De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Globaal bekeken

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Globaal bekeken

8 minuten leestijd

Prof. dr. G.J. Borger schreef in het Contactblad van de Gereformeerde Bond afd. Amsterdam over Een kandelaar zonder licht:

'Tsaar Peter de Grote (1672-1725) heeft het als zijn levenstaak gezien het Russische keizerrijk en de Russische samenleving te moderniseren. Onderdeel van zijn plannen vormde de bouw van een nieuwe hoofdstad: Sint-Petersberg.

Tsaar Peter was zich ervan beiuust dat hij die taak niet kon volbrengen zonder de steun van buitenlanders. Vreemdelingen die zich in Sint- Petersburg ivilden vestigen, garandeerde hij dan ook vrijheid van godsdienst. Dat gold ook voor de Nederlanders die zich daar vestigden. Vanaf 1703 werden er in de nieuwe hoofdstad protestantse erediensten gehouden. Toen de eerste kerk te klein werd bouwden de Hollanders een nieuwe kerk aan de Nevski Prospect, de centrale boulevard van Sint-Petersburg. Een monumentaal gebouw op een prestigieuze plek.

Maar met de communistische revolutie braken andere tijden aan. Een nieuwe ideologie en een nieuwe levenshouding werden dominant in de Russische samenleving. Net als veel andere buitenlanders vluchtten de Hollanders weg, onder achterlating van vele goederen. Aan een meer dan twee eeuwen volgehouden traditie van protestantse erediensten kwam een einde. Het gebouw aan de Nevski Prospect staat er nog, maar de gemeente is spoorloos verdwenen. Wie in Sint-Petersburg heeft er weet van dat op die kandelaar ooit het licht van het evangelie heeft gestraald? Waar in de stad is de glans van dat licht nu nog te zien? En zal het met de kerk in West-Europa anders gaan? Een nieuwe, moderne, eigentijdse levenshouding en alle oude dingen gaan spoorloos voorbij? Zijn deze vragen nutteloos gesomber? Wie in de kerk kritisch om zich heen kijkt, ontkomt niet aan de indruk dat er reden is tot zorg. Wat zal de rol zijn van het christelijk geloof en van de kerk in de Nederlandse en Europese samenleving van de 21e eeuw? Welk houvast biedt de verkondiging van het evangelie aan jonge mensen die volop in het moderne leven moeten en ook willen staan? Dat zijn indringende vragen. Ze kunnen ontkend of genegeerd worden, maar daarin ligt wat mij betreft niet de oplossing. Ik denk dat het beter is om de gesignaleerde problemen serieus te nemen en te zoeken naar antwoorden in woorden en daden. Net als de Hollandse kerk aan de Nevski Prospect zullen de Noorderkerk 300 en veel andere oude kerkgebouwen de kaalslag wel overleven. Als monument zullen die gebouwen ook in de toekomst aanleiding geven tot het vertellen van verhalen over vroeger, toen het christelijke geloof nog een rol speelde in he leven en samenleven van mensen. Maar waar zal dan de gemeente zijn? Waar zullen de mensen gevonden worden die de christelijke levenswandel praktiseren en aan andere mensen voorleven?

Deze vragen geven aaleiding om onderscheid te maken tussen de gemeente als vergadering van gelovigen, de kerk als organisatie en de kerk als gebouw. Dat doe ik bewust. Van Napoleon heb ik namelijk geleerd dat niet de sterkste de veldslag wint, maar degene die het sterkste is op het beslissende punt. Wie wil bijdragen aan de toekomstige verkondiging van het evangelie, zal zich dus moeten afvragen wat hij/zij ziet als het springende punt en daarop de aandacht concentreren. Wat mij betreft gaat het niet primair om de instandhouding van een gebouw of een organisatie. Gebouwen en organisaties zijn een belangrijke steun voor de verkondiging, maar wat mij betreft niet van beslissend belang en dus ook niet het centrale doel. We kunnen in kerkelijk verband vergaderen tot de kasten uitpuilen van verslagen en rapporten, de vellen ervan afvallen en de dood erop volgt, maar daarin ligt niet de toekomst van de gemeente. Ook het geredekavel van theologen, filosofen en geleerden van andere snit is naar mijn overtuiging niet van beslissend belang. Het doordenken en systematiseren van de christelijke geloofswaarden is van belang voor de onderbouwing van het geloof en de dialoog met andersdenkenden, maar voor de toekomst van het evangelie zijn de resultaten van theologie en dogmatiek niet van doorslaggevende betekenis. Voor die toekomst is naar mijn overtuiging een gemeente nodig, een vergadering van gelovigen die oprecht en intens probeert te leven vanuit het geloof. De dagelijkse beleving van dat geloof en het getuigenis dat daarvan uitgaat, moeten dan wel door kinderen en omstanders herkend kunnen worden als authentiek en geloofwaardig. Spreken anderen zo over uw geloof? En spreekt u zo over het geloof van anderen? (...)'

an de hand van prof. dr. W. Verboom verscheen een prachtig V boek over zijn ouderlijk huis, onder de titel Het bevindelijke nest (uitgave Groen, Heerenveen). (Kopen!) Zomaar een fragment; over De winkelweek:

'(...) We deden trouwens nauwelijks mee met het feest van de winkelweek. Mijn vader vond het allemaal veel te werelds en mijn moeder zei, toen ze eens 's avonds vanuit het raam van de slaapkamer naar buiten keek en al die mensen onder de feestverlichting heen en weer zag lopen: "Dat zwiert en Zwalkt maar op de straat. t Het lijkt de kermis der ijdelheid wel uit De christenreis van Bunyan. Let eens op kinderen, bekeerde mensen zie je daar niet en door die luidsprekers hoor je nooit een geestelijk lied, laat staan een psalm".

