De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Globaal bekeken

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Globaal bekeken

5 minuten leestijd

In zijn boek 'Diakonie en Algemene Bijstandswet' (uitg. Buijten & Schipperheijn, Amsterdam) geeft wijlen prof. C. Veenhof een doorkijkje in de miserabele sociale toestanden in de 19e eeuw en de vaak neerbuigende barmhartigheid van de gegoede burgers en ook van het diaconaat. Daarin citeert hij een viertal regels van een 'nationaal poëem' van 'onze nationale dichter' Hendrik Tollens (1780- 1856), waarmee hij in de twintiger jaren van die eeuw ongeveer 2000 gulden bijeen bedelde voor de armen. Van dr. J. de Gier te Ede ontving ik de hele tekst van Tollens Winteravondliedje, waarvan de inhoud m.b.t. het 'zalige weldoen' voor zichzelf spreekt.

Het Oosten blaast, het wintert fel,
't Is buiten vinnig koud,
God dank! wij hebben turf en hout;
Wij zitten warm en wel,
Al zijn de boomen wit als dons,
De grachten hard als lood,
Wat, wijfjelief, wat deert het ons!
Wij hebben warmen wijn en pons;
Wij hebben dak en brood.

En nooden we eens een vriend te gast,
Wij zetten vleesch en visch -
En somtijds wildbraad op den disch,
Met wat daarneven past.
En als er een van 't huis verjaart,
Hoe jong de kleene zij,
Wij bakken, hem ter eer', een taart,
Of eten wafels aan den haard,
Een drinken slemp er bij.

Dat kan die arme stumpert niet,
Die langs de straten schoolt,
En, of het vriest, en of het dooit,
Verkleumd van honger ziet.
Verjaar' zijn kind, verjaar' zijn vrouw,
Geen gast betreedt zijn kluis;
Hij lijdt altijd gebrek en kou,
Hij stookt geen vuurtjen in zijn schouw
Hij krijgt geen tulband t'huis!

Wat moeten wij niet beter zijn,
Bedeeld met zoo veel goed;
Den winterhaard in vollen gloed,
Den beker vol van wijn!
Wij zijn uit andre klei gekneed,
Uit beter leem dan hij.
En God, die alle dingen weet,
Gaf ons met regt een fraaijer kleed,
En hem een ruwer pij.

Ik beter zijn...! Vermetel lied,
Is 't waarheid, wat gij slaakt?
Ik wenschte dat gij waarheid spraakt;
Ik vrees dat doet gij niet!
Wie weet, of onder 't slecht gewaad,
Genaaid uit stuk en brok,
Geen minverdorven harte slaat,
Met meerder goed en minder kwaad,
Dan onder dezen rok!

Zou 't mooglijk wezen...? Goede God,
Zoo 't mooglijk wezen mogt,
Waarom dan hem zoo bang bezocht
En mij dat blijder lot?
Ik zit en mijmer, peins en gis
En dring het raadsel in,
Maar, wat al meer duister is,
Ook mijn bezit en zijn gemis
Heeft mij te diep een zin.

Doch dát voor 't minst, hoe blind ik zij,
Begrijp ik toch er van,
Dat ik den arme geven kan,
Wat hij niet kan aan mij;
Dat, van wat God ons ruimer schonk,
Hem hulp behoort in nood;
Van onzen haard een enkle vonk,
Een enkle drup van onze dronk,
Een kruimel van ons brood.

En daarom dan den pligt voldaan,
Dien 't hart zoo luid gebiedt!
Verdiepen we ons in raadsels niet;
Dat droogt geen enklen traan.
Het Oosten blaast, het wintert wreed,
't Is buiten bitter koud;
Den stumpert, die geen uitkomst weet,
Behoort een vlokje van ons kleed,
Een spaander van ons hout.

Hoort, maagd en knaap! hoe laat het zij,
Wie kloppen mogt, ontsluit!
Dringt oud noch jong de huisdeur uit
Een zendt geen mensch voorbij...
Wat hoor ik! vliegt! doet op! gezwind!
't Is buiten ruw en guur!
0, Zond ons God, door weer en wind,
Een arme moeder met haar kind,
Zij kwam ter goeder uur!

Mij tintlende in 't gemoed;
Maar driewerf dank, algoede God!
Voor elke ervarenis,
Dat uw bevel ons reinst genot -
Ons zoetst genoegen uw gebod -
Dat weldoen zalig is.

In de eerste eeuwen van het christendom, na keizer Constantijn, kwam er een beweging op van mannen in het oostelijk Middellandse-Zeegebied, die zich terugtrokken in de woestijn om te leven in ascese en gebed, de zogeheten woestijnvaders. Ze lieten 'spreuken' na, waarvan een aantal bijeen is gebracht door Anselm Grün in een boekje 'Bidden met woestijnvaders' (uitgave Meinema, Zoetermeer). Hier volgen er enkele.

• 'Dit is het grote werk van de mens, dat hij zijn zonden voor Gods aangezicht blootlegt, en dat hij tot zijn laatste ademtocht rekening houdt met de bekoring.'

• 'Je zou niet zozeer moeten streven naar het doel, direct verhoring van je gebeden te verkrijgen, en daarbij ook niet zo hardnekkig te werk moeten gaan. De Heer wil je misschien een nog groter geschenk geven dan datgene waarvoor je hebt gebeden, en daarmee je geduld belonen. Bestaat er wel iets beters dan een innige omgang met God en iets hogers dan helemaal te leven in zijn tegenwoordigheid? Een gebed dat door niets meer wordt afgeleid, is het hoogste dat de mens bereiken kan.'

• '"Laat je gave voor het altaar achter, ga heen en verzoen je eerst met je broeder", raadt ons onze Heer - dan zul je ongestoord kunnen bidden. Want wrok verduistert de geest van de mens die bidt, en werpt een schaduw over zjjn gebed.'

V.D.G.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 april 2002

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Globaal bekeken

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 april 2002

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's