werd ook Paulus niet toegerust voor de tijd en voor de wereld waarin hij het Evangelie had te brengen? Scherp geformuleerd: Petrus zou dit niet hebben gekund!
Nu zal de één meer en de ander minder gaven hebben. Maar de 'meeste' ofwel de belangrijkste genadegave is voor iedere prediker 'weggelegd' - in het Woord door de Geest, namelijk de liefde (vgl. 1 Kor. 12 en 13). Spurgeon noemde het winnen van zielen meer een zaak van het hart dan van het hoofd. En daarvoor was nodig dat de prediker een intense liefde had voor mensen. En Spurgeon benadrukte dat niets in staat was de afwezigheid van dit charisma van de liefde te compenseren. Als zodanig is deze genadegave tegelijkertijd onontbeerlijk voor de evangelieprediking: 'Want de liefde van Christus dringt ons... Zo zijn wij dan gezanten van Christuswege, alsof God door ons bad; wij bidden van Christuswege: Laat u met God verzoenen (vgl. 2 Kor. 5 : 14, 20)'.
Verzoening
Dan zal de prediker uiteraard zelf delen in de verzoening, om deze aldus te mogen uitdelen. Het verzoende leven van 'Golgotha' zal door hem heen gaan en zó van hem uitgaan. Rijkelijk bedeeld met de liefde van God in de vergeving der zonden, zal hij deze rijk mogen uitdelen. Achtergrond en on-
dergrond van zijn prediking worden dan bepaald, niet door theologie óver de verzoening, maar door de theologie van de verzoening en door theologie vanuit de verzoening. Waar de afgrondelijke diepten van onze verlorenheid worden gevuld met de ondoorgrondelijke liefde van God in de verzoening met God in het bloed van Jezus. Deze betrokkenheid op en doortrokkenheid van de vrede met God, die alle verstand te boven gaat, is het waard te worden meegedeeld en uitgedeeld aan ieder die het maar horen wil en niet horen wil. In deze overmacht van de liefde van God in Christus ligt het geheim van de prediking én van de prediker! Uitdelen en meedelen en toedelen van dat wat ons eerst is meegedeeld. Wie is tot deze dingen bekwaam? Niemand! Vgl. 2 Kor. 3 : 5 'Niet dat wij van onszelf bekwaam zijn..., maar onze bekwaamheid is uit God'. Een sprekend voorbeeld hiervan is voor mij altijd nog Charles Haddon Spurgeon, de Londense prediker uit het Victoriaanse tijdperk. Onder alle omstandigheden straalde Spurgeon een aanstekelijke naïviteit uit. Zijn gehele bestaan ademde een hartstochtelijke liefde tot de Heere Jezus. Met zijn gehele ziel preekte hij Christus tot de mensen in zijn tijd. Hij gaf door wat hij zelf had ontvangen. Bédeeld met de liefde van God, deelde hij deze uit, liefdevol en uiterst persoonlijk zijn tijd betrekkend bij de 'wel aangename tijd, de dag der zaligheid' - de toenmalige tijd entend als een rank op de 'tijd der genade'.
C. A. VAN DER SLUIJS, ROITERDAIM
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 april 2002
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 april 2002
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's