Daar moest ik haargelijk in geven. Je zag daar inderdaad geen mensen op de straat lopen die in mijn ogen bekeerd waren. Je hoorde ook nooit Heer ai maak mij Uwe wegen door die luidsprekers zingen. Dat paste ook niet bij elkaar. In gedachten hoorde ik mijn moeder tegen me zeggen: Nou, als dat niet bjj elkaar past, dan kan het toch nooit goed zijn.

Toch vond ik het jammer dat het bij ons thuis werelds werd gevonden, om 's avonds een eindje mee te lopen onder die lichtjes van de winkelweek. Ik wist dat Aagje, die bij de molen buiten het dorp woonde, er wel liep. Ik was verliefd op haar. Wanneer we als schoolkinderen op het schoolplein het spel deden: "Twee boerenkinderen dansen in een kring, kom jij er maar eens in", koos ik steevast haar uit en zij mij. En met het spel "Cecilia, Cecilia, sta stil", stonden we altijd tegenover elkaar. Wat zou er nou mooier geweest zijn dan met haar in deze winkelweek eens hand in hand onder die lichtjes.te lopen. Zeg nou, zelf, dat zou toch heel mooi zijn? !

Nu was er één ding waar mijn vader wel aan meedeed. Onze kruidenier had iets leuks bedacht. Zijn klanten mochten proberen om één kilo kaas af te snijden. Bleek het afgesneden stuk precies een kilo te wegen, dan mocht je het meenemen, zonder te betalen. Zat je ernaast, dan moest je er de volle prijs voor neertellen. Het sprak vanzelf dat de meeste mensen die hun geluk beproefden ernaast zaten. Anders had de kruidenier de actie natuurlijk al lang beëindigd.

Nou goed, mijn vader ging op een rustige morgen, om een uur of half tien, naar de kruidenier. De man zag mijn vader aankomen en wist het al: dit kost me een kilo kaas. Toen mijn vader binnenkwam, legde de kruidenier een grote platte kaas op de toonbank en gaf mijn vader het mes. Zonder enige aarzeling zette mijn vader het mes op de kaas en sneed er met een glimlach een stuk af.

"Asjeblieft, " zei hij tegen de kruidenier, "weeg maar."

Het was precies e'e'n kilo. Het succes had hij te danken aan de jarenlange oefening in de tijd dat hij een boter-kaas-en-eierenzaak had in Den Haag.

De kilo kaas werd netjes ingepakt en de kruidenier werd vriendelijk bedankt. De man lichtte even zijn pet op en zei: "No, oant takomme jier mar wer, by libben en wolwêzen." (Tot volgend jaar maar weer, bjj leven en welzijn.) Even later, nog voor tienen, lag de kaas al in onze kelder.

"Dat is mooi man, " zei mijn moeder, toen ze koffie dronken. "Dat komt goed van pas." Ik was er eigenlijk best trots op dat het mijn vader weer gelukt was in de kruidenierswinkel. Dat deed toch maar bijna niemand hem na. Wat dit betreft was hij gewoon de beste van het hele dorp. Het gaf me ook het gevoel dat we toch meededen met de winkelweek. In gedachten zag ik voor me, hoe ik een jongen van repliek diende, die snerend zei: "Jullie doen niet mee met de winkelweek hè? "

Ik zei tegen hem: "Mijn vader kan een kilo kaas precies afsnijden. Kan jouw vader dat ook? " Het gebeurde op vrijdagavond, de laatste avond van het feest. Geert kwam thuis van orgelles bij juffrouw Baanstra. Hij zag zo wit als een doek.

"Wat is er met jou gebeurd? " vroeg mijn moeder.

"Ik heb iets ergs gezien, " zei hij. "Er kwamen twee jongens vechtend het café uit. Een van hen vloekte. Toen kwam er een politieagent aan en die heeft ze eerst met zijn laarzen geschopt en daarna met zijn gummistok uit elkaar geslagen. Schreeuwend van pijn zijn ze ieder een kant op gevlogen."

"Dat is erg, " zei moeder. "Zie je wel dat heel dat feest niets anders is dan de kermis der ijdelheid. De een is dronken, de ander wil zijn naaste doodslaan en de Naam des Heeren wordt ontheiligd. Dat heb je nou van dat gezwier en gezwalk."

V. D. G.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 mei 2002

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's

Globaal bekeken

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 mei 2002

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